Herstellen banken het vertrouwen



Dezer Dagen


Banken denken over hun nieuwe rol
gesprek met een bankier/medewerkster


Hoe scheppen we de wereld van Morgen en waarom lijkt het soms allemaal wat moeilijk te verstouwen. Sinds de crisis van 2008, die begon bij de banken, werd vooral het casinokapitalisme onderzocht en onder meer Joris Luyendijk die in een groot aantal krantenstukken zijn onderzoek deed naar hoe het er in de city aan toeging - dat resulteerde in het boek "dit kan niet waar zijn", waarover velen niet uitgesproken raken -, noopt ons toch tot de vraag te stellen of de banken inderdaad nog altijd zo wereldvreemd lijken te acteren. Zijn er gronden om van een herstel van contact en van vertrouwen te spreken?

Nu, banken zijn doorgaans grote multinationale instellingen die vooral de aandeelhoudersmeerwaardecreatie op het oog hebben en de klanten zouden - letten we vooral op de voorwaardelijke wijs - gewoon middelen zijn om die opzet te realiseren. Dat er al lang voor 2008 tussen klanten en banken een wat verstoorde relatie bestond, wil niet iedereen gezegd hebben, maar de verkoop aandrijven van minder gunstige waardepapieren was al goed dertig jaar geleden courante praktijk. De idee van grootbanken slechtlopende kredietverleningen, vooral in de huizenmarkt, te bundelen om zo de risico's te spreiden, eindelijk door te spelen, heeft een aantal banken ver van Boston en New York aardig in de problemen gebracht.

Maar al vroeger hoorde ik van mensen in het bankwezen dat er een probleem was ontstaan, omdat niemand nog echt begreep wat de band was tussen de City en de bankkantoren in elke dorpskern, in elke wijk van de stad. Het verhaal van Joris Luyendijk gaat dan ook niet zomaar over bankiers, maar eerder over onderdelen van een systeem, dat de grote raderen weet te hanteren en vaak profiteert van de wetten over de grote aantallen. De bankkantoren in Gent, Leuven of Antwerpen waren zich daar zelf evenmin bewust van als u en ik, maar zij voelden zich vaak kleine jongens/meisjes en dat stak. Nu het stof is opgetrokken en een aantal banken zijn omgevallen, voelen de stuurlui die het overleefd hebben zich getroost voor hun vermeende onnozelheid.

Toen het Gemeentekrediet, een typische instelling van het Belgische kapitalisme in de negentiende eeuw en in 1860 opgericht ter financiering van de financiële behoeften van de steden en gemeenten, in 1996 op de schop werd genomen en in een nieuwe structuur ondergebracht, vergat men dat de rol van die bank wezenlijk was op verschillende domeinen van de samenleving. De waanidee te moeten groeien om relevant te blijven liet ons achter met een restbank, met een failliete sociale beweging en met de desillusie dat wat goed is, zomaar kan worden opgegeven voor iets dat beter is. Het Gemeentekrediet werd na WO II een depositobank waar burgers spaarproducten konden opnemen, zoals de kasbons en aan redelijke tarieven lenen.  Maar het gemeentekrediet voorzag ook in de mogelijkheden op het gebied van onderzoek naar gemeentelijk beleid, organiseerde structuren voor jonge en hoogstaande kunstenaars en zoveel meer. In ruil voor de schande van foute belangen in Detroit en andere kaduke instellingen, werd dat fraais opgegeven. Men mag dit conservatief noemen of wijsheid achteraf, maar in 1996 is erover gesproken in de Werkgemeenschap Vlaanderen Morgen, omdat ook Hugo Schiltz bezwaren onderkende en mijn vraag wel degelijk ernstig nam. Achteraf heb ik van niemand verontschuldigingen gehoord aan de gemeenten en aan de vroegere cliënten, de vroegere agenten ook, dus niet aan mij, want daar gaat het dan niet om.

Ook andere banken gingen in de fout, zoals ABN-AMRO, zoals de aloude Generale Bankmaatschappij die we enige tijd kenden als Fortis en nu als BNP-Parisbas-Fortis het straatbeeld tracht te kleuren. Overmoed, geloof in het systeem en tegelijk de zekerheid dat men dat systeem te slim af kon zijn, zorgde voor grote problemen, want de grenzen van het systeem waren nog altijd, naast wettelijke bepalingen de snelheid waarmee men kan reageren op de evoluties en data, wat ze waren, de financiële resultaten aan het einde van de oefening. Naarmate de informatica het systeem ging bespelen of ermee interfereren, werd het beheer van bepaalde aspecten van de markt zeer geautomatiseerd, wat geen probleem zou mogen opleveren, maar het bleek, voor mensen die alleen nog online met de banken contact hadden, banken in Ierland en IJsland onder meer, torenhoge rendementen  belovend, voor de kleinere spaarder een strop. Lag het aan die spaarders? Geenszins, of hoogstens in de mate dat ze goedgelovig waren geweest. Maar bankzaken en vertrouwen, dat hoort toch samen, zal u zeggen.

Donderdag laatst diende ik enkele persoonlijke administratieve zaken te regelen en vervolgens ontstond er een boeiend gesprek over bankieren anno 2015. Een proces verbaal lever ik niet in, maar ik denk wel, achteraf nog meer, dat het gesprek in die zin boeiend en hoopgevend mag heten, opdat ik er toch melding van wil maken. Het gaat er namelijk om dat banken begrepen hebben dat persoonlijke contacten met klanten wel kostelijk lijken  - de kost gaat de baat vooruit - maar dat op enig moment het bankieren op de eigen markt wellicht beter niet veronachtzaamd mag worden.

Nu was de Bankencrisis van 2008 niet de eerste en het zal allicht nog wel voorkomen, dat banken uit het lood gaan en dat de spaarder er veel bij inschiet. Dat men soms kan voorzien dat er iets mis gaat, bleek toen Geert Noels week na week in Trends het hartfalen van het bancaire systeem in de VS en Spanje onder de aandacht bracht. De aandrang waarmee een grootbank, de PDG van die bank ons aanspoorde aandelen Fortis te komen was voor mij de druppel.  Graag geef ik mee dat ik niet altijd overtuigd was van de scheiding die men aan de orde stelde tussen de financiële wereld en de reële economie, want de gebeurtenissen in de haute finance sijpelen altijd wel door tot het algemene kredietsysteem. Dat gaat niet altijd fout, loopt soms zeer goed, zoals na 1945 zeer zeker het geval geweest is.  De vraag om overheidsfinanciering kwam banken en beleggers ook wel goed uit, maar legde tijdens de crisis van na 1973 en na 1979 een grote druk op het systeem met veel hogere rentevoeten voor ontleners en dus voor de staat dan na 2008 als aanvaardbaar werd geacht...

Maar had men gedacht dat de banken altijd risicomijdend gedrag aan de dag hadden gelegd, dan mag men stellen dat de banken ook wel eens zeer tuk waren op grote risico's, zoals tijdens het interbellum. Nu, John Meynard Keynes, econoom besefte al dat men maar moeilijk voorspellingen kan doen, vooral niet over de toekomst.

Deze en andere gedachten kwamen niet allemaal aan bod in het gesprek, maar sommige draag ik al enige tijd met me mee, vooral omdat ik sinds die fameuze dag in september 2008 dat de Amerikaanse regering besloot dat Lehman Brothers niet te groot was om in faling te laten gaan, met de gevolgen die we kennen, de onwezenlijkheid van die vertrouwensbreuk niet heb kunnen vatten. Was het cynisme? Of was het een afgewogen optie die men lichten wilde? Dat activiteiten van de banken, de kredietwaardigheid van instellingen stonden plots groot op de voorpagina's van de krant. In chocoladeletters werd het falen van het systeem aangekondigd, maar waar de knopen zat, werd veel minder aan de orde gesteld. Nu kan ik wel begrijpen dat men verwees naar die film met Michael Douglas, waarin hebzucht werd aangeprezen, maar het merkwaardige was dat we daar toen zonder meer in meegingen. Ook in de televisieserie met Pierre Bokma in de rol Rijkman Groenink, die in 2000 de ABN-AMRO ging leiden, komt die tomeloze ambitie aan de orde, waarbij alles moet buigen van zijn hoogedelgeboren heer voorzitter.  "Greed" zal niet alles verklaren. Dat evidente verhaal over schraapzucht  - die zich niet vertaalde in vrekkigheid, maar wel in het bouwen van steeds opzichtiger tempels van de mannon - verleidde deze lieden tot het bespelen van alle instrumenten om de bank groot te maken, de eigen verdiensten uitvergroot te zien door politici, academici en het brede publiek, wat financieel ook persoonlijke verrijking moest brengen, maar het was de idee dat men met geld, kapitalen van anderen zelf macht kon opbouwen, zelf de eerste viool in de economie kon gaan spelen. Adam Smith had al gezegd dat geld en kapitalen wel nodig zijn, maar nooit het ultieme object onzer begeerte zijn kan, hoogstens om diensten en goederen te verwerven die men zelf niet in de voorraad of aanbieding had.

Uit het gesprek in dat kleine parloir in de bank kon ik afleiden dat minstens die bank haar politiek voorzichtig aan het wijzigen is en zonder te overdrijven  vooral opnieuw aansluiting zoekt bij klanten, opnieuw het vertrouwen te zoeken, want de banken beseffen blijkbaar dat zonder de kleine spaarder hun rijk ook op zand gebouwd is.

De diensten die banken kunnen verlenen aan individuen enerzijds, maar zo aan het algemeen belang was lang vergeten of beter, de link tussen beide aspecten was doorbroken. Juist omdat we zelf ook graag  rendementen kregen met double digits  maar als we hadden te lenen, voor huis of haard, voor kleine gebruikskredieten en andere zaken,  klagen we over de inhaligheid van de banken.

Het gesprek leerde me dus dat banken nog altijd geen bergen zijn van barmhartigheid, maar dat verwacht ook niemand. Wat veranderd zou kunnen zijn? Dat de banken begrepen hebben dat menselijke contacten tussen klanten en onderlegd personeel op termijn altijd nog beter is dan het onpersoonlijke spelen met de tablet etc. Sommige mensen menen dat iedereen verkiest zonder meer onder de radar te blijven en bemoeienis van de bankier ter plaatse niet nodig is, die menen dat we het grootwarenhuis verkiezen. Beseffen zij dan niet dat er ook nadelen aan zitten, een gebrek aan persoonlijke inbreng dat op termijn tot ongegronde frustraties kan leiden?

Uit het gesprek kwam naar voor dat de bank begrijpt dat we het beste van de twee werelden zouden kunnen verzoenen, online bankieren voor courante zaken, maar de sfeer van discretie en vertrouwelijkheid herstellen waarin mensen het opnieuw aannemelijk vinden dat ze zaken kunnen doen met de bank zonder te moeten vrezen bij de neus te worden genomen, kan ook lonen. Dat men die les nu stilaan in het gesprek hersteld wil zien, mocht ik wel al ervaren en ik denk dat het voor de maatschappelijke rol van de bank een goede zaak is: de bank wil opnieuw zorgen voor het doorsluizen van krediet naar ondernemers. Men mag daarbij geen roekeloze kredieten verwachten, maar de angst dat elke ZZP'er, oftewel zelfstandige zonder personeel vanzelf op het bankroet zal afstevenen lijkt er wel uit.

Het informeren van cliënten functioneert wel anders dan het aansmeren van financiële producten aan goedgelovige financiële analfabeten, want de winst zit niet in het snel verkopen van waardeloos papier, doch wel en vooral in het ervoor zorgen dat de persoon in kwestie terug wil keren voor andere zaken. De wetgever, zo vernam ik, is wel zeer ver gegaan in het beschermen van de cliënt, waarbij roekeloos consumentenkrediet wellicht rechtmatig ingeperkt wordt, maar nu de banken opnieuw begrijpen dat ze zonder die kleine en grotere klanten niet kunnen, dat ze er goed aan doen lokaal krediet te kunnen verlenen aan bouwlustigen, aan ondernemers en anderen, zodat de vraag naar meer exquise producten opnieuw toeneemt, altijd in goed vertrouwen en met als proef op de som de rekeninguittreksels, zal de overheid er misschien ook best toe brengen wettelijke beschikkingen die rieken naar paternalisme op te schorten of meer richten op specifieke risicopersonen.

Aan het einde van het gesprek liet ik verstaan dat ik over het functioneren van de bank in onze samenleving metterdaad wel eens nadacht, net omdat de betekenis van geld en kapitaal in onze samenleving zeer polariserend wordt bejegend, maar daarvoor kreeg ik een vragende blik.   In onze cultuur spelen banken nu eenmaal een opvallende rol, want het transformeren van korte termijn in lange termijn, heeft ook veel mogelijk gemaakt, meer dan we ons durven in te beelden.

Een bank kan ik daarom wel even voor het voetlicht te brengen: de oude Kredietbank, nu KBC heeft meer dan andere een grote rol gespeeld in de ontplooiing van de Vlaamse middenklasse, meer dan de oude eerbiedwaardige dame die de Generale Bank ooit was, al probeerden ze natuurlijk ook wel die middenklasse aan te spreken.  Historici, ook als ze in Gent studeerden, lijken zich dezer dagen niet al te vaak in te laten met de geschiedenis van het geldwezen, van de financiële sector, de bankinstellingen al blijft die boeiend genoeg en belangwekkend voor allen. Herman van de Wee schreef voor de toenmalige Kredietbank een bedrijfsgeschiedenis, dat vooral aan de klanten en werknemers van toen werd bezorgd, maar daarom vaak niet ernstig genomen werd, want tja, het is geen objectieve geschiedschrijving. Toch zal Herman Van der Wee zich niet geleend hebben tot het schrijven van hagiografieën. De titel en de ondertitel spreken voor zich: Mensen maken geschiedenis: De kredietbank en de economische opgang van Vlaanderen 1935 - 1985. Oude boeken - wat heet oud - kunnen nog altijd relevant blijken. De bank is het resultaat van een reddingsactie van corporatistische spaarbanken die tijdens de negentiende eeuw waren ontstaan. In de financiële crisis die in wezen in Europa na het einde van WO I altijd wel sluimerde, met hyperinflatie in Duitsland anno 1923, 1924, maar ook de overheidsschuld van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, die de oorlogsschuld maar nauwelijks met nieuwe leningen konden delgen. Ook België en Vlaanderen hadden onder de oorlog en de plunderingen door de bezetter behoorlijk veel onroerend en roerend goed verloren, onder meer klokken, maar ook levend vee, paarden en hele machineparken.

De wederopbouw kon relatief goed slagen, al zou het tot 1950 duren voor de economie echt hersteld was en voor de zware industrie bleven de plunderingen door het Keizerrijk wel wegen. Toch begon men na WO I hoopvol en banken speelden daarin hun rol, namen hun verantwoordelijk op, maar begingen daarbij ook "vergissingen". Banken namen zelf belangen in ondernemingen en liepen zo mee averij op als de bedrijven in zwaar water kwamen of omvielen. In de periode dat de KBC als Kredietbank tot stand kwam, rond 1934-1935 waren er ook andere banken over kop gegaan, zodat het voor de regering niet eenvoudig lag zomaar bij te dragen aan de redding van de bank. Bovendien speelde een huizenhoog probleem: om de crisis van 1929-1930 op te lossen had men gekozen voor een zeer restrictief beleid, een deflatoir beleid en dat hielp de bedrijven noch de koopkracht, terwijl open economieën ook deelden in de problemen in de VSA, Duitsland en Frankrijk.

Nu goed, de banken en spaarkassen die samen de boerenbank en dan de Kredietbank werden, hadden het zware weer ook niet kunnen overleven en toch bleken een aantal politici alle middelen in te zetten om de bank te redden. Albert Edouard Jansen en Fernand Collin, de eerste vanuit de regering, de andere binnen de bankinstellingen zelf droegen daartoe bij. Hoewel de Kredietbank nog in de schaduw stond van de Société Générale de Banque, was er opvallend verschil, want de banken die in dat nieuwe verband zaten, waren alle op de een of andere manier als corporatistische banken gestart. Nu heeft corporatisme niet zo een beste naam, maar het blijf vreemd dat men deze vorm van volkskapitalisme, waarbij - in dit geval - boeren samen een spaar- en leenbank opzetten of een gemeenschappelijke verzekering tegen ziekten bij het rundvee niet erkent als een dynamische kracht die mee de ontwikkeling van de economie heeft mogelijk gemaakt tot wat die zo rond 1985 was, wel verklaren kan.

Hier spelen ideologische overwegingen mee, maar wil men tot inzichten komen over de toekomst van het (volks-)kapitaal in de 21ste eeuw, dan zal men opnieuw moeten kijken naar vormen van lokale verankering van banken, zonder dat ze daarom onder de kerktoren horen te blijven, wel integendeel. Wie evenwel meent dat men kiezen moet tussen het lokale en globale, ziet niet dat juist interacties en betrokkenheid op beide niveaus en op intermediaire structuren wel degelijk mogelijk zijn. Dat wil zeggen dat een onderneming op een hoger niveau vooral ook oog moet hebben voor wat er in de ruimere omgeving, op globaal niveau gaande is, maar ze kan daardoor maar beter niet geobsedeerd raken, want dan zal men de lokale werking uit het oog verliezen. Maar men kan cliënten ook niet goed bijstaan, bij het opzetten van ondernemingen, als men alleen de lokale situatie voor ogen heeft staan.

Het klinkt alles behoorlijk evident en zelfs lapidair, maar tegelijk mag men niet vergeten dat sinds goed dertig jaar het lokale ondernemen voor bankiers wellicht steeds verder van hun bed is komen te staan. Niettemin kan men er niet omheen dat bijvoorbeeld Voka, gegroeid uit het VEV, dat zelf opgericht werd in 1926 en in zekere samenhang met de KBC wel degelijk ijverde voor een nabijheidsbankieren, de oude idee opnieuw aan de orde stelt. Ook Unizo heeft er vaak aandacht op gevestigd dat banken zich vergisten als ze lokale spelers alleen maar beschouwen als deposanten en ontleners, maar niet als zakenpartners. Hebben banken bijgedragen aan de destructie van kapitaalgoederen en patrimonium? Het zou een niet al te verregaande conclusie zijn, want de onverschilligheid, sinds de Wende, sinds 1990 voor het eigen terroir kan men moeilijk ontkennen.

Waarom zou ik dan nu geneigd zijn te denken dat er beterschap op komst is? Ten eerste kan men het bij gesprekken, zoals ik er onlangs een had, wel opmerken: de bank heeft opnieuw aandacht voor de cliënten. Men wil de digitale afhandeling van transacties niet langer ten koste laten gaan van persoonlijke adviezen en het uitwerken van goede financiële plannen. Het feit dat obligaties en spaargelden nu weinig opbrengen, wegens historisch lage rentes zal men wel als verklaring meegeven, maar er is meer, denk ik.

Finaal kan de bank en kan dus de bankier opnieuw zijn plaats innemen in het (lokale) economische gebeuren, zoals ook Tomas Sedlacek het voorstelde[i]. Dit kan enkel maar, valt te vrezen, als de bankier opnieuw begrijpt dat zijn rol in het economische gebeuren er een is van facilitator, van bemiddelaar en niet van een poenschepper. Geld was de afgelopen decennia een goed op zich, terwijl het alleen tegenover goederen kan staan, als waardebepaling en middel tot het realiseren van transacties.

Wellicht zal men bepaalde inzichten in deze kanttekeningen als onvolkomen of zelfs naïef wegzetten, maar het komt me wel voor dat we ons kunnen laten verblinden door de bling bling van snelle winsten op beurzen en grote acquisities, maar het langzaam meebouwen aan een economisch weefsel, zoals datgene waartoe de Kredietbank gedurende decennia heeft bijgedragen, waarbij het winstoogmerk uiteraard ook voorop stond, minstens om de continuïteit van de onderneming te verzekeren, maar ook om dat weefsel te versterken, zou men bij het  heroverwegen van de maatschappelijke opdracht van de bank best in het oog houden. En voor de duidelijkheid, de discussie over  het kapitaal, over grote vermogens heeft op zich weinig zin, denk ik, als men niet, zoals ooit Maria-Theresia, Louis XV, Jozef II en Koning Willem I goed zagen, begrijpt dat geld niet op rekeningen hoeft te staan blinken. Transacties weerspiegelen het verkeer van goederen en diensten, waar de bank haar rol vindt, namelijk die transacties betrouwbaar laten verlopen.

Een voorlopig afsluitend issue betreft de complexiteit van de fiscaliteit en, het mag betreurd, de neiging, volgens de media, van banken om daar ook faciliterend op te treden. Men moet geen Piketty zijn om die rol te onderkennen, maar wanneer banken, zoals sommige ook op hun eer nemen, net wel hun gewettigde fiscale aandeel op te brengen, dan kunnen zij de overheid met meer kracht van argumenten overtuigen de fiscaliteit te hervormen, in functie van het ondernemen, in functie van de meerwaardecreatie en in functie van jobcreatie. Maar het zullen dan vooral jobs zijn, durven we te hopen, waar mensen wel degelijk een goede dagelijkse verdienen kunnen, maar ook eer leggen in hun job.  

Het zal daarom nuttig zijn opnieuw na te denken over de rol van het vroegere Gemeentekrediet, maar ook de betrokkenheid van deposanten in de werking van hun bank. Met de actuele mogelijkheden kan men verwachten dat het persoonlijke en het routineuze gesmeerd lopen en het vertrouwen van de cliënten in hun bank(en) maar omgekeerd ook het vertrouwen van banken in de eigen cliënten herstellen kan.

Bart Haers




[i] http://kwestievanverwondering.blogspot.be/2013/10/waarom-de-economie-niet-alles-verklaart.html

Reacties

Populaire berichten