Geen geloof meer dat bergen verzet?

Kleinbeeld

Drijvend optimisme vs
geloof in anderen
Morgen levend maken

Aan Rik Torfs

Boston College in Chesnut Hill? Ik kwam er nog niet,
maar zo een magistraal gebouw, het steekt wel af
tegen de soms naamloze gebouwen waar men onze
universiteiten wil onderbrengen en onderbracht. Ook een
universiteit verdraagt een stijl. 
De bedenking dat en herverdeling opdrijven - omdat het rechtvaardig zou wezen - en de nulgroei voor lief nemen - omdat we anders deze wereld naar de verdoemenis helpen - leidt tot somberen, aldus de rector van de KU Leuven (of is het K ULeuven?). Natuurlijk dient men te streven naar een rechtvaardige samenleving, maar als men de vertaling van het denken van John Rawls vergelijkt, namelijk die van mensen als Martha Nussbaum en die van Frank Vandenbroucke of Philippe Van Parys, dan merkt men al waar het verschil zou kunnen zitten. Nussbaum wil dat mensen zelf iets aan het lot, hun lot kunnen doen, terwijl Vandenbroucke en Van Parijs er veel voor over hebben de mensen in slaap te wiegen, ook wel moreel.

Ik kom dan natuurlijk aanzetten met de oude riedel: rechtvaardigheid is een kwaliteit van iets of iemand, een bestel, maar veronderstelt geen persoon, laat staan persoonlijk handelen. Kan het nuttig zijn ons af te vragen of het rechtvaardig is dat we zoeken naar de goedkoopste kinderkopjes om de oprit te verfraaien, dan komen er meteen vele andere vragen op ons af. Maar cynisch gewoon toch Indische kasseien laten aanvoeren, kan toch wat gemakkelijk uitpakken. Aan de andere kant zou het wel nuttig kunnen zijn dat men de lonen van de kinderen en vooral de ouders verhogen zal. Blijkt men bereid wat minder vrekkig te kijken naar het goedkoopste taartje of het goedkoopste topje, maar voor redelijke prijzen, waarvoor men in ruil kwaliteit krijgt, ook verbetering van de levenskwaliteit van die mensen dan krijgt men ook groei. De economische groei is vaak opgekrikt door de grote massa van goederen die we inkopen als burgers. Maar we hebben de notie kwaliteit als elitair afgedaan en niemand wil elitair zijn behalve snobs.

Toen ik die beelden zag van de Gay pride in Brussel, dacht ik dat de smakeloosheid wel erg ver gedreven kan worden. Mensen kijken weg, beste vrienden en vriendinnen. Uw manier van leven vindt niemand problematisch, maar het uitpakken met vulgariteit, daar hoeft men niet homofoob voor te zijn om het gewoon te negeren en af te wijzen. Natuurlijk is niet iedereen ervan gediend als twee heren elkaar teerhartig omhelzen op een bankje in het park, overigens blijken ook torenpoepers niet meteen het aankijken waard. Het gaat daar niet om, dat die heren elkaar kussen, maar dat dit in de publieke ruimte zou gebeuren. Aan de andere kant, men moet niet vergeten dat het veertig jaar geleden voor jongens en meisjes die elkaar op een bank in het station zonder schroom zoenden, niet enkel op een boete kwam komen te staan, soms werd er ook vervolging ingesteld voor openbare zedenschennis. Gelukkig werden de zeden losser, voor heterostelletjes. Zouden we dan andere maatstaven hanteren voor heren die elkaar kussen of dames die elkaar intiem omhelzen? Niet dus, maar als het ten titel van provocatie gebeurt, mag men reactie verwachten. Het is wat met die holebi's, hoort men dan, maar eerlijk gezegd, het treft dan vooral mensen die met hun seksuele geaardheid worstelen nog het meest. Discretie is echt geen deugd van deze tijd, blijkt. Wat ook opvalt, het gaat hier om het claimen van een recht, maar wat er verder in het leven is... Enerzijds kan men dat begrijpen, die drang een eigen bestaan op te eisen, want ooit was een zanger een held toen die zich outte als homo. Anderzijds valt op dat de seksuele geaardheid andere facetten van het bestaan overwoekert. 

Wat het een met het ander te maken heeft? Wel, het heeft te maken, denk ik met een benadering van de werkelijkheid vanuit onwrikbare ideeën, zonder zich aan de gevoeligheden en wensen van anderen te storen. Men mag homofobie betreuren, als een oud besje van 90 er problemen mee heeft zoiets op tv te zien, zal ze de volgende dag geen stel jongens tegen de grond kwakken. Men gebruikt de term fobie vooral te onpas om mensen te stigmatiseren, maar eist zelf het recht op zichzelf te wezen. Daar zit een onevenwicht dat niet te rechtvaardigen valt. Mogen ze dan niet uit de kast komen? Tuurlijk wel, maar exhibitionisme is misschien ook niet de aangewezen aanpak om mensen ervan te overtuigen dat het niets bijzonders zou zijn.

Een andere benadering kwam in beeld dankzij een documentaire op de Franse televisie over het rampzalige wedervaren van de IVde Republiek, de tijd tussen de oorlog en De Gaulle, 1946 - 1958 dus. De samenleving veranderde met rasse schreden, de welvaart nam toe, maar politici en intellectuelen hadden niet direct antwoorden, omdat de oude theoretische aannames niet deugden. Les Trentes Glorieuses, de weldadige periode na WO II zorgde in West-Europa voor een vooruitgang op alle vlakken, maar ook voor spanningen, omdat men er niet tijdig in slaagde wettelijke bepalingen aan nieuwe inzichten te verbinden. Vandaag zien we vaak iets analoogs, het beleid wordt nog steeds gevoerd met de parameters van gisteren en de nadelige neveneffecten van het beleid wil men niet onder ogen zien.

Een voorbeeld vormt de hedendaagse kunst, die naar mijn aanvoelen - meer is het ook niet - soms niet meer zoekt een kanttekening te maken bij het leven, het leven van anderen of het eigen leven. Vaak wil de kunstenaar kritiek leveren op iets wat voor burgers als u en ik niet echt van betekenis blijkt, maar over de belevenissen van Jef en Katootje gaat het zelden - dat hoeft ook niet per se, maar indien zij buiten beeld blijven dan wel laatdunkend te kijk gezet worden, dan ontstaat onbegrip. Soms lukt dat wel, krijgen we iets te zien dat ons raken kan, omdat er iets van onze leefwereld aan de orde komt. Maar doorgaans wordt dan de banaliteit van het dagelijkse te kijk gezet.

Natuurlijk moeten kunstenaars doen wat ze denken te moeten doen, maar als liefhebber, mag ik het ook nonsens vinden, toch, zonder dat men mij daarom zou afserveren als conservatief, reactionair. De wereld van de kunstkenners lijkt wel eens op de echte wereld, denkt een mens dan: de grootste schreeuwers halen hun gelijk, zeker als ze goed kunnen schreeuwen. Tegelijk zal ik niet zomaar meegaan met cultuurfilosofen die menen dat het klootjesvolk toch niet vatbaar is voor kunst. Mensen vallen te raken voor de uitdrukking van een doorleefd inzicht. Ook dit klinkt behoorlijk abstract, terwijl men daarmee wel kan aangeven dat kunst die als waarachtig wordt aangevoeld, wat de middelen ook zijn die de kunstenaar hanteert, ook voor de toeschouwer, voor een luisteraar of kijker een waardevolle ervaring kan blijken. Maar vaak zie je zo een kunstenmakers met een ongerechtvaardigde dédain naar zogenaamd gewone mensen kijken, want dat zijn we, op enkele uitzonderingen na, allemaal wel. Wie dan wel uitzonderlijk is?

Daar zit natuurlijk de hele knoop, want de media maken ze bij de vleet, de bijzondere luidjes die onze aandacht waard zouden zijn, maar als er dan een smetje op het blazoen komt, dan is het schandaal zo dat alle andere overwegingen op zij worden geschoven. Een acteur die met de plots verworven roem niet om kan gaan? Weg ermee. Alleen wie deugd, mag geëerd worden, maar ook op die regel bestaan er uitzonderingen. Wie er nog wijs uit wordt, mag het zeggen, maar in wezen gaat het om rimpelingen in de vijver. Het menselijke verslommert er ook bij.

De moeilijkheid blijkt vaak dat we niet geloven, vertrouwen dat de ander van goede wil is, iets betekenen kan. Men hoort van dag tot dag dat de beschaving een dun laagje vernis is en verwijst dan naar Kolyma, het Witte Zee-kanaal of de vernietigingskampen van de Nazi's of Pol Pot. Maar daar gaat het telkens om het ontnemen van menselijke waardigheid en is de ontmenselijking van de daders er niet minder om. Alleen voelen die zich superieur en gemachtigd te doen wat ze doen. Tegenover hun naasten blijken deze kampbeulen vaak zeer hoffelijk, menselijk, innemend, maar in hun functie handelen ze niet met mensen, dat vergeet men wel eens, wat het begrijpen van dat daderschap zeer moeilijk maakt, al moet gezegd dat we ons liever met de slachtoffers vereenzelvigen, zeggen we toch.

Herverdeling was en is een zaak van rechtvaardigheid, maar men gaat er daarbij vanuit dat de koek gelijk blijft, terwijl ze best wat groeien zou en tegen groei, economische groei kan men niet zo heel veel inbrengen, wel kan men van gedachten wisselen over de aard van de groei. Ooit was Vlaanderen een regio waar een chemicus een nieuwe stof maakte, bakeliet  of de fotografie vooruit hielp, Leo Baeckeland, Leon Beeckaert en Lieven Gevaert... het zijn de grote namen, maar tegelijk, denk ik, dat men niet blind kan zij voor al die ondernemers die gedurende honderd jaar en veel meer hun dromen najoegen, maar vooral goed werk wilden leveren. Dat facet van de samenleving, de (kleine) burgerij, waar zich overigens ook vaak arbeiders bij voegden, want als de man iets verdiende, wil hij wel eens meer en zijn vrouw wilde ook wel iets opzetten. Vele kleine winkeltjes zagen zo het licht, terwijl elders een fietsenwinkel werd gerund, samen met een herberg of een kleine wasserij.

Men werkte, geloofde in de mogelijkheden en vond er voldoening in. Waarom krijgen we dat zo zelden in beeld? Nu grote distributiebedrijven overal een vestiging neerpoten, waar brave mensen voor de droge voeding of het verse fruit zorgen, zien we dat die betrokkenheid veranderd is, ook ten aanzien van klanten. Overal sluiten winkels en maken we ons afhankelijk van de grillen van marketeers. Maar winkels sluiten, slagerijen, bakkerijen en andere kleine neringdoeners, omdat de regels en normen zo hoog opgevoerd worden, dat het alles smakeloos wordt. Verse salade kan zeer knasperend smaken, kraak en smaak dus, maar als je zo een berg kroppen salade in de bakken ziet liggen, dan heb je er al geen zin meer in. Zorgt Ikea voor groei? Ongetwijfeld wel, net als H&M en dergelijke, maar hoeveel handige jongens en meisjes zouden niet graag met naaien dan wel meubelmakerij hun leven willen vullen?

Welke kleine gedachte kan een heel leven vullen? Ik vond de gedachte bij Richard Powers en na het lezen van een stuk van Rik Torfs in DS (maandag 18 mei) merkte ik bij mezelf behalve instemming ook nog iets anders: waarom onderzoeken we niet waarom we zo gemakkelijk kiezen voor kwantiteit en kwaliteit even terzijde laten. We kijken neer, ik moet het ten overvloede herhalen, op ambachtelijkheid en kiezen voor de goedkope producten van Ikea, terwijl het termen van werkgelegenheid niet zo veel uit elkaar hoeft te lopen. Overigens is er met die wereld van Ikea nog iets anders aan de hand, namelijk dat spullen, meubelen en ander huisgerief nog nauwelijks waarde blijkt te hebben. Men kan daar licht overheen gaan, maar het betekent ook dat een mooie kast of een goede tafel in de inventaris niet zo heel veel meer kan betekenen. Daarover zou het ook kunnen gaan.

Maar er speelt nog iets bij mee: we geloven in de kracht van succesvolle mensen, maar negeren de taaie maar soms vreugdevolle inzet van gewoon volk. Zelfs aan de universiteit blijkt die distinctie veld te winnen: in plaats van ervoor te zorgen dat goede onderzoekers hun kansen krijgen, wil men kunnen uitpakken met fraaie exemplaren. Natuurlijk vergt onderzoek ook inzet en volhardendheid, maar ook inspiratie en enige lef. Alleen, zo blijkt, hebben we nog weinig vertrouwen in wat anderen doen en moeten we alles meten, want meten is weten. In de grootdistributie zien we de berg plastics niet die bij het aankopen van voeding en zelfs electronica tot ons komt. Alles heeft met hygiëne, met betrouwbaarheid te maken, maar dat mensen menen dat grootbedrijven in electronica constructiefouten inbouwen opdat men niet te lang met hetzelfde transistortje zou rondlopen, wat dus een uiting is van fundamenteel wantrouwen, van beide zijden, maakt dat het aanschaffen van dingen zelfs geen vreugde meer kan brengen. Ooit hoorde ik het verhaal van mijn vader dat hij zijn eerste auto kocht, een mini als ik het juist heb, waarna hij fier naar het ouderlijke erf reed om de auto te laten keuren door vader en broer. Later werd het kopen van een auto vooral een zaak van onderhandelen over de restwaarde...

Vertrouwen in mensen, daar schreven we al vaker over, maar waar het Rik Torfs om te doen was, lijkt te maken te hebben met geloven in de toekomst, omdat we zelf aan die toekomst het onze bijdragen kunnen.

Vele maatschappelijke debatten dezer dagen, denk ik, zien de menselijke factor en de menselijke bestaansvorm, het wezen van individuen dus, over het hoofd. Men zegt ons dat de apocalyps nadert, ofwel omdat er veel mis is met het klimaat, als gevolg van ons godvergeten verspillen van grondstoffen en het lozen van giftstoffen in de drie aggregatietoestanden die we doorgaans voor ogen hebben staan. Over plasma en glas, over quark-gluonplasme zullen we het nooit hebben. Maar natuurlijk heeft de demografie, de industriële ontwikkeling ertoe bijgedragen, maar ook werd al vroeg gewezen op de gevaren van de vervuiling voor het ecosysteem en ons eigen welzijn.

Zou het echt zo moeilijk wezen in anderen te geloven, al kennen we die niet persoonlijk? Tegelijk is het vertrouwenwekkend als we elkaar tegenkomen om van alles te ondernemen, waarbij het ook best kan dat we dit doen als werknemer, want ook die bogen graag op hun eigen inzet en kunnen. Het politieke en economische discours evenwel gaat uit van controle, van wantrouwen en een bedrijf kan algauw een kostenpost heten in plaats van een ruimte waarin van alles kan gebeuren. Maar goed, onze rationele benadering laat niet toe die andere aspecten te overzien of ernstig te nemen. Wat we dus vooral moeten betrachten is een beetje vertrouwen in onszelf en geloof in anderen. Daarom valt het me wel eens op dat mensen de vrijheid een illusie noemen. Wat is er met ons mensbeeld aan de hand?

Geloven dat er een en ander mogelijk is, dat we met zijn allen en elk afzonderlijk wel iets kunnen bereiken, blijkt dezer dagen niet rationeel onderbouwd te kunnen worden en toch doen mensen onder elkaar vaak dat, namelijk elkaar helpen bij het (ver-)bouwen van een huis of een onderneming opzetten. Zolang dat allemaal geen institutionele vorm aanneemt, heeft het weinig betekenis. Ook wat het samen denken en overdenken der dingen betreft, lijken we niet te geloven dat er een en ander mogelijk is. Nog eens, waarom laat het vigerende mensbeeld hier geen ruimte voor? Niet alles valt immers vast te nemen, te zien, want precies de abstracta, zoals rechtvaardigheid zijn constructies, waaraan men altijd nog inhoud en vorm moet geven, zoals met schoonheid ook het geval is.

Bart Haers




Reacties

Populaire berichten