Wat is structureel beleid tegen armoede



Kritiek

Het parlement joelt en woelt
Het armoedebeleid

Tomas Garrigue Masaryk 1850 - 1935, was
zoon van een koetsier voor een adellijke familie
en zelf kon hij met de hulp van een pastoor
studeren. Waarvan we hem zouden
kunnen kennen? Hij was als president van
Tsjcoho-Slowakije de behoerder
van de republiek, maar wist dat
hij kon rekenen op zijn medeburgers.
Zowel Madeleine Allbright als
Vaclav Havel refereerden aan zijn
impsoante rol. Toch was hij
geen lid van oude adel of
frisse industriëlen, zoals Ludwig
Wittgenstein. Maar ja, een Working Class
Hero, dat staat zo goed. 
Het bestel dat na WO I en vooral na WO II snel uitgebouwd werd, waarbij mensen verzekerd werden tegen ziekte, tegen werkeloosheid en een pensioen waar ze goed van zouden kunnen leven, verdient het goed onderhouden te worden en betaalbaar te blijven. Het is een zegening van deze tijd waar we niet aan voorbij kunnen. Tegelijk blijkt men vooral de onvolkomenheid ervan in het vizier te nemen en wil men de armoede de wereld uit. De definitie van armoede blijkt daarbij een hefboom voor een permanente mobilisatie.

Niemand wil arm zijn, dat mag ook duidelijk zijn, maar redenen waarom mensen het niet breed hebben zijn doorgaans een mengeling van vele omstandigheden en altijd zal het ook wel om een heel specifiek verhaal gaan. De legioenen van de armoedebestrijders en -onderzoekers hebben de zekerheid dat ze altijd  15 % zullen vinden die het minst verdienen. Sommige zullen nog verder afzakken, anderen zullen met de hulp van naasten en door eigen inspanningen een beter leven realiseren. Maar ze zullen er ook veel zelf aan doen, soms vergeefs. Armoede heeft vele oorzaken, waarbij men wel eens graag de eigen verantwoordelijkheid veel nadruk meegeeft, maar vaak is er sprake van tja persoonlijke en algemene omstandigheden.

Bij de aanpak van armoede ontgaat het de armoedebestrijders wel eens dat armoede een abstractum is. Als ik mij Hannah Arendt voorstel in Parijs, in 1938-1939 dan denk ik zowel aan de strijdbare vrouw die met zionistische jongerenorganisaties werkt in Parijs en Palestina, met haar man droomt van en vooral werkt aan wat ze een betere wereld vinden. Maar in mei 1940 worden beiden, Joodse vluchtelingen voor de Nazi's opgepakt door de Franse overheid en hij komt in een kamp bij Parijs, zij wordt naar Gurs getransporteerd. De maanden van miserie, tot en met haar aankomst in New York, in het najaar van 1940 of begin 1941, met de hulp van Fransen, Spanjaarden en vooral een Amerikaans burger en een aantal diplomaten, helpen haar uit de klauwen van het monster te blijven, maar de ellende van deze vlucht en gevangenschap heeft haar meer getekend, denk ik dan, dan ze zelf wilde erkennen. Haar kritiek ten aanzien van de Nazi's en de communisten, het Stalinisme - haar eerste en haar tweede man waren meer dan zomaar fellow travellors - die ze samenvatte en onderzocht in " de oorsprong van het Totalitarisme" en waar ze niet een historisch onderzoek op tafel legde, maar een visie op wat totalitarisme kon zijn, probeert men dezer dagen vooral te zien als een soort dwaling van de politieke denker die ze wilde zijn. Via een onderzoek van het antisemitisme en het imperialisme komt ze bij het totalitarisme, dat universaliteit nastreeft en wereldheerschappij. Maar belangrijk is verder dat het een beweging is, eerder dan een regime, terwijl de idee van een hiërarchische samenleving zoals autoritaire regimes dat verwerkelijken aan een totalitaire beweging vreemd is. Want totalitaire bewegingen streven een totale overheersing na zonder grenzen.

Als het niet historisch mag heten, dan heeft Arendts onderzoek na de belevenissen van haar verbanning en vlucht naar de VSA het onmiskenbare voordeel een eigentijds fenomeen grondig onderzocht te hebben. In die zin komt ook de gedachte op de voorgrond dat de totalitaire beweging de vernietiging nastreeft van de werkelijkheid zoals die is en van de sociale structuren, instituties zoals de familie, de buurtschap, de staat...

Voor Arendt die later in haar leven zou zeggen dat ze niet zomaar loyaal kon zijn aan een natie, haar Natie, het Jodendom, of het Joods zijn, waren die instituties . In "de oorsprong van het totalitarisme" besteedt ze het eerste deel aan het antisemitisme en legt ze uit dat in de middeleeuwen Jodendom een misdaad was, die men kon bestraffen, maar dat aan het einde van de negentiende eeuw, als gevolg van de ontwikkeling van de Natiestaat en van de emancipatie van de Joodse bevolking binnen die natiestaten joodse mensen dwong tot excellentie en uitzonderlijkheid. Maar in de Natiestaat kon een jood zijn niet van een misdaad beschuldigd worden, maar werd het wel een ondeugd, die men moest wegwerken. Zo interpreteert zij ook de Affaire Dreyfuss, de kapitein die valselijk van verraad en spionage werd beschuldigd en door toedoen van intellectuelen als Emile Zola vrij gesproken werd, als een blijk van Franse voorlijkheid. Dertig jaar voor de Shoa een aanvang nam, voor de Nazi's de samenleving van parasieten wilde bevrijden, waren de Fransen al toe aan een eerste stap: Dreyfuss was een verrader, spion en onpatriottisch omdat hij joods was. De feiten hoefden dan niet geheel uitgezocht en argumenten à décharge hoefden niet aangedragen.

Het probleem is, denk ik, dat Arendt de wonde legt op aspecten van de moderniteit die we niet graag onder ogen nemen. Destructie van het bestaande? Het is een van de scherpste problemen van de moderniteit, omdat het modernisme de pretentie vooruit stelt van dominantie over de natuur, over de omstandigheden en over allen. Dat dit strijden kan men de principes van de Franse revolutie, lijkt men niet altijd goed onder ogen te zien, want vrijheid en dominantie strijden nu eenmaal, dacht ik.

Daarom blijft het van belang te begrijpen dat al voor de Franse Revolutie haar ontwikkelingen en verwikkelingen kende, er in de geesten, maar ook in de praktijk in andere delen van Europa elementen voor een burgerlijke en in het domein van de rechtsorde egalitaire samenleving in opbouw waren. De bourgeoisie in het Frankrijk van Voltaire en Diderot emancipeerde door eigen toedoen en mede dankzij beleid van Louis XV en merkte onder Louis XVI dat ze alweer het gelag voor wanbeleid vanwege de oude elites zou mogen betalen en vooral voor de unfaire belastingen die niet opgebracht werden door de oude en de nieuwere adel. Door het volk mee te slepen konden ze de oude elites opzij schuiven, maar door enkele scherpslijpers werd de bourgeoisie zelf het slachtoffer van de revolutie: meer dan de aristorcraten waren het bourgeois die onder de guillotine stierven. Het ging dan ook om de tegenstelling tussen enerzijds de Jacobijnen en Robespierre die op basis van de ideeën van Jean-Jacques Rousseau de heilsstaat wilde oprichten en alle bestaande sociale structuren vernietigen tegenover de Girondijnen die een sociale dynamiek wilden op gang brengen en vooral de rechten van bezitters en industriëlen wilden bevestigd zien. De Girondijnen zijn voor velen in de vergetelheid geraakt, omdat ze niet hard genoeg tegen de koning waren en al evenmin de samenleving grondig wilden hervormen.

Anno 2015 blijven er geesten geloven in het vernietigen van bestaande structuren en de rechtvaardigheid te doen zegevieren, maar het is een rechtvaardigheid die zich weinig aan de individuele omstandigheden van mensen wil gelegen laten. De rechtvaardigheid moet structureel zijn, ook al zou er geen draagvlak voor zijn. Want laten we wel wezen, geeft Venezuela niet op schrijnende wijze het beste argument om die benadering van mens en samenleving af te wijzen? Een zeer rijk land, maar afhankelijk van de revenuen van de petroleum, die nu al helemaal niet meer doorsijpelen tot bij de mensen in de straat. Alle basisbehoeften lijken verdwenen uit de winkelrekken en wie kon, heeft het familiale vermogen al lang naar veiliger oorden gebracht. Maar naar men mij zegde is ondernemen geen pretje.

Moet men dan aanvaarden dat er arme mensen zijn onder ons?  Zou men het een schrijnend probleem noemen, een blijk van fundamentele onrechtvaardigheid, dan bestaat het risico, valt te vrezen, dat het antwoord eenvoudig moet zijn, maar het probleem van armoede in de verschillende landen van Europa komt voort uit zowel de wijze waarop we een en ander organiseren en ook wel cultuurpsychologische evoluties. Men weigert te onderkennen dat Theodore Dalrymple in "Life a the bottom" precies hier veel aandacht voor heeft. Men verwijt aan de andere kant neoliberalen, een obediëntie waar Dalrymple zich niet toe zou bekennen, dat het van het marktdenken en het managementsdenken een systeem heeft gemaakt, wat klopt, maar wat in genen dele met het oude liberalisme van het laisser-passer veel uitstaans heeft, alleen al om die reden, dat de oude liberalen aan de natiestaat bouwende oog hadden voor maatschappelijke noden, dus ook voor mensen die in armoede leefden. Alleen vinden we vaak genoeg voorbeelden van inhalige bourgeois die hun werkvolk uitbuiten en de dienstmeisjes bezwangeren, waarna ze in armoede terecht zouden komen. Die verhalen waren er, maar het kwam ook voor dat zo een dienstmeisje effectief in haar dienst ook sociale opgang kon maken, een beter leven kon uitbouwen, gewoon omdat ze bijdehands genoeg waren. Vergeten we niet dat Tomas Masaryk, dr. Masaryk die van 1919 tot 1935 de eerste president was van het onafhankelijke Tsjecho-Slowakije, weliswaar niet uit een arbeidersgezin kwam - zoals Wikipedia weet te melden - maar uit een gezin van dienstboden in dienst van adelijke heren. Maar de jonge Masaryk lijkt wel wat op Abe Lincoln, de schrijnwerker die jurist werd. Alleen, zoals Wikipedia aangeeft, behoren tot een arbeidersgezin zou alles verklaren. Masaryk mocht studeren, trouwde met een Amerikaanse en gaf zijn lange leven geleidelijk zelf vorm. Was hij van oorsprong arm? Zijn vader was koetsier en bode voor een adellijke familie, maar was dat ook geen garantie op een stabiel leven? Zoals arbeiders in de grote industriegebieden in Europa ook geleidelijk de charme ontdekten van een weldadige stabiliteit.

Anno 2015 blijft men beweren dat men de strijd wil opnemen voor het proletariaat, maar de arbeiders van weleer zijn burgers of in het idioom van links kleinburgerlijke benepen figuren die wel voor het Vlaams Blok wilden stemmen. Er is armoede in de samenleving, maar armen hebben misschien nog het minst van al behoefte aan structurele maatregelen. Wat mag dat wel zijn, structurele maatregelen? Onteigening van vermogens ten behoeve van de armen, via de staat en aanverwante instellingen. Hoeveel zal dat manna de armen bereiken en zal hen dat in staat stellen een beter leven te leiden?

Een andere benadering kan erin bestaan, krijgt op het terrein vaak vorm door mensen de kans te geven met mensen in penibele omstandigheden aan de slag te gaan, financiële problemen structureel op te lossen door hen opnieuw tot enige zelfdiscipline te brengen. Marli Huijer heeft in haar essay "discipline in tijden van overvloed" niet per se de armen aangesproken, maar haar visie rond het organiseren van het eigen bestaan, het durven uitbesteden van bepaalde aangelegenheden en toch zelf mee de regie in eigen handen te houden, kan voor mensen in moeilijke omstandigheden persoonlijk zeer verreikend de kwaliteit van het bestaan verbeteren.

Alleen zal men dat ideologisch niet als structureel bestempelen, maar eerder praktisch en zonder gevolgen op langere termijn, waarbij men bewust het gegeven negeert dat dit voor de betrokken personen best verrijkend mag heten. Want vanuit zo een ideologische benadering heeft men geen zicht op de particuliere oorzaken van armoede, zowel in het geval van wat men dan mooi "generatiearmoede" noemt als van mensen die om allerlei redenen, gaande van echtscheiding tot ziekte en problematisch gedrag, omdat men de structuren voor ogen heeft staan en de blinde vlek negeert. Nochtans zijn er heel wat organisaties die door de overheid erkend werden en subsidies krijgen om net de weerbaarheid en de veerkracht van personen in benauwende omstandigheden bij te staan.

De aanleiding voor deze reflectie vormt het actualiteitendebat in het plenum van het Vlaams Parlement (13 mei 2015) over armoedebestrijding en het discours van SP-a en groen, maar ook de positie van mevrouw Fransen, van CD&V, die terecht wees op de ongewenste neveneffecten van beleid, zoals het feit dat er sprake is van een mattheuseffect, waardoor rijken meer krijgen en armen ontnomen wordt. Maar als het structurele maatregelen zijn...

Het punt waar we toch wel eens goed over moeten nadenken is hoe men mensen die het zwaar hebben en ook nog eens arm zijn met groot beleid kan helpen. De arbeiders van weleer zijn gelukkig goed afgekomen, maar er zijn er altijd die het niet breed hebben om allerlei redenen. Maar de pogingen van links om zich van de strijd tegen armoede te bedienen, terwijl anderen gewoon proberen er iets aan te doen. De arbeidersklasse is verkruimeld, zegt men mij, want men kan hen niet zomaar meer terug vinden in allerlei sociologisch onderzoek. De werknemers in de chemie zullen er ook een ander bestaan op na houden dan werknemers in een klein bedrijf, al kan hun arbeidsvreugde, van die werknemers in een klein atelier waar keukens op maat gemaakt worden, vreugde in de arbeid er best wel zijn.

Toen ik Herman De Leeck eens hoorde, door toedoen van Vlaanderen Morgen, merkte ik dat hij begreep dat armoede oplossen of de ultieme rechtvaardigheid realiseren botste op vele praktische bezwaren en hoewel hij in zijn analyses methodologische accuratesse van primordiaal belang achtte, begreep hij ook dat een breed uitgerold beleid noch zou verhinderen dat mensen ten onrechte gebruik zouden maken van de voorzieningen (het matthaeuseffect) en er dus beter van zouden worden, terwijl anderen, rechthebbenden, er net weinig van zouden profiteren. In discussies hierover vond onder meer wijlen Chris Vandenbroecke dat men het systeem wel eens zou kunnen overbelasten zonder de gewenste resultaten te zien.

De discussie in het Vlaams Parlement naar aanleiding van enkele maatregelen voorgesteld door mevrouw Homans, onder meer dus het verstrekken van 1 euromaaltijden en het organiseren van het ophalen van onverkocht gebleven verse groenten en andere bederfbare waren. Ook wilde de minster verder ertoe bijdragen dat jongeren die nu tussen de mazen van het vallen als het om sportbeoefening in clubs gaat of over culturele vorming of de jeugdbeweging, vanwege de bestaansonzekerheid van de ouders, vanwege gerelateerde problemen zoals een zwak zelfbeeld en kwetsbaarheid, wat ook als gevolg kan gelden. Men mag niet vergeten dat voorheen de lagere school diende als een filter om een aantal talentvolle jongeren - uit niet bevoorrechte klassen - vele kansen te geven, maar soms was de schoolmeester niet zacht voor wie achterbleef. Al kan dat verschillen van schoolmeester tot schoolmeester, waarbij ook de directie en de inspectie hun richtlijnen gaf.

Uit de inzichten van Herman Deleeck heeft men wel eens afgeleid dat men de democratisering van het onderwijs diende te bevorderen, maar of hij ook vond dat men de curricula daarvoor overhoop te gooien had, is mij niet duidelijk. Laten we dus maar vooral onthouden dat er mensen in bestaansonzekerheid leven, het lastig kunnen hebben om zelfs eenvoudige wensen uit te voeren en daarbij voortdurend door het publieke discours bevestigd worden in een passieve rol: het is onze schuld niet. Dat klopt, maar men kan mensen ook versterken door hun weerbaarheid en veerkracht aan te spreken. In of vanuit het parlement zal dat niet helpen, maar wel mag men van groen en rood verwachten, van links dat ze niet blijven menen dat de armoede het gevolg is van het kapitalistisch bestel of van een onvolkomen democratie. In hun benadering blijken deze volksvertegenwoordigers even stigmatiserend als de dames die 120 jaar aan weldadigheid deden, onder het hoge beschermheerschap van Leopold II.

Men heeft een wettelijk instrumentarium nodig, men heeft instellingen nodig om mensen die het moeilijk hebben in de mate van het mogelijke opnieuw vooruit te helpen of, indien dit apert onmogelijk is, een zo goed mogelijk bestaan toe te staan, maar dat zal men finaal in de directe leefomgeving organiseren, niet van bovenaf. Onderlinge solidariteit onder mensen mag men overigens niet ontkennen, want die bestaat wel degelijk, al blijkt het wel eens moeilijk, denk ik, daarop beroep te doen. Want het laatste puntje wat me opviel in het debat waren de emoties in het debat, niet ten aanzien van de mensen om wie het had moeten gaan, maar om het feit dat de andere, uiteraard dus de rechtse minister Homans, zo kil zou zijn. Net zij kon ondanks moeilijkheden in haar jeugd toch een mooi leven uitbouwen. Neen, we moeten als samenleving attent blijven voor mensen die veel ontberen en financieel niet rondkomen, ook al doen ze hun uiterste best, maar we moeten ook niet geloven dat dit alleen met bijstand kan, van overheidswege. Alleen, ons onderwijs heeft een bepaald weldadige emanciperende pedagogie achter zich gelaten en bovendien vindt men nog steeds dat bepaalde beroepen geen achting waard zijn.

Het blijft bedenkelijk dat partijen zich van sociaal beleid bedienen en mensen die het nodig hebben dat er vormen van ondersteuning zijn, als schild hanteren om hun tanende aantrekkingskracht te handhaven. Het gaat om mensen en soms moet men door moeilijkheden, soms gebeurt het dat allerlei instanties zonder omzien mensen verpletteren tussen de raderen, maar ook dat komt niet aan bod. Het is niet omdat de wetgeving er niet is, maar omdat de instanties die het kunnen, vaak niet goed weten hoe ze mensen opnieuw op weg kunnen helpen. Kinderbijslag, sociale tariefiëring van diensten, van musea ... soms kan het zeer nuttig wezen, maar zoals de goedkope tickets voor musea wel eens laten zien, mensen komen er niet zo gauw. Het matthaeuseffect blijft een gevaarlijke klip die men doorgaans niet ziet, waardoor geld wegstroomt dat beter aangewend had kunnen worden. Tegelijk kan het legistieke acrobatenwerk de goede werking van nuttige instellingen in het gedrang brengen. Want wetgeving verdraagt niet teveel uitzonderingen en specificiteit, zonder dat het een hoop administratieve overlast bezorgt. Maar dat lijkt de fractie van John Crombez niet te deren.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten