Reflectie over een mei



Dezer Dagen


Arbeid, zinvol leven, geluk
de afhankelijkheid van mensen ?


Ettore Scola filmde met "Una giornata particulare" een mooi
beeld van het moderne leven, ook ondre de dictatuur van
Mussolini. Stedenbouw kan men prachtig vinden, al
te strikte sturing van planologen kan gevaren met zich brengen.
Men bijft Le Corubsier vereren en weigert te zien hoe
dicht die stond bij het Nazisme. Links zit hier met een
dilemma. 
De dag van den arbeid, een feestdag die handig gekoppeld werd aan de feestdag van een arbeidzame bijbelse figuur, Jozef, voedster-vader van Jezus, de Messias. Jozef was een timmerman, maar was hij daarom a priori arm? Of is het nog immer zo dat we leven in een samenleving waarin men of up ofwel down is, behoort tot een kleine elite of tot het grauw. De middengroepen, zelfstandig ondernemers, Belgian Dentists etc... zij doen er volgens goed geschoolde marxisten niet toe, zeker niet historisch. Maar ook voor de toekomst brengen ze weinig heil. Nochtans moet men opmerken dat werknemers vandaag meer dan ooit afhankelijk zijn van de goodwill van de aandeelhouders: willen die meerwaarde op hun aandelen dan kan men zonder de fabriek naar Vietnam verplaatsen, want veel werkzaamheden vergen niet per se meer dan spierkracht, denkt men. Er zijn immers ook bedrijven die terug gekeerd zijn naar hun oude vestiging, omdat het personeel meer engagement en motivatie in de weegschaal kon leggen.

Het probleem met het feest van de arbeid is dat partijen die altijd maar roepen, dat er meer jobs moeten komen, tegelijk de betekenis van werk   overtrokken voorstellen en wat men doen kan, onderschat. Peter Sloterdijk had het dan ook niet ten onrechte over prosumenten: we werken om te kunnen consumeren, maar zegde hij erbij, we halen uit geen van beide echt nog voldoende genoegen en arbeidsvreugde. Zelfs niet de professoren, die ook al onder curatele van managers staan, ten koste van de academische vrijheid.
De betekenis van de job in het eigen leven gaat stilaan verloren, ook al omdat verdienste van de ene ten koste gaat van onmiskenbare minachting voor anderen. Gezien  het feit dat men arbeid vooral als iets dat ziet om de dagelijkse boterham met beleg, zal men gemakkelijk uit het oog verliezen dat dagelijkse arbeid meer is dan een zaak van overleven, maar zelfs routinejobs, waar intellectuelen en ander schoon volk de neus voor ophalen, voor de betrokkenen wel degelijk zinvol kunnen zijn.

Louis Tobback, de burgervader van Leuven heeft als minister van Binnenlandse zaken en openbaar ambt op zeker ogenblik, bijna 20 jaar geleden betoogd dat ambtenaren met een lage scholingsgraad en dito ingeschaalde jobs, bodes, chauffeurs, classeerders enz. niet meer van node waren, want alles zit nu eenmaal op de computer, zegde hij toen, terwijl dossiers vaak nog vooral in papieren vorm bestonden. Maar op die manier heeft hij Jomme Dockx wel de wacht aangezet. Natuurlijk, vanuit bestuurkundig standpunt had hij wel een punt dat een aantal van die jobs zouden vermijden. Maar die Jomme, die wellicht voor de minister zou gestemd hebben, werd nu opzij geschoven.

In de industrie ging het anders, want daar was het probleem dat de brutoloonkost veel te hoog uitviel en nog steeds uitvalt en niet concurrentieel meer mag heten. Maar naast het overheidsbeslag via directe belastingen en sociale bijdragen, dat uiteraard de sociale welvaartstaat schraagde, heeft de overheid in de loop van jaren zoveel randvoorwaarden opgelegd, zijn er zoveel kansen verloren gegaan om de wet- en regelgeving te stroomlijnen dat ook middelgrote bedrijven een deel van hun productie, soms de productie helemaal delocaliseerden. Het verlies aan banen in de industrie afschuiven op de belastingen op arbeid, komt mij niet overtuigend voor: de arbeid werd ook uitgerangeerd omdat de overheid op zovele terreinen hoge eisen stelde, zoals inzake het beperken van de luchtvervuiling, bescherming van de oppervlaktewateren, beperking van het watergebruik, vereisten over inplanting - in industriële zones - en wat al niet meer.

Het punt is dat men niet tegen dat beleid gekant kan zijn, maar dat het wel voor gevolg heeft dat men arbeidsplaatsen vernietigd heeft. Maar dat lijkt men zelfs in vakbondskringen niet zo erg te vinden, omdat tja, die zware arbeid niet gezond is en dat machines het zware werk beter kunnen doen. Zeggen vakbondsverantwoordelijken maar ook experten inzake werkgelegenheid en zo meer dat men jobs wil, de arbeid zelf is hen onbekend. Meyrame Kitir van SP-a kan met recht zeggen dat ze op de werkvloer stond, dat ze mee werkte, mee auto's bouwde in Genk bij Fort. Haar getuigenis toen Ford besloot de vestiging in Genk op te doeken was opzienbarend omdat ze ook en vooral wees op de arbeidsvreugde van die mensen als ze een Ford zagen of als ze er weer eentje hadden mogen bouwen. Het parlement zegde geroerd te zijn, maar ik herinner me nog dat 's avonds in het journaal haar getuigenis als een tranentrekker werd gehanteerd, niet als een eerlijk en moedig getuigenis. Meryame Kitir kon evenwel niet op een aantal weeffouten in het beleid wijzen, dat Ford aanzette te kiezen voor Valencia in plaats van de oude plant in Genk, omdat die weeffouten voortkwamen uit ideologische opties. Of alle Fordmensen in Genk voor haar partij stemden?

Wie beleid ontwikkelt, zegt men, moet zien niet te ver voor de troepen uit te lopen. Maar vaak ontstaat beleid ver van het dagelijkse leven. Mensen als Susan Neiman blijken zich daar zeer van bewust en ook Richard Sennett bleek en blijkt vooral aandacht te vragen voor de werkende mens, arbeider of intellectueel. Maar Susan Neiman werd door Bas Heijne meligheid verweten, Sennett is voor een rechtgeaarde linkse rakker quantité négligeable, terwijl de man ernstig nadacht over wat het betekenen kan in een door planologen ontwikkeld stadsdeel te wonen.

Richard Sennett is er niet van overtuigd dat doorgedreven planning van de ruimte waarin we leven zo wenselijk is. Hij meent ook dat experten die alleen aan hun tafel nadenken over wat nodig is en nuttig en goed voor de mensen vaak geen idee meer heeft van hoe mensen, zeker in hooggeschoolde samenlevingen als de onze die inzichten percipiëren en vaak afwijzen. Ooit vertelde een werkman bij een vleesbedrijf me dat ze vaak werden aangesproken door de baas, de directeur en eigenaar van het bedrijf over hoe ze dachten over bepaalde veranderingen, die nodig zouden kunnen zijn. Nu is het bedrijf veel professioneler georganiseerd, maar de band tussen dat bedrijf en het dorp lijkt verloren te zijn gaan, toen de baas de zaak aan externe managers toevertrouwde. Het bedrijf boert nog steeds goed, is terecht naar andere producten gaan kijken, maar je merkt niet altijd meer dat dit bedrijf ook buiten de muren nog enige betekenis heeft.

Sennett is uiteraard ook de auteur van een essay over wat "ambacht" en ambachtelijkheid nu kunnen betekenen,  in hoogtechnologische tijden en dat blijkt heel wat te zijn. Kan bij werk, arbeid dat sterk gericht is op gestandaardiseerde producten noch nauwelijks van enige creativiteit gesproken op de werkvloer, dan blijkt uit gesprekken met mensen in Sidmar, dat de ingenieurs wel veel kunnen berekenen, maar als het erop aankomt in de gieterij bepaalde kleine afwijkingen op te lossen, de mannen aan de gietketels betere reacties in petto hebben dan zij onmiddellijk in gedachten hebben.

Men meent dat de arbeid herverdeeld moet worden, maar ik kan mij niet voorstellen dat al die parlementsleden en andere politici die dag na dag bezig zijn geloven dat men met zo een werkweek van 60 % en dito verloning echt veel plezier zal beleven aan het werk. Nog eens, het loon is belangrijk, maar er is veel meer aan de orde, dat door bijvoorbeeld vakbonden en opinieboeren aan de kant geschoven wordt. Neem nu zo een leraartje geschiedenis, die de leerlingen jaar na jaar probeert bij te brengen welke handvaten men nodig heeft om iets van de middeleeuwen te begrijpen. Dertig jaar geleden beschikte zo een leraar over behoorlijk wat vrijheid, wat sommigen ertoe bracht leerlingen de vele facetten van het vraagstuk onder ogen te brengen: wat betekende het mens te zijn rond 800, rond 1200 of rond 1400? Anderen banjerden door de leerstof heen en aan het eind kende men enkele data, maar begreep men niet zo heel veel van de omwentelingen die zich tussen zowat 500 en 1500 hebben voorgedaan en hoe dat volgens de ene weinig veranderde aan het dagelijkse leven van mensen dan wel net veel. Voor wie in de Nederlanden, rond Parijs, Lyon, in de Rijnvallei of de Po-Vlakte leefde waren de tijden roeriger maar ook welvarender dan in gebieden waar steden maar niet tot ontwikkeling kwamen. Maar toen de Republiek der Verenigde Provinciën tot bloei kwam, tijdens de 17de eeuw, was de instroom uit alle delen van Europa en vooral Scandinavië en het Balticum - waar de Nederlanden al langer handelscontacten hadden - niet min. Natuurlijk kwam de grootste stroom uit de zuidelijke Nederlanden, maar die kwamen vaak in de betere segmenten van de samenleving terecht.

Nu goed, het gaat niet op alleen maar het verleden in ogenschouw te nemen: wat verwachten we vandaag arbeid? Voor onszelf of voor anderen? Het is een onledig zijn en hier moeten we toch even te rade gaan bij de psychiater Theodore Dalrymple, die erop wijst dat veel van zijn patiënten in de gevangenis en daarbuiten wel degelijk weten dat hun leven een puinhoop is, dat ze niet geleerd hebben zich ten volle voor iets in te zetten en zich niet op enige manier nuttig weten te maken of nuttig onledig te wezen.

Toch zal men jobs eisen, jobs en nog eens jobs, terwijl men weet dat de overheid zelf maar een beperkt aantal jobs kan creëren, in functie van de noodwendigheden van de staat, maar sinds 1975 werd het goede praktijk mensen een jobke te geven in allerlei overheidsbedrijven en -organisaties. Soms pakte dat goed uit omdat de betrokkenen er inderdaad een start vonden voor een eigen loopbaan. Anderen bleven hangen en werden later door Tobback weer aan de kant geschoven. Jobs die meerwaarde creëren, jobs die passen binnen de arbeidsspecialisatie zullen wel degelijk voor de betrokkenen en voor de organisaties waar ze in werken betekenisvol blijken. Toch lijken intellectuelen geneigd vele van die jobs als onbelangrijk te beschouwen en dus ook de opleidingen die ertoe leiden. Vakscholen? Neen, niet iedereen hoeft Latijn of Grieks te studeren, maar goede vakmensen verwerven vaak ook snel een wijsheid die sprekers op deze 1 mei wel eens lijken te missen.

Want, we moeten toch terug naar het verleden om het vraagstuk beter te formuleren en af te handelen - als dat al mogelijk zou wezen - want toen in de negentiende eeuw de industriële revolutie doorbrak en in Vlaanderen, rond Gent de textielindustrie de oude huisnijverheid afbrak maar tegelijk zeer veel werk ging aanbieden, deed zich op het oog een proletarisering van de arbeid voor. Maar alleen al de demografische ontwikkeling laat zien dat het werkelijke proletariaat toen, maar ook nog later de mensen waren die niet als spinner, wever of anderszins in het productieproces betrokken was. Ook in de Waalse staalbekkens zag men dat de arbeiders vrij snel, naarmate hun kwalificaties in loon vertaald werden een beter leven kregen. Waarom leefden er dan in Gent, waar nu de universiteit haar faculteit toegepaste wetenschappen heeft, de Rozier, in een beluik zoveel mensen in de bitterste armoede? Ongetwijfeld woonden er ook werkmensen, maar men mag niet vergeten dat de nieuwe fabrieken in Gent voor een aanzuigeffect zorgden. Mensen die op het platteland niet meer konden overleven, trokken naar de stad. Tegelijk ziet men dat tegen 1870-1880 in dorpen als Waarschoot, Sleidinge en Zomergem fabrieken gebouwd werden, dat tegelijk ondersteunende bedrijven voor de bouw en het onderhoud van machines zorgden, dat winkels een uitgebreider klantenbestand vonden, aspecten die men wat graag uit het oog verliest. De accelerende werking van die bedrijven op het geheel van de economie zorgde voor een merkbaar beter leven voor den arbeider.  

Men heeft om redenen van mobilisatie van dien arbeider natuurlijk graag de patroons afgeschilderd als harteloze uitbuiters. Marx kon dat doen vanuit de idee dat een samenleving evolueert volgens een mechanisme van krachten en tegenkrachten en dat de vervreemding van de werkkracht de arbeider tot een speelbal maakte van de patroon. Maar die patroons waren niet zelden lid van een serviceclub, zoals de Genootschappen van Vincentius en Paulus of van de loge en daar maakte men zich wel degelijk zorgen over wat men toen noemde de zedelijke toestand van de arbeider. Echter, wie de werkzaamheid van mevrouw Alette Jacobs kent weet dat aan het einde van de negentiende eeuw de inzichten over demografie er aanleiding toe gaven dat vrouwen minder kinderen kregen. De kerk kon dan nog wel bepleiten dat men geen voorbehoedpraktijken mocht propageren of gebruiken, men ziet algauw dat vrouwen zelf, maar ook god de vader, de familievader begreep dat teveel kinderen voor hem ook niet goed waren. De theoretische benadering, die in de antimalthusiaanse bonden werden ontwikkeld en waarmee onder vele anderen Dokter Alette Jacobs in Amsterdam in haar praktijk vrouwen overtuigde tot verantwoord ouderschap, werd alras praktijk in de arbeidersgezinnen.

Het verhaal van de arbeid in onze contreien is ook enigszins besmet door zowel het calvinistische verhaal van een spaarzaamheidsethos en omgekeerd een stevige arbeidsethos, terwijl de kerk ook zegde dat arbeid een straf was die de mensheid over zichzelf had afgeroepen. In die zin zijn marxisten merkwaardig dicht bij de kerk gebleven.

Arbeid is inderdaad iets dat mens vermogen en waar ze graag mee bezig zijn, niet enkel voor het loon, maar ook om zichzelf een zin van leven te geven. Vakmanschap, zegde Jacques A.A. van Doorn, is voor arbeiders van groot belang: wie er niets van bakt kan onder ons niet zijn. De SPD had dit niet begrepen tijdens de jaren van de Republiek van Weimar, de SP-a blijkbaar evenmin. Arbeiderisme preken en een broertje dood hebben aan het werk van de arbeider, het klinkt niet altijd opwekkend en dat blijkt ook dezer dagen weer. De uitstoot van personeel door steeds verdergaande automatisatie en robotisering wordt door de overheden van de Oeso-landen altijd als een winst beschouwd, terwijl men tegelijk mensen kansen ontneemt om zinvol aan de slag te zijn.

Dat we nog veel arbeid, routineklussen aan machines over kunnen laten, laat zich raden, maar dat mensen graag wel eens een productief leven willen leiden, vergeten experten. Neem nu het verhaal van Le Corbusier, die volgens berichten een vriend zou zijn geweest van Speer, Hitler en co. Het was al langer bekend dat de man sympathie had gekoesterd voor...Vichy, de collaborerende bende die Frankrijk overleverde aan de Nazi's[i]. Zelf heb ik in die benadering van architectuur en stadsplanning nooit mijn gading gevonden. De Engelse tuinwijk, de villegiatuur vond ook toepassingen voor minder welvarende mensen, maar dat kon men maar matig waarderen. Een bezoek aan de stad Erfurt leerde me de tegenstelling zien tussen het langzame groeien van een stad, de oude stad en de "Plattenbau" op de grote singel, de Juri Gagarin Ring Strasse, waar onwezenlijk eenvormige woningen stonden over een paar kilometer, net als in sommige steden in het kapitalistische westen. Plattenbau en sociale woningbouw volgens strikte regels, zoals Richard Sennett in Chicago beleefde, lijken meer op elkaar dan men denkt. En Le Corbusier vereren, is dat niet een riskante bezigheid, want de man was dus goed bevriend met Adolf Hitler en co.

Arbeid is een vermogen waarover mensen beschikken, maar door dit vermogen slechts in systeemanalyses te verwerken, waarbij de mens, de arbeidzame mens buiten beeld valt, zorgt men ervoor dat mensen aan hun werk gaan lijden, in plaats van voldoening gevend leven te kunnen leiden. Neen, de dertigurige werkweek is niet zaligmakend. Aandacht hebben voor wat mensen kunnen en wat nodig is om zeer gespecialiseerde jobs, ook handenarbeid te kunnen voeren, zou de discussie meer vruchtbaar kunnen maken. Neen, arbeid is geen straf van god of van het kapitalisme, maar een gegevenheid, een talent van mensen, zoals u en ik. Men moet dus niet proberen, denk ik, nog meer menselijke inbreng uit te schakelen.

We hebben geen nood aan Ludieten die robots in de fabrieken uitschakelen, maar soms kan men beter vertrouwen op de gedreven inbreng van personeel dan van machines. Maar dat past niet ons in onze visie op economie. En ja, die economie als wetenschap is in handen van denkers en experten, zelden van doeners. Maar het economische leven, dat is wat wij doen met zijn allen, soms slim, soms sluw, soms bedachtzaam of lui, maar het is wel zo dat de economische reflectie niet boven goed en kwaad verheven is, zoals Tomas Sedlacek overtuigend betoogt. Arbeid moeten we dus opnieuw een plaats geven, zodat er ook weer ruimte is voor vreugde in de arbeid.

Bart Haers





[i] http://www.cicad.ch/fr/zurich-%C3%A9galement-le-corbusier-commence-%C3%A0-sentir-le-soufre.html. op radio 1 was er te horen, deze week dat le Corbusier er foute vrienden op na hield, maar de brave borst die Nieuwe Feiten presenteet, vond dat die kerk van Le Corbusier en al die andere bouwwerken toch zo prachtig zijn. Men kan ook deze architect niet schuldig door associatie schuldig verklaren, maar architectuur kan ook zeer totalitair blijken. De architectuur van de woonblokken in een "Giornata particolare" spreken boekdelen. Ook in Wenen zag men grootse bouwwerken verrijzen,  het KarMarx-Hof. En op een eiland Rügen liet Adolf Hitler voor zijn elite-arbeiders een vakantieverblijf bouwen, het langste gebouw gedurende lange tijd, Prora Rügen.  

Reacties

Populaire berichten