La Belgique als kader


Kleinbeeld


Geen nationale feestdag zonder
Versmachte gevoelens


Prins Boudewijn, neef van Leopold II,
broer van Albert I, 1869 - 1891. Hij
zou op vraag van Leopold II naar Brugge
gegaan zijn om de relatie met de Vlaamse
burgerij in Brugge te herstellen. Boudewijn
zou behoorlijk Nederlands gesproken
hebben. Ook Albert hechtte belang
aan het Nederlands...
21 juli? De Belgische Nationale feestdag, waar men de afgelopen jaren ter linker zijde graag veel fus maakt, omdat men zich niet wil aansluiten bij een Vlaamse identiteit en zelfbewustzijn, binnen een Europees kader. Toen de puinhopen van Paars duidelijk werden en toen men er niet omheen kon dat de samenhang van de politieke wil iets van dit land te maken telkens weer uitliep op zeer scherpe disputen over wat nu het beste zou wezen, op het vlak van overheidsoptreden. Natuurlijk was er al langer een Europees kader, waar we liever niet aan denken op 11 juli, 14 juli en 21 juli, terwijl 9 mei nog altijd niet in het collectieve beleven is doorgedrongen. 9 mei is de dag van Europa, maar we hebben er geen vlag voor, tenzij aan de openbare gebouwen, geen hymne, maar dat is toch de koorzang "Aller Menschen werden Brüder" naar van Beethoven? Bij de opwinding rond het ontwerp van Europese constitutie hebben onder meer de Nederlandse kiezers die symbolen afgewezen. Maar zij hebben het Wilhelmus, Oranje, blanje bleu en zoveel andere symbolen om hun identiteit aan op te hangen. Wij in België? Weinig om trots op te wezen... zegt men, tenzij het surrealisme.

Leopold I kwam in België omdat men liever geen republiek wilde en hij kreeg een belangrijke opdracht dit land dat doorheen de eeuwen niet echt verenigd was geraakt - het Prins-bisdom Luik hoorde niet bij de Oostenrijkse Nederlanden aka Les Etats Belgiques réunis in 1990, zodat wat na 1815 tot stand kwam voor iedereen in de beleving nieuw was. De scheiding van 1830 was dan ook een amputatie, maar goed, gedane zaken nemen geen keer en ook de Nederlanders vonden het niet altijd goed samenwonen met de Belgen. Els Witte heeft een mooi boek geschreven over het orangisme in België, Het verloren Koninkrijk¸waarin zij uitlegt hoe na de Belgische revolutie - die op stel en sprong tot stand kwam en tot een resultaat leidde - een beweging bleef nagloeien, het orangisme dat de band met Nederland niet had willen verbreken.

Gedane zaken namen geen keer en dus diende men... de politiek van Willem I verder te zetten, want het mag duidelijk zijn dat de Restauratie, de periode die men naar believen - op grond van historische argumenten - kan laten eindigen in 1830 maar zeker tot 1848 duurde de opzet was van de leidende elites in Europa, de verwezenlijkingen van de revolutie terug te draaien, maar dat lukt domweg niet. De Restauratie is daarom wel een interessante poging oud en nieuw te verbinden, maar de motoren van verandering, zowel technisch, economisch als ideëel en zelfs de beeldcultuur nam nieuwe vormen aan. In die constellatie ontstond België, maar ook, de mensen die er leefden zochten en vonden nieuwe economische wegen. Men kan de voedselcrisis van 1845 -1848 met de mislukte aardappeloogst niet negeren, maar tegelijk merkt men dat er heel wat andere evoluties aan de orde waren, zoals de industriële ontwikkeling van Gent, naast de snelle opbouw van de Waalse kolen- en staalindustrie, maar ook de gevolgen van de demografische boom in Vlaanderen, waardoor er op het platteland veel mensen waren die niet meer konden bijdragen aan de landbouwproductie terwijl ook de huisnijverheid naar de verdoemenis was gegaan. Echter, na de crisis van 1845 -1848 zien we dat het land - tot 1913 - een economische en maatschappelijke revolutie doormaakte, die niet alleen in termen van exploitatie van de arbeid kan bekeken worden.

Over de spoorwegen weten we dat de eerste spoorlijn op het continent werd aangelegd tussen Brussel en Mechelen, maar rond 1870 kan men niet zomaar zeggen hoeveel km spoorlijn er lag, maar indrukwekkend was het wel en de spoorlijnen veranderden meer dan we ons vandaag kunnen inbeelden de organisatie en de ruimtelijke structuur van de steden en ontsloten nog verder dan het al geval was het platteland. In Antwerpen betekende de bouw van het kopstation de ontwikkeling van een geheel nieuwe wijk, terwijl in Gent en Brugge de spoorstations eerst nog relatief dicht bij de stedelijke centra lagen - maar zowel het Zuid in Gent als de Vrijdagmarkt in Brugge - een deel van het Zand - zorgden er nu net voor dat er nieuwe wijken ontstonden. Om het spoorverkeer tussen Oostende en Brussel te versnellen, werd vervolgens besloten een doorgangsstation te bouwen op de huidige locatie, waar vooral Sint-Michiels maar vooral een deel van Sint-Andries dichter bij de stad deed aansluiten. Die evoluties hadden niet op een dag plaats, maar tijdens de IJzeren Eeuw, de negentiende dus - naar een programma met Hans Goedkoop op de Nederlandse televisie - had die mobiele revolutie vele facetten en de ene evolutie greep in op de andere.

Men kan de IJzeren eeuw in België nog altijd niet onder ogen zien, want, zegt men, het gaat om de sociale strijd, culminerend in de algemene stakingen om algemeen stemrecht, vanaf 1886 tot 1913. Die stakingen die de democratie sterk uitbreidden, want aan het eind van de periode konden alle mannen stemmen, maar de verkiesbaarheid was nog wel gelimiteerd - voor de senaat. Deze strijd is belangrijk, maar vertelt niet het hele verhaal. Men houdt eraan de evolutie tijdens de 19de eeuw in Marxistische sjablonen te gieten, waarbij de uitbuiting centraal staat en de strijd van den arbeider de rest gewoon in de schaduw duwt. Maar zonder industrie, zonder ondernemers en kapitalisten geen arbeiders.  De eisen van de arbeiders, zoals ook in de film over Daens te zien waren en zijn, waren gefundeerd, maar men merkt dat het miserabilisme een te eenzijdig portret schetst. Waren een aantal van die bedrijven en conglomeraten in het Luikse, Charleroi en het Gentse groot en stelden ze onvoorstelbaar veel mensen tewerk, dan was het niet zo dat dit alles hen alleen maar tot masse uniforme massa zonder individuele specificaties, een proletariaat reduceerde. Een fabriek is een organisatie waar inderdaad veel routinewerk geleverd moet worden, maar tegelijk vergen bijvoorbeeld het gieten van het staal of het afwerken van weefsels vaak nog specifieke vaardigheid die meer op het werk van een manufactuur lijkt dan op die van een volkomen getayloriseerde routine, want de menselijke inbreng was groter dan men vandaag aanneemt. Het is Jacques van Doorn die mij dat nog eens inpeperde, als hij het falen van de SPD in Duitsland uittekende, maar ook Guy van Schoenbeek wees er in zijn boek over het socialisme in Gent op dat er tussen de ene groep arbeiders en de andere grote verschillen voordeden, ook in termen van armoede.

De meeste historische syntheses lijken zich tevreden te stellen met een vrij algemeen kader, waardoor bijvoorbeeld het belang van vakkennis bij de machinebouw, de drukkers en andere industrieën volkomen over het hoofd gezien wordt. Er waren proletariërs, zoals ook Cyriel Buysse het schilderde in "het recht van de sterkste" en ook bij "het gezin van Paemel", maar het proletariaat, dat samenhokte in beluiken, waren vaak precies de dropouts die niet in de fabrieken van Lousberghs of de Hemptinne terecht konden. Uiteraard ziet men doorheen de negentiende momenten voorkomen, waar situaties voorkomen waar onevenwicht tussen prijzen en productie uit balans geraken, waardoor er fabrieksluitingen van doen zijn, wat men dus economische crises noemt. Maar daarnaast groeide de economie snel en nam de levensverwachting hand over hand toe. Wie kan Lieven Bauwens bij dat alles over het hoofd zien, de man die het continentaal stelsel verschalkte en zo mee de Gentse industrie een begin van machinale drijfkracht gaf?

Zou het dan echt niet mogelijk wezen de baten van de industriële revolutie in België, Nederland en Duitsland onder ogen te zien? De sociale strijd? Juist, maar zowel in Nederland, België als in Duitsland ziet men dat de partijen die zich die strijd aantrekken zeer bedreven zijn in de propaganda, maar waar de Duitse SPD sterk ideologisch gekleurd is en veel energie steekt in theorievorming, zal de Gentse variant er minder een zijn van intellectuelen maar van de arbeiders zelf - al verandert de schijnbaar eeuwige strijd tegen de katholieke politieke krachten  dit op nationaal vlak, omdat eerder sociaal en progressief bewogen liberalen de partij, de POB/BWP waarbij dus niet socialisme de hoofdtoon vormt maar het feit dat het om de arbeiders gaat centraal staat, gaan steunen. Dan neemt het intellectuele gewicht wel toe, maar komt er ook wel ruimte voor vervreemding tussen beweging, partij en arbeiders. Tegelijk zien we aan katholieke zijde naast het gekende duel tussen Charles Woeste en Adolf Daens ook figuren opduiken als de rode baron Arthur Verhaegen, naast de grondleggers van Beweging.net, het ACW en de spaarkassen, mutualiteiten die van onderuit ontstonden en in die zin gesteund werden door sommige kerkelijke leiders, omdat ze de rooie rakkers concurrentie deden, met dezelfde wapens.

De sociale strijd mag dus niet doen vergeten dat er in dit land tussen 1815 en 1914 een groot industrieel vermogen werd opgebouwd, waarbij ook "het volk" niet enkel arbeid geleverd heeft, maar er ook vruchten van heeft geplukt. Het is een gedachte die velen graag als onzin zullen afdoen, niet begrijpende wat een geregeld inkomen voor mensen betekent. Armoede was er ongetwijfeld, maar men doet onze voorzaten geen eer aan, als men hen voortdurend in een slachtofferrol meent te mogen duwen. Sommigen gingen werken "op den traveau" zoals Buysse het noemde, maar leerden wat er mogelijk was en begonnen een winkeltje en bouwden door spaarzaam te leven een beter bestaan op. Men weet dat in de late negentiende en twintigste eeuw bewegingen voor geheelonthouding opdoken, ook bij ons en dat de overheid niet enkel absynthe ging verbieden, maar ook sterke drank aan banden legde. Tot een drooglegging is het niet gekomen, maar dat elke werkman dronk, zal men toch eens moeten bewijzen. Dat is onmogelijk, maar toch, dat men hen als onbekwaam afschildert het leven zelf enigszins in handen te nemen, blijft een bizarre voorstelling van zaken.

Naast de sociale strijd, die met goed gevolg is gestreden en een democratisering van de samenleving versterkt heeft, was er ook die strijd voor het Nederlands in de instituties van het land, maar belangrijker nog, voor de vernederlandsing van de samenleving. Uiteraard ging de Vlaamse beweging over een billijk aandeel in de regering van het land, maar evenzeer over de achting voor het Nederlands in de samenleving en voor het gebruik in bestuurszaken, in het onderwijs en het recht. Vergeten we niet dat men lange tijd de illusie kon koesteren dat mensen vanzelf voor het Frans zouden kiezen omdat het de taal was van de macht, van de hoge cultuur en met prestige omkleed was. Die evolutie was niet typisch Belgisch, want al in de achttiende eeuw was het Frans in vele hoeken van Europa de cultuurtaal geworden, waarbij opvalt dat Fritz, Frederik II de Grote wel degelijk ook probeerde het Frans te hanteren, terwijl Napoleon er nooit echt in geslaagd is zijn Corsicaanse idioom te doen vergeten. Men zal begrijpen dat het prestige van het Frans in de negentiende eeuw ook bijvoorbeeld in Nederland van betekenis was, al zal reeds Willem I aandacht besteden aan de volkstaal en zal het hof in den Haag aan het einde van de eeuw al veel meer aandacht besteden aan het spreken van de volkstaal. Echter, men vergeet dat Leopold II best begreep dat een groot deel van zijn onderdanen Nederlands sprak, enfin, een of ander Vlaams dialect en dat de vorming van een standaardtaal bevorderd werd door de oprichting van een Koninklijke Academie, in 1886, toen de Koninklijke Vlaamse Academie voor Nederlandse Taal en Letterkunde, bij koninklijk besluit. Zou Leopold II dit ondertekend hebben als hij er veel op tegen had?

Het was ook de tijd dat men naarstig verder werkte aan de oprichting van standbeelden in onze dorpen en vooral steden, waar iconische figuren uit de Nationale geschiedenis werden gepresenteerd als te overdenken en na te figuren, zoals Jacob van Artevelde, Jan Breydel en Pieter de Coninck, Ambiorix en Simon Stevin. Steden en dorpen droegen bij om de jonge staat iconografisch te presenteren. De inhuldiging in Brugge vond plaats in aanwezigheid van Leopold II, maar het viel in slechte aarde dat de Vlaamse burgers in Brugge geen toegang kregen bij de officiële inhuldiging en bijgevolg stuurde Leopold II dan maar zijn neef en aangewezen opvolger, Boudewijn, naar Brugge om in augustus van hetzelfde jaar de feestelijkheden met de Vlaamse burgers in Brugge, de middenklasse dus, de nodige luister bij te zetten[i]. Men ook verwijzen naar Peter Benoît die er veel voor over had zijn nieuw opgerichte conservatorium de titel Koninklijk Vlaams conservatorium mee te geven en ook hier gaf Leopold II steun aan.

De taalstrijd is na WO I zeer anti-Belgisch geworden, zodat we er moeite mee hebben te begrijpen dat de ontwikkeling van een Belgisch patriottisch discours in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de iconografie van de Vlaamse beweging. Hendrik leerde het Vlaamse volk lezen? Tja, hij was van oorsprong Franstalige, maar zou met de Leeuw van Vlaanderen vooral aan een Belgisch Nationalisme een impuls geven, zoals hij ook met zijn roman over de boerenkrijg het nodige bijdroeg. De boerenkrijg was overigens ook niet uniek, want ook elders in Europa ontstond er opstand tegen de conscriptie - voor de grote legers van Napoleon - en de laïcisering van de samenleving, al sloot Napoleon al in 1801 een herstel van de kerk, onder Gallicaanse patronage niet uit en dat liep uit op een concordaat. Maar daarom kan men het werk van Conscience ook best zien binnen een Europese evolutie, waar men romans schreef om het grote verleden in het licht te stellen. Sir Walter Scott deed dit voor ... de Schotten, of beter voor Groot-Brittannië, maar ook in Duitsland zag men die evolutie. Wel moet opgemerkt worden dat naar verloop van tijd het nationalistische discours verhevigde en dat gebeurde m.i. niet in dit land. Waar Lavisse een uitgesproken nationalistisch geschiedbeeld aan de Fransen aandroeg en dat ook werd opgelegd aan de scholen, daar ziet men bij ons, zeker bij Pirenne een meer wetenschappelijke aandacht.

Kortom, als WO I eindigt, moet er iets gebeurd zijn, dat België voorgoed de illusie van eenheid ontnam. De Frontbeweging, over wie de kranten zegden, naar aanleiding van het boek van Daniël Vanacker over die beweging dat het een studentenbeweging was, maar een studentenbeweging. Natuurlijk waren soldaten, zeker na de legerhervormingen van 1903 to 1913 die nog niet geheel doorgevoerd werden, jong, maar anders dan voorheen deden er ook Vlaamse studenten mee aan de oorlog omdat de persoonlijke dienstplicht was ingevoerd. Het leger werd immers technischer en oorlogsvoering vergde meer technisch geschoolde mensen. Dat studenten,seminaristen en jongens die net van de kweekscholen kwamen, de onderwijzersopleidingen meer dan andere met de Vlaamse zaak bezig waren, mag ook niet verbazen. Maar die geringschatting van de beweging blijft wonderlijk, want zonder stevige overtuiging zou die beweging na de oorlog een stille dood gestorven zijn. Daniël Vanacker illustreert ten volle hoe men na 1990 - het activisme verscheen in 1991 maar droeg nog de stempel van een open interesse, nadien werd het politiek niet correct waardering uit te drukken voor die beweging. Ook Professor Lode Wils heeft er het zijne toe bijgedragen heeft. In een krantenartikel in DS kan men overigens ook lezen dat Daniël Vanacker wel vond dat het Belgische establishment schuld had aan de politisering van de Vlaamse Beweging. Maar reeds Frans van Cauwelaert had heel wat inspanningen geleverd voor de Vernederlandsing, net als Herman Teirlinck en talloze anderen. Maar de Vlaamse Beweging werd noodgedwongen politiek, al ontbrak het velen vaak aan strategisch inzicht en kan ressentiment een degelijke aanpak verhinderen.

Als men vandaag, na de evolutie in de geesten na de ontgoochelende staatshervorming Verhofstadt-Di Rupo, de Lambremont-akkoorden en bovendien de geëtaleerde afschuw voor identiteit van onze artistieke en intellectuele elite, enfin, het spraakmakende deel ervan, de relatie tussen het Officiële België, het koningshuis, hoge ambtenaren nog altijd als een tegenstelling wil zien tussen Vlaanderen en dat officiële België, dan ligt dat aan een polarisering aan beide zijden. Zelf denk ik Vlaanderen, het officiële Vlaanderen meer België moet claimen, zoals Frans Van Cauwelaert en later Manu Ruys dat zagen. Alleen al het patrimonium van de Koninklijke musea voor kunst en Geschiedenis, van de Koninklijke musea voor Schone kunsten, laat al zien hoe Franstalig België al te zeer de Franse visie op de kunstgeschiedenis weerspiegelt en de eigen inbreng, van de scholen van Tervuren en Sint-Martens-Latem... gewoon negeert.

België is mij niet vreemd, ik draag een Belgische identiteitskaart. Als het om de macht gaat in België kan ik bepaalde voorstellingen vanwege Franstaligen nog begrijpen, maar ik kan niet begrijpen, niet aanvaarden dat Vlomse provincialen, die zich intellectueel noemen, diezelfde argumenten overnemen. Als Europeaan en als kunstliefhebber kan ik Félicien Rops, Maurice Maeterlinck, Eeckhout of Suzanne Lilar, Jacqueline Harpman of Françoise Mallet Joris best waarderen, maar ik zal "Vlomse Kunst", zoals van Ensor, Delvaux, Gustave van de Woestijne of Jos Verdegem niet afwijzen. En over het literaire patrimonium schreef ik al vaker.

Daarom en omwille van het liberale karakter van de Belgische grondwet van 1830 kan ik zo een 21 juli wel gedenken, maar een belgicisme dat de inbreng van Vlaanderen wil negeren en ontkennen, daar heb ik geen uitstaans mee. Hangt een oude officier van het Belgisch leger aan zijn kasteeltoren de tricolore, dan zal mij dat niet ergeren, maar als een Vlaming duidelijk blijk geeft van minaching voor de Vlaamse leeuw, dan heb ik het er moeilijker mee. Voor het overige ben ik niet zo gehecht aan vlagvertoon. Maar goed, ik hoor dan ook graag de tonen van Beethovens Negende symfonie. En alles bij elkaar, veel van de militairen die men op deze dag kan zien defileren, moeten zich voelen als Zangra, die wachtte op de vijand, tot hij kwam en Zangra te oud was om het zwaard nog te hanteren. Toch denk ik dat een behoorlijk leger onderhouden een kerntaak is van de overheid. Inderdaad liefst op Europese schaal. Mogelijke agressors zouden dan wel maar nadenken voor ze een oorlog bij proxy beginnen.

Bart Haers





[i] http://lvb.net/item/4985. Het blijkt interessanter dan men op het eerste gezicht zou denken, die geschiedenis met Leopold II en vervolgens zijn zoon Boudewijn die de Nederlandstaligen een hart onder de riem kwam steken. Maar in de collectieve voorstelling van zaken blijven de traditionele cultuurfondsen vaak ten onrechte als onbelangrijk voorgesteld. In deze waren de liberale studenten belangrijker dan de katholieke... In dit artikel zit een moeilijk element: kwam de prins alvorens duidelijk was geworden dat de Koning zelf in het Nederlands had willen spreken en dat de burgemeester toen, een zekere AmedéVisart de Bocarmé protest had aangetekend. Want de burgemeester wilde alleen de fine fleur van de Franstalige elite uitnodiging: de leliaerts vierden de helden van het volk. Nu goed, het Willemsfonds en aanverwanten hebben het nodige gedaan. Maar dat is al lang en breed in de plooien van de geschiedenis geraakt en vergeten.  

Reacties

Populaire berichten