De mobiliserende opdracht van leraren m/v



Dezer Dagen


Begeesterende leraren m/v
Meer dan een job, een roeping tot ontvoogding

In Nachttrein naar Lissabon laat
Pascal Mercier een leraar
Grieks als hoofdfiguur optreden.
Zelfs de leraar in kwestie, Gregorius
Mundus is niet overtuigd van de
waardering, van zijn leerlingen,
tot die toch tot uiting komt.
Hoe krijgt men iets onder de knie? Door het op te zoeken en er iets over te vertellen, menen moderne pedagogen. Maar er is basiskennis die men er echt maar beter kan instampen, zoals rekenen, tafels van vermenigvuldiging, stellingen en bewijzen. Maar ook kan het geen kwaad teksten te memoriseren en in staat te zijn die zomaar voor de vuist weg te declameren. Dat proces verloor al rond 1975 alle betekenis. Maar stamtijden van werkwoorden, verbuigingen van woorden, de syntaxis van zinnen, het slijt er allemaal zoveel dieper in als we het echt goed uit het hoofd leren, vanbuiten leren. Maar er is nog iets dat daarmee samenhangt: je kan leerlingen succeservaringen meegeven... of ze kunnen het laten versjteren. En dat toch is dat niet de belangrijkste opdracht, zegt men. Of men kan zeggen dat men zo pas leert te leren en misschien ook wel een beetje leert te leven.

Men beweert wel eens dat tijdens het Ancien Régime adellijke heren en dames hun dagen grotendeels in ledigheid doorbrachten en van arren moede cynische spelletjes gingen spelen. Maar als men kijkt naar de kringen waar Goethe, waar Voltaire zich in bewogen, dan zou men tot een ander inzicht kunnen komen: vele edelen hielden zich inderdaad bezig met hun landerijen of zetten soms zelfs een manufactuur op. De voorstelling als zouden ze vegeteren op de arbeid van hun pachters, mag dan als een onweerlegbaar kenmerk van de aristocratie tijdens het Ancien Régime gelden, de werkelijkheid laat zien dat mensen zich zowel met praktische zaken inlieten als het aanleggen van betere wegen, het organiseren van universiteiten en andere scholen, botanica en nog zo wat vormen van nuttig tijdverdrijf meer. Het is in deze zin dat Jan Caeyers betoogde dat ten tijde van Ludwig von Beethoven de componist en uitvoerder kon zeggen dat hij respons kreeg en opdrachten van de hogere adel, maar later ook van gezeten burgers, die de oude aristocratie zouden hebben geïmiteerd; stonden ze niet gewoon voor dezelfde vraag: hoe gaan we onze dagen vullen, niet enkel in zalig nietsdoen, maar ook door iets nuttigs te doen of de kunsten te bevorderen?

Het is de grote vraag die zich vandaag ook stelt voor iedereen: hoe brengen we onze dagen door en wat doen we? Alle aandacht gaat naar de vraag hoeveel mensen werken en er hun boterham verdienen met betaalde arbeid. Heel zelden vraagt men zich af of zo een goede ambachtsman niet ook een grote bijdrage kan leveren, want alleen innovatieve bedrijven zijn de toekomst, terwijl dat wel het feit negeert dat een samenleving op meerdere niveaus functioneert en dat arbeid zinvol is, ongeacht het feit of men in ultramoderne fabrieken werkt of niet. Overigens, net in de steeds meer geautomatiseerde productieprocessen verdwijnt de arbeid. Daarmee laat men ook mensen in de kou staan. Het zijn hier niet alleen de investeerders die hier alleen verantwoordelijk voor tekenen.

Wat opvalt is dat men studeren dezer dagen vooral als een voorspelbaar proces bekijkt, terwijl men lang niet altijd weet hoe mensen op open vragen, waar geaccumuleerde kennis samen gebracht moet worden, zullen antwoorden. Op vragen met een precies en eenduidig antwoord krijgt men overigens ook wel eens onverwachte antwoorden, afhankelijk van de domeinen die zo een vraag triggeren kan. Bekijken we de zaak nuchter, dan weten dat een onderwijzer en een leraar in het S.O. zowel de ene soort vragen, de eenduidige en precieze vragen als de tweede moet stellen, de open vragen waar het antwoord in wezen een onderzoek behelst naar wat men kent, maar niet hapklaar aangereikt heeft gekregen. Men begrijpe dit zoals het is: een tekstboek, een cursus geeft informatie, maar vragen kunnen peilen naar verschillende onderdelen van de curus, zonder dat de leraar dat voor de klas ook nog eens expliciet heeft gesteld. Men vertelt me wel eens dat scholen schrik hebben van zo een vage benadering, omdat er dan achteraf allerlei discussies kunnen volgen, om nog te zwijgen van een rechtsgang. Werkelijk, wie dit ernstig neemt, dat kinderen alleen vragen kunnen, mogen krijgen, die al in de klas besproken zijn, verliest juist de verwerkingsarbeid die het studeren behelst.

Natuurlijk kan men woordjes, Latijnse, Franse, Duitse of zelfs Griekse woordjes erin drammen. Ook stamtijden kan men goed van buiten blokken, maar als men in een zin dan zoals iets leest als "Qu'ils acquièrent", dan volstaat het niet het woord te vinden, maar ook nog eens de vorm en verder de constructie waarin men het aantreft. Goede boeken lezen helpt, maar ook luisteren naar de Franse radio en televisie en hopelijk echte gesprekken kunnen voeren. Maar goed, men kan niet aan leerlingen een examen aanbieden en vervolgens de indruk wekken dat hun kennis toereikend is, als ze niet blijk moeten geven zelf met de leerstof iets aan te kunnen.  

Het komt er dus op aan dat men het studeren zelf niet als een zinvolle activiteit wenst voor te stellen, maar zelfs examens kunnen voor een leerling, een student best stimulerend uitpakken, want het is een feit dat een goed examen afleggen prettig aanvoelt, het geeft een vreugde in de arbeid, beroepstrots.   Maar het leidt verder tot een autonoom denken, een vertrouwen ook in dat denken, waarbij de aangedragen kennis door de leerling/student verwerkt wordt. Het examen geeft dan de proeve van die autonomie. Men kan het ook een enigszins idealistische benadering vinden, maar het is toch wat ik heb overgehouden van de collegejaren en de universiteit. Opvallend is dat men nu verdienste niet meer koppelt aan autonoom verworven inzichten, maar eerder aan het verder volgen van wat de leraar, docent in cursussen aan heeft gedragen. Bovendien blijkt men het docenten zwaar aan te rekenen als ze vooral peilen naar die verwerkingsarbeid.

Wat is dan de rol van de leraar? Het betreft in elk geval meer dan die van coach, al kan men vaststellen dat een goede coach ook heel erg betrokken is bij de pupil. Maar toch, sport doe je uit vrije wil, maar in onze contreien merk je niet zo gauw dat leerlingen uit vrije wil school lopen en ook studeren lijkt zo maatschappelijk verplicht, dat ook daar het gevoel van persoonlijke inzet bij de student in de discussies over onderwijsbeleid niet aan de orde komt. Dus moet ook de leraar m/v de moeite aan de dag leggen leerlingen mee te nemen in een verhaal. Voor een vak als Frans kan dat aardig tegenvallen, al zijn er natuurlijk wel teksten die een leerling warm vanbinnen kunnen maken. Toch zien we dat het opzet dat leerlingen na zes jaar middelbaar zelfstandig een verhandeling kunnen schrijven of een spreekbeurt geven, laat staan een redevoering houden, achterwege is gelaten. Ook voor andere moderne talen liet men de intense taalverwerving achterwege. Declameren, zelf rijmen en dichten in andere talen, men komt er niet meer toe, een rede houden, het was nog maar een paar generaties geleden deel van de opleiding op colleges.

Begeesterende leraren, die een vak als geschiedenis zo weten te adstrueren dat ze er stevig tegenaan konden gaan, dat blijft voor de leraren zelf altijd wel iets moeilijk. Ik denk aan de protagonist uit "Nachttrein naar Lissabon", Gregorius Mundus als leraar niet besefte dat zijn leerlingen hem wel naar waarde schatten, terwijl hij van zichzelf denkt dat hij zo regelmatig is als een Zwitsers uurwerk. Het gaat om lange periode van samenwerking, een, soms meerdere schooljaren en dan komt de leerling wel iets te weten over de leerkracht en ontstaat er soms een vorm van overeenstemming. Aan het einde van de rit zal de leraar merken hoe de leerling die eerst niet zo heel veel niet lijkt te weten door het onderwijs zich zaken eigen maakt, die hij of zij anders nooit had kunnen verwerven. Daarom denk ik dat men het ambt van leraar zelf opnieuw weer autonoom maken moet en tegelijk ook het prestige en de autoriteit meegeven die hij of zij verdient.

Afsluitend denk ik dat men de administratieve lasten, zeker als het over de beoordeling van leerlingen gaat, opnieuw moet reduceren: het wantrouwen over de correctheid van de beoordelingen ondergraaft volkomen de bekwaamheid en autoriteit van de leraar m/v. Erger nog, de leerling mag de lesgever verwijten maken over zowel het feit dat de lessen te moeilijk zijn dan wel onvoldoende gestoffeerd. Ouders kunnen hun kinderen zonder meer laten weten dat die leraar Nederlands een nitwit is, zich niet afvragende waarop het vernietigende oordeel berusten zou en waarom zij - de ouders -, meer nog, zo weinig respect voor anderen en dan nog precies voor belangrijke figuren in het leven van hun kinderen aan de dag leggen. Het mag duidelijk zijn, er zit veel ruis op het debat over het onderwijsgebeuren, maar enkele basisinzichten lijken al helemaal taboe geworden, want over respect voor leerlingen, van leerlingen voor docenten, daar wordt niet aan gedaan; oh ja, respect voor leerlingen betekent vooral dat men hen niet zou onderschatten.

Daarom is het van belang te begrijpen dat zo een begeesterende leerkracht leerling autonoom denken bijbrengt, waarbij dat ook betekent dat men kritisch, onderzoekend naar de dingen kijkt. Voor het ASO schiet nu al niet over op dat leerlingen leren dat een encyclopedie zomaar onbetwistbaar juist zou zijn of dat een journalist onweerlegbaar de waarheid vertelt. Wat kan men doen met die kennis, dat inzicht? Niet per se de wereld veranderen, maar eventueel wel eigen bijdragen leveren. Dat dit in principe ook geldt voor leerlingen in het TSO en BSO, neemt niet weg dat men daar dus vooral een technische vaardigheid bijbrengt: hoe realiseren we een opdracht. Ook daar komt kritische, autokritische zin bij kijken. Maar het zijn wel voorwaarden om sociale mobiliteit opnieuw mogelijk te maken en de ontvoogdende werking van het onderwijs te versterken.

Bart Haers


   




Reacties

Populaire berichten