De vele facetten van het boerenleven



Reflectie


Werken, arbeiden en handelen
boeren sterven helaas uit



Zo menigeen had een schonen droom,
maar de boer hij ploegde voort,
Thermophylae, Troje, Salamis,
maar de boer hij ploegde voort,
Het jonge graan werd altijd groen,
De sterren altijd licht,
Gods woord streed in de wereld voort,
De boer heeft het gehoord.

Uit "Ballade van den Boer" 1935
            Uit: negen balladen.
Werumeus Bunning


Marten Melsen schilderde de boeren
niet als slaven van den grond
en van de verpachters, maar als
zelfstandige mensen. Zelf streefde
hij een Tolstojaans bestaan na, terwijl
de boeren, ook in de polders ten Noorden
van Antwerpen en het Waasland vaak
op zoek waren naar vernieuwingen. 
Toen ik die brief schreef over het boerenleed, hoorde ik van iemand dat ik niet had mogen schrijven dat mijn en zijn grootvader nooit gewerkt had. Nu, mijn vader had het mij wel eens verteld en ook mijn moeder bevestigde dat, hoewel zij haar schoonvader ook niet gekend heeft, dat mijn vader het wel eens herhaalde: mijn vader heeft nooit gewerkt. Maar wat betekent dat dan?

Vele dingen, want het gaat over de status van het werken, in de koestal, op het veld, in de schuur en op de deel. Het gaat ook over de organisatie van de landbouw en van landbouwbedrijven en hoe dat veranderde. Ook de internationale handel komt om het hoekje kijken. Maar tot slot ook dit: wat doen we met ons leven? Nu was het slagwoord van mijn vader zaliger: Immer Arbeiten! Voor er iemand in de kramp schiet, mijn vader is nog geschoold met veel aandacht voor het Duits. In Nederland merkt men dat nog veel sterker, omdat na WO I hier de status van het Duits toch weg deemsterde, terwijl Nederland tot de vooravond van WO II geloofde goede zaken te kunnen doen met de Duitsers, welk regime er ook aan de macht was. Mijn vader kon het ook zeggen met gevoel voor sarcasme, want 10 maanden ongeveer leefde hij als duikeling, onderduiker, om niet als slaaf weggevoerd te worden naar de fabrieken van de Duitse oorlogsindustrie of erger, vrijwillige arbeidsdienst te verrichten.  Een aantal van zijn (latere) vrienden werden wel weggevoerd en kregen na de oorlog een statuut, de onderduikers, jonge mannen op wie ook hevig gejaagd werd, blijkbaar niet.

We kennen het verhaal van de dametjes van goeden huize die zich liefst zo bleek mogelijk hielden, want wie door de zon getaande huid liet zien, dat was beslist iemand die zich inliet met het zware werk, met het werken om te overleven en dat heurt niet, toen niet en nu niet. Sinds goed vijftig, zestig jaar is het hebben van een bleke huid vaak het gevolg van kantoorwerk en dus was men graag bereid zich zo volledig mogelijk over te geven aan de zon, op zonovergoten stranden ver van huis, verre van eenzaam natuurlijk. Of toch, misschien een beetje eenzaam ondanks de drukte om ons heen?

Een van de opvallendste aspecten van de bedrijfsvoering in de landbouw betreft de gedachte dat men iets door te geven had, meer moest doen dan snel gewin nastreven, was er de zorg voor gebouwen, de veestapel, de kwaliteit van het zaaigraan en het onderhouden van het gezin. Een boer, een pachter of eigen geërfde op een groot hof zorgde uiteraard voor de dagelijkse noden en behoeften, maar altijd speelde ook de toekomst mee. Op kleine pachthoeven, eindeloos versnipperd, was het werk op de hoeve alleen niet voldoende en diende men op een ander te gaan travakken, wrochten, ploeteren om in de dagelijkse noden te voorzien.

Dat verschil kan men moeilijk negeren, maar het oefent ook psychisch invloed uit, want de boer die rustig alles op gang wil en kan houden, heeft een ander leven dan de kortzitter, de kleine pachter die elke dag moet hopen dat er voldoende binnen komt. Nu, tijdens de 18de eeuw konden die wel degelijk een goed inkomen opbouwen, met dank aan de huisnijverheid, al wil men dat vandaag, ondanks de overtuigende argumentatie en het uitgebreide bronnenonderzoek van wijlen Chris Vandenbroecke, wil men die idee van een welvarend Vlaanderen niet erkennen, omdat het niet past in de globale beeldvorming, waarin de relatieve welvaart toen afbreuk zou doen aan de strijd, een eeuw later van de protosocialisten en arbeidersbewegingen. Het valt me wel vaker op dat beeldvorming in deze verschillende doelen kan dienen.

Problematisch blijft het na te gaan hoe of die boeren met een paar paarden, een redelijke veestapel en dus met huispersoneel en hoeveknechten op te voeren zonder te vergeten dat er ook andere boeren waren, eerder landarbeiders, die hun kracht en energie verhuurden. Maar daarnaast dus kon men bijverdienen met huisnijverheid en bracht dat aardig wat geld in het laatje. Zoals Vandenbroecke schreef, was het des te opvallender dat Vlaanderen niet direct de overgang kon maken van een groene revolutie naar de industriële revolutie. De Napoleontische oorlogen waren hier mede debet aan, de ontwikkeling van het steenkolenbekken in het Pays Noir en elders in wat nu Wallonië heet, maar de grote problemen, de hongersnoden en de armoedeval van Binnen-Vlaanderen rond het midden van de 19de eeuw had meerdere oorzaken: industrialisering van de textielindustrie,  de gevolgen van de demografische boom in de achttiende eeuw lieten zich ook voelen en de toegenomen verwachtingen van de kleine pachters die wisten dat ze wel iets mochten verwachten. De voorsteden groeiden niet uit het niets, maar werden gevoed door handen die op het land niet meer ingezet konden worden. Misschien komt ook daar de bizarre afkeer van de stad voor het land en van het land voor de stad uit voort?

In die cultuur en omslagen van niet enkel de conjunctuur, maar ook van de cultuur zelf, verschoof de aandacht van werken om den brode naar werken voor een beter leven. In "autobiografie van mijn vader" laat Gerard Walschap dit dan ook overtuigend zien en wie de Vlaschaard leest, zal merken dat een van de punten die Streuvels nogal bezig moet hebben gehouden de vraag was hoe hij het wachten van de boer kon beschrijven. Wachten op de uitkom, het klaarleggen, laten leggen van de kouter en vervolgens het zaaien om vervolgens te hopen op zon en regen, warmte en groeikracht, maar ook het wachten tot men zelf, als zoon het heft in handen kon krijgen.

Maar kende men de nukken van de natuur, men wist ook, in principe dat het goed gaan zou, dat in ons klimaat met enige zorg voor de gang van zaken de oogst weldadig zou zijn. De dagen van werken wisselden af met dagen van rust, niet enkel op zondag, maar ook tijdens de winter of tussen de onderscheiden oogstperiodes. Werken was belangrijk, maar zoals men uit de bronnen kan afleiden was het evengoed van belang tijdig de riem af te leggen, te feesten waarbij niet enkel god eerde maar ook de wijn en zichzelf, het goede leven. Zorg om de dagelijkse noden, oplettend handelen in geval van noodweer en dergelijke tekenden het leven van de gezeten boeren. Zoals ik ook schreef, was mijn andere grootvader handelaar in granen, vooral gerst voor bierbrouwerijen en vooral mouterijen. Men merkt de zeer expliciete arbeidsspecialisatie, waardoor in de productie van goederen en genotsmiddelen vele tussenschakels te vinden waren, maar waar we ons vandaag soms nauwelijks bewust lijken, wisten mensen doorgaans waar de dagelijkse dingen vandaan kwamen. Maar specialisatie zorgde en zorgt voor betere kwaliteit en de eindgebruiker blijkt niet altijd nog een zekere band te hebben met de verschillende producenten. Dezer dagen lijken de boeren volkomen te negeren schakels in onze voedselproductie.

Maar gezeten boeren hadden een eeuw geleden vaak een maatschappelijke rol en mijn grootvader was gedurende enige tijd ook dijkgraaf en derhalve beheerder van een polder. Daarnaast was hij ook lid en voorzitter van de kerkfabriek. Politiek was hij zo te zien niet echt actief, maar ooit vertelde mijn vader over de schoolstrijd en dat zijn grootvader, Ludovicus Haers als secretaris van de kerkfabriek betrokken was geraakt in de schoolstrijd van 1879. Mensen namen toen graag verantwoordelijkheid op voor de gemeenschap en hoewel het ons alles nu vreemd is geworden, betekende dat veel aan inspanningen. Alleen het bijhouden van briefwisseling en boekhoudingen vergde veel tijd en inspanningen. Een secretaris en voorzitter van dergelijke instellingen als de polder of een kerkfabriek kwam er niet af met een keer de vergadering leiden of notuleren.

Maar het was ook een werkzaamheid die niet op onmiddellijke resultaten gericht was en had te maken met bestendigen en duurzaamheid verlenen aan de instituties. Natuurlijk kan men bij Karel van de Woestijne lezen hoe er ook toen wel eens in de publieke kassen gegrabbeld werd, hoe mensen de zaak naar hun hand zetten. Laten we dus maar vaststellen dat mensen altijd en altijd zullen zijn wie we zijn, tot het goede en tot het kwade geneigd, soms hopend ergens tussenin het beste van beide werelden te genieten. Maar werkzaamheden van velerlei aard verrichten we allen, soms beroepsmatig, soms als hobby of om niet. maar we lijken ermee behept dat alleen wie hard werkt het zout op de patatten verdient.

Om wat voor werk gaat het? Het ene woord dekt niet alle activiteiten is volgens Hannah Arendt strikt genomen alleen die activiteit die met ons dagelijks overleven te maken heeft, terwijl arbeid op het maken van meer duurzame goederen die kunnen bijdragen aan de voedselvoorziening, zoals ploegen, molens, maar ook huisvesting, kleding etc. betrekking heeft.

Er is volgens haar nog een derde niveau mogelijk, waar we ons begeven in de publieke ruimte, waar we ons niet met onze eigen besognes alleen inlaten, maar ook die van derden gaan ons dan aan. Juist in de ruimte tussen personen ontstaat het politieke, maar ook het handelen dat er uiting aan geeft. Daarom is het van belang te overwegen dat mensen in verschillen vormen van activiteit bezig zijn,werken om te overleven, arbeiden zodat er duurzame producten gemaakt worden maar om het samenleven te organiseren komt men in de publieke sfeer.

Laten we in overweging nemen dat in lokale gemeenschappen mensen nog meer uitgenodigd worden om soms publieke taken op zich te nemen, zoals bijvoorbeeld in een kerkraad, Kerkfabriek zoals het eertijds heette en waar men de aardse goederen van de kerk beheert. De vraag is dan wie dat doen kan: vrijgestelden, mensen die zich er vrij voor kunnen en willen maken en die er ook met voldoening betrokken bij zijn. Ook de bestuur van de polder is van belang want hoewel klimatologische evoluties en zware stormen veel schade kunnen aanrichten, kan het zo zijn dat veronachtzaming van het onderhoud pijnlijk lastig kan uitpakken. Het dagelijkse leven wordt dan ook drukker dan we vandaag zouden denken.

Maar tot slot is er nog een detail: werken en arbeiden, in het levensonderhoud voorzien en zorg opnemen voor het gezin, de familie, maar ook de gemeenschap waarin men leeft, lijkt routineus en saai. Het is een van de mythes die we graag hoog houden. Echter, zoals we zagen kan werken vele vormen aannemen, maar de onderscheiden die men maken kan, tussen werken voor eigen genoegdoening en om den brode, werken dan wel arbeiden aan iets duurzaam zijn evenzeer van gewicht. Finaal geeft het aan hoe rijk een menselijk bestaan kan zijn.

Juist, mijn grootvader werkte niet direct meer op het land, molk geen koe meer en was wellicht doende met nieuwe landbouwtechnieken, die tijdens zijn leven steeds meer en meer het leven van boeren ging bepalen. Hij zal dus ook wel behoorlijk bezig geweest zijn, maar binnen het boerenleven was het een zaak van organiseren en besturen, maar ook in de polder, om bijvoorbeeld de opbrengsten van de collectiviteit te verzekeren. Een polderbestuur dient immers ervoor te zorgen dat de polder zich zoveel mogelijk autonoom kon bedruipen, wat gebeurde door de dijken te verpachten aan boeren om er het veel te laten grazen, wat de stevigheid van de dijken bevorderde, maar ook het snoeien van bomen zorgde voor inkomsten terwijl ook visrechten op de waterlopen en kreken wel iets opbrachten. De boeren en elke eigenaar in een polder betaalden ook een bijdrage per jaar naar gelang van de oppervlakte. Dat vergde wel enige administratie.

En dan wordt duidelijk dat mijn zinnetje wellicht niet enkel nuance vergde, maar vooral een beter begrip en meer context vergde. Dat mijn grootvader zijn zonen wilde laten studeren en dat twee kozen voor het boerenleven, twee voor universitaire studies en een voor het priesterschap, geeft uitdrukking aan zijn tijd en leven. Zelf heb ik hem niet gekend, maar dat lag nu net aan de geplogenheden dat men niet zomaar trouwen kon, want men behoefde een hofstee of men moest naar de stad. Pas in 1914 trouwde mijn grootvader en in 1915 werd de oudste zoon geboren, die 92 jaar oud zou worden.

Natuurlijk waren er tijdens de negentiende eeuw, toen de chemie een plaats kreeg en boerenorganisaties jonge boeren in avondlessen op de hoogte brachten van de nieuwe technieken. Sommige mensen vragen zich net niet af hoe of het boerenleven er toen uitzag, maar laten we vaststellen dat niet elke landbouwer een gestampte boer was, beperkt tot het eigen erf, de eigen belangen. Niemand zal dat zonder hypocrisie de boer verwijten, denk ik. Maar dat zij tot de dag van heden mee aan de grondslag liggen van de welvaart, meer dan men aannemelijk wil maken, want al gaat het om de primaire sector, in de vele ontwikkelingen sinds het begin van de landbouwtijd, waarbij men vaker dan nu voor correct wordt gehouden boeren zorgden voor vernieuwingen en bijsturingen, zal men dus het werk van een landbouwer niet zomaar als stompzinnig en routineus wegzetten. Want al ploegt de boer verder, de ploeg is onherkenbaar en  het paard is gewoon verdwenen, machines kwamen en nu voeren ook boeren hun administratie per pc of labtop en zeer grote bedrijven... zij ploegen en zaaien met autonome machines, op basis van gps en bouwen superstallen. Dat moeten we misschien nog erger vinden dan ggo. Maar net die laatste stelling raakt dan weer een van de oudste activiteiten van de boer, het goede zaaigoed vinden, geschikte hengsten, stieren en beren. Want het ging niet om dat ene big, kalf of veulen, maar om de voortzetting van foklijnen.

Bart Haers






Reacties

Populaire berichten