Vertrouwen in de regering?



Kritiek



Taxshift is uiteraard ideologisch
Even nadenken over strijd

rond 1970 werkten hier nog 1200 mensen in de
S.A.W. te Waarschoot. tien jaar later was de
neergang bijna voltooid. Pogingen om het bedrijf
toch draaiende te houden met subsidies en
reconversiebeleid hielden geen stand.
De tekstielsector groeide vanaf de vroege negentiende
eeuw, maar 150 jaar later veranderden de markt en
de productie verlegde men na 1990 naar Oost-Europa.
Het beleid van de regering heeft hier weinig
aan veranderd. Het tekstielplan werd
overigens niet aanvaard en had
toch enig succes. De realisatie van het plan
zorgt nog steeds voor controverse. 
"Vandenbroucke vreest toenemende armoede". Zo stond het op mijn scherm deze ochtend en de gewezen politicus beroept zich op stevig wetenschappelijk onderzoek om te betogen dat de overheid de armoede in de hand zal werken. Maar luistert men nog naar dit doemdenken?

Bart Brinckman had het dan weer over de ideologische keuzes van de regering en ook dat is niets meer dan tautologie, want uiteraard maakt een regering keuzes, op grond van goede argumenten bij voorkeur en toch ook, zal men moeten aannemen op grond van een zekere intuïtie omdat beleid altijd tot stand komt in een zweem van onzekerheid. John Maynard Keynes wist het al, voorspellen is moeilijk, zeker als het over de toekomst gaat.

Intussen vraag Pieter Timmermans, gedelegeerd bestuurder van het VBO een motie van vertrouwen, want de regering ruimt wel hinderpalen op om te investeren in mensen. Of ondernemers echt mensen in dienst gaan nemen? Dat valt nog te bezien, maar behoud van jobs is ook meegenomen.

Intussen vragen mensen zich af, hoor ik om mij heen, wat nu de toedracht is: in Vlaanderen wordt bijna overal een werkzaamheidcijfer gehaald dat tussen 5 en 7 % draait, in Brussel daalt de werkeloosheid, maar blijft het hoog, zeker bij ongeschoolde of laag geschoolde jongeren en ook in Wallonië ziet men verbetering optreden, maar ook daar blijven de cijfers hoog. Iemand zegde dat we economisch en sociaal niet in een land leven en dat dit het debat verstoort. Vlaanderen kan zich economisch gezegend achten, maar het is niet zozeer de vraag of er veel nieuwe jobs komen, als wel of men in spitssectoren nog wel nieuw personeel zal vinden.

Het is van belang dat de overheid oog heeft voor mensen in precaire levensomstandigheden, maar als Frank Vandenbroucke nu betreurt dat de regering de vele programma's voor tewerkstelling wil reduceren, omdat dit de echte "slachtoffers" opnieuw in de kou zou zetten, dan moet hij ook weten dat die programma's extra administratieve lasten met zich brengen, niet enkel voor de werkgever ook, maar vaak voor de werknemer. Bovendien kan niet iedereen nog geloven dat de huidige armoede - die er ongetwijfeld is - alleen het gevolg is van werkeloosheid, of dat werklozen vanzelfsprekend met elkaar samenhokken. Vandenbroucke stelt zonder meer dat spijkerhard onderzoek precies dat mechanisme heeft bloot gelegd. De vraag is of er niet een methodologisch probleem kan opgedoken zijn, namelijk dat men steevast die uitkomsten bereikt omdat men precies dit soort resultaten wenst. Men moet en zal immers de armoede bestrijden. Dat er andere oorzaken kunnen zijn en dat bedrijven en organisaties - ik denk aan de dienstencheques - wel degelijk ook laaggeschoolden een mooie kans hebben geboden mag men ook niet uit het oog verliezen en daar raakt de regering niet aan.

Kan iemand zich van de indruk ontdoen dat prof. Dr. Frank Vandenbroucke zich voor een deel met een oud probleem inlaat? Zou men zich niet, meer dan eertijds Louis Tobback deed, moeten afvragen hoe de toenemende mogelijkheden van ICT steeds meer mensen uit de arbeidsmarkt duwen? De robotica van de toekomst is er al, maar het zet weinig intellectuelen aan tot nadenken over hun eigen aannames, want ik hoor hen zich nooit afvragen hoeveel een job kost aan investeringen. Steeds meer productieprocessen worden toevertrouwd aan automatische systemen waarbij minder levende mensen hun inbreng hoeven te doen. Bovendien zien we, in de distributiesector dat jobs als verkoper m/v verschuiven naar logistieke bedrijven die de e-commerce ondersteunen. Sommige winkelbedrijven klagen dat hun klanten massaal langskomen om te kijken en vervolgens via Zalando hun aankopen doen. De vooruitgang is geen ongedeelde zegen, maar evenmin alleen maar een vloek.

Nu is het ook zo dat bedrijven proberen met zo weinig mogelijk kosten hun productie te realiseren, zodat de prijs per eenheid zoveel mogelijk gedrukt kan worden en dus de winstmarges acceptabel zijn - al kan dat wel eens hoger uitvallen. Winstmaximalisatie? Soms wel, maar vaak moet men de beste van verschillende werelden in rekening brengen, dwingen de randvoorwaarden ondernemers tot een suboptimale keuze, een second best solution. Daarbij hebben de loonkosten niet altijd hetzelfde gewicht want die zijn afhankelijk van de arbeidsintensiteit en soms kan dat zelfs een pro zijn, bij producten die een hoog prijskaartje verdragen vanwege het prestige dat de koper ermee vangt. Bijgevolg zal voor de ene ondernemer een fabriek in hogere mate een kostenpost zijn dan voor een andere en in die context kan men als overheid wel nadenken voor arbeidsintensieve bedrijfstakken de brutoloonlasten onder controle te houden.

Nu, als intussen ook Bart Brinckman nog eens komt melden dat een regering, deze regering ook nog eens een ideologische keuze maakt, dan zijn de rapen gaar. Natuurlijk nemen regeringen doordachte maar ideologisch onderbouwde beslissingen, want elke regering is in minder of meerdere mate de resultante van verkiezingen waarbij partijen met hun eigen ideologische arsenaal de kiezers trachten te overtuigen. Dat de ideologische discussies de afgelopen jaren scherper waren dan een kwart eeuw geleden - een halve eeuw geleden leefden we in de gouden jaren en was beleid vooral aan het evolueren naar een technocratisch bestuur, wat vervolgens in de twintig jaar daarop resulteerde in een mate van consensus die de magerzucht van de debatten nauwelijks konden verbergen. De crisis van de jaren zeventig en aanvang jaren 1980 werden ook wel ideologisch gevoerd, maar de inbreng van de overheid in de economie was voor maar weinig partijen een punt van discussie. De politiek van Reagan en Tatcher veranderde daar wel iets aan, maar het is pas als links geconfronteerd wordt met het falen van het linkse model in de USSR dat men nieuwe strijdpunten zal aansnijden, zoals rechtvaardigheid, strijd tegen armoede, strijd tegen elitaire kunst en cultuur. Een progressief verhaal kwam tot stand op de ruïnes van een Franse traditie, "la pensée de 68", waarbij Foucault, maar vooral Bourdieu van groot gewicht leken. Nu, 25 jaar later merkt men dat bijvoorbeeld Tony Judt de onderwijspolitiek aan de kaak stelde - voor diens dood in 2010 - en ook mensen als René Cuperus of Paul Scheffer begrepen dat bepaalde opvattingen nergens toe zouden leiden.

Ideologische keuzes kan men niet verdacht noemen omdat ons parlementaire systeem berust op de gedachte dat ideologische tegenstellingen net de voorwaarde zijn voor politiek debat en voor het oriënteren van beleidskeuzes. Mocht het zo wezen dat er onfeilbare en wetenschappelijk niet te weerleggen oplossingen bevindelijk blijken, dan zou men inderdaad het politieke systeem door een server laten vervangen, enfin door sterk systeem dat volautomatisch data screent en op basis daarvan de beslissingen neemt. Voor politiek debat is er dan geen ruimte meer en het systeem moet zich niet verantwoorden, want het staat buiten kijf dat het volkomen en perfect is. Maar waar is de menselijke inbreng dan? Sommigen vinden dat een idiote bedenking, want zo een systeem, nog meer onfeilbaar dan de paus is het hét van het. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn toch maar illusies en aangezien we ons van het lijden kunnen verlossen, zonder veel pijn, moeten we ook daar niet meer over prakiseren.

Steeds beter begrijp ik waarom er bij modellen die de sociale wetenschappen verkiezen bijna nooit referenties zijn aan niet gecontroleerde situaties, maar men altijd zal uitgaan van modellen die voorspelbaar zijn en waar causale relaties helemaal te overzien zijn. Maar het sociale leven en de verhoudingen tussen mensen beantwoorden niet helemaal aan die modellen. Dat betekent niet dat men geen modellen mag of kan proberen op te bouwen, maar de mate van onzekerheid over de bruikbaarheid in het reële leven, blijft altijd groot genoeg om er niet blind op te vertrouwen. Modellen bouwen blijft wel boeiend genoeg, omdat het wel toelaat bepaalde correlaties en causale verbanden te ontdekken. Beschrijvend zijn die zeer belangwekkend...

Het gevolg is wel dat er nogal een kloof gaapt tussen de lui die uitgaan van strakke modellen en er hun vertrouwen in stellen en mensen die met de dagelijkse realiteit van onverwachte gebeurtenissen te maken hebben, al zal men uiteraard wel een paar zekerheden hebben. Risico's niet schuwen, maar ook niet zomaar afgaan in de chaos van gebeurtenissen. Natuurlijk, een goede organisatie vangt veel onverwachte zaken op en gebeurtenissen buiten de organisatie kunnen ook opportuniteiten blijken. Alleen is het zo, denk ik te begrijpen dat een goed geolied bedrijf wel degelijk veel kan hebben, als de verantwoordelijke directie niet per se voortdurend gaat sleutelen en verbeteren. Het valt op hoe in de verbeelding de manager voortdurend in een sfeer van crisis zou leven en telkens weer doorslaggevende beslissingen moet nemen. In werkelijkheid valt dat mee als het huiswerk goed gemaakt is. Aandachtig blijven, kijken hoe het personeel bijdraagt aan het succes en dat waarderen is al een mooi ding - terwijl we de bazen vaak zien als stresshanen die hun personeel niet genoeg kunnen opjagen. Zou dat in de werkelijkheid ook zo zijn? Het draait maar goed als de baas vertrouwen heeft in de kunde van het personeel en in de bereidheid zich in te zetten.

Uiteraard gaat het lang niet altijd goed, hoe zou het anders kunnen, maar toch, de voortdurende kritiek op ondernemers lijkt hen niet te deren, tenzij ze na een rondje op de golf even tot rust komen en hun zorgen delen met vrienden. In wezen komt de stress vaak van buitenaf, want de plicht te presteren en zichzelf voortdurend te overtreffen schaadt een goede bedrijfscultuur. Toch zien we om de haverklap berichten dat vele ondernemers nog te veel vast zitten in oude denkpatronen. Maar vaak blijken hun jaarcijfers wel behoorlijk en doorgaans weten ze ook dat hun grens daar ligt waar ze om verder te groeien geen markt of mogelijk marktaandeel kunnen verwerven. Stilstaan is achteruit gaan, zegt men dan. Ik heb de indruk dat ik al bedrijven onderuit zag gaan omdat ze te snel vooruit wilden en daarbij aangemoedigd werden door subsidies, die ook nog eens besteed worden op straffe van hoge boetes. Behalve de administratieve last die de subsidies veroorzaken, ervoer meer dan een ondernemer die aanpak van de regering als een binnendringen in het bedrijf. Zij verkiezen vooral endogene groei, groei op eigen kracht.

Men kan best proberen, zoals Paul de Grauwe het doet, economische modellen uit te werken die men meer uitgaan van de onzekerheden van de markt en zo kan hij de rol van de overheid beter omschrijven, want als intellectuele oefening is het zeker uitdagend, als poging bepaalde evoluties te vatten, enigszins te voorspellen is het zeker ook richtinggevend. De rol van de overheid? Monopolievorming of rent seaking behaviour inperken of vermijden, maar uiteraard ook zorgen dat de machtsverhoudingen niet eenzijdig een partij versterken. Want de markt zelf kan leiden tot grote onevenwichten en dat vinden economen niet altijd nuttig.

Tegelijk is duidelijk dat men ondernemers, raden van bestuur moet toelaten zelf de beslissingen te nemen die zich opdringen. Als het goed gaat, volstaat waakzaamheid, als men creatief wil zijn, zal zo een bedrijf een proef opzetten, zien of het werkt en er net voldoende tegenaan gooien opdat het lukt. Maar men kan bedrijven, bedrijfsleiders niet verwijten dat ze binnen hun routines blijven, zeker als dat impliceert dat elk project toch weer eigen uitdagende studie en voorbereidingen vergt. En daarmee zijn we waar we wilden wezen: u en ik spreken over ceo's, cfo's, raden van bestuur en jaarrekeningen en negeren, doorgaans, de gedachte dat elk bedrijf eigen karaktertrekken heeft, afhankelijk van wat men doet, produceert, bouwt, aanbiedt en voor wie. Bedrijven verdelen in sectoren helpt natuurlijk al, maar dan nog kan schaalgrootte bepaald zijn door het productieproces. Sommige bedrijven moeten ineens groot genoeg zijn om een minimale rentabiliteit te halen, andere kunnen niet overdreven groeien omdat het product niet zomaar zonder kwaliteitsverlies in grote hoeveelheden geproduceerd kan worden. Toch zien we in debatten graag dat men maar meteen alle bedrijven onder de loep neemt en willen begrijpen dat ze ondanks alle tegemoetkomingen en subsidies niet tot aanwervingen komen. Laten we die benadering maar over aan populisten.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten