Zomers pleisteren op de Markt



Kleinbeeld

Hulde bij een standbeeld
& gesprek over wat gaande is

Poster van de Film "De Witte" van Claes door
Robbe de Hert (1980). Was het een goede film?
Toen ik de prent zag, dacht ik het wel, behalve
dat de acteurs ook al te vaak sprakeloos bleken,
want ne vloming kan niet ratelen. Vergeet het,
sommige zijn uitstekend van de tongriem
gesneden. 
11 Juli? In Vlaanderen een feestdag, op andere plaatsen een massamoord waar de internationale gemeenschap bij stond en ernaar keek. Op zo een dag loop je dus over de Grote Markt, onder het Belfort en ontmoet je waarlijk oudgediende uit de Vlaamse Beweging en tijdens diens werkzame leven een hoge ambtenaar in het Parlement. Neen, geen Ernest Claes, maar toch ook iemand die de dingen des daags niet zomaar accepteert. Terwijl we praatten viel me te binnen dat ik voor het eerst in jaren niet bij de bloemenhulde bij het standbeeld van Breydel en De Koninck was geweest. Erg vind ik dat niet, maar wel vroeg ik de oudere man of het wel zinvol is zo een bloemenhulde, een hulde? Als ritueel kan het wel, maar toch, wie brengen we hulde? De Vlaamse oud-strijders van vele decennia Vlaamse beweging.

Bij een biertje praten we over de grote uitspraken, die niet altijd blijk gaven van grote bevlogenheid en noch een zorgzaam omgaan met de betekenis van wat er op het spel staat.  Want ook al won een partij de verkiezingen vorig jaar die zich baseert op de oude eisenbundels, lang niet iedereen is zomaar overtuigd van de juistheid ervan. Als men dan in een ernstige omgeving mag spreken, dan is het van belang niet voor de eigen parochie te prediken maar ook pogen andersdenkenden mee te nemen in het verhaal. De voorzitter van het Vlaams Parlement mag dan wel een eigen mening hebben, hij moet ook weerspiegelen wat het parlement denkt, wat de bevlogenheid schaden kan en de boodschap verminken. Dat weten we al langer en toch, de verwijzing naar de jonge Herman Van den Reek laat zien hoe vaak men korte bochten neemt, want Herman van den Reeck was een jongeman, 19, bijna 20, student, zoon van een ambtenaar en zijn moeder had een winkel. Hij was betrokken bij de kring rond Paul van Ostayen en dan wel activistisch, maar niet geheel van dezelfde orde als de groep rond Dirk Domela Nieuwenhuis en Marcel Minnaert. Edoch, al deze mensen waren relatief jong, veel jonger dan August Borms en ook minder politiek doende, of beter, hun politieke activiteit was gegrond in een maatschappelijk engagement, in een artistiek en intellectueel engagement. Van den Reeck werd gewond tijdens een verboden 11-julimanifestatie in Antwerpen. Hij zou door politiemensen neergeschoten zijn op de Grote Markt en vervolgens niet de nodige medische zorgen gekregen hebben. Politieke reuring was er toen zeer zeker en ook wie het activisme niet had gebillijkt toch opstandig werd tegen het politieoptreden. Een jaar later zou het mystiek huwelijk gesloten worden tussen de Katholiek Frans van Cauwelaert en de socialist Camille Huysmans, waardoor de Franstalige (liberale) politici hun vanzelfsprekende politieke positie zouden verliezen. We weten het, de socialisten zouden tot januari 2013 het schoon verdiep bezetten. Maar Herman Van den Reeck was voor een aantal mensen een icoon, maar doorgaans al lang vergeten. Wel staat hij voor het jeugdig enthousiasme voor een maatschappelijke verandering. De voorzitter van het parlement kon blijkbaar niet in detail treden, maar daardoor werd het wel een beetje een gemakkelijke referentie. Dat hij staat voor de omkering van de verhoudingen en voor een grotere politisering van de Vlaamse Beweging.

Trots en schaamte van de Vlaming? Voor sommigen geldt dat de Vlaming niet wil wonen in de stad, maar de Vlaamse Beweging schoot eerder wortel in steden als Gent en Antwerpen dan in Sint-in-Eremo, eerder in de colleges en athenea dan aan de stamtafel in café Gambrinus. Het was progressief om het Nederlands een grotere plaats te geven in de samenleving, het waren niet toevallig ook vaak artsen die het voortouw namen, net omdat ze toch altijd wel met hun patiënten Nederlands, Vloms hadden te spreken. Ook seminaristen begrepen dat ze maar beter goed leerden preken in het Nederlands. De taal die ze kozen was lange tijd een twistappel, want Guido Gezelle koos voor het West-Vlaams idioom, omdat hij de gedachte was toegedaan dat dit het beste aansloot bij de taal van de voorzaten maar anderen kozen voor het Nederlands dat ze boven de rivieren spreken, in Haarlem bij uitstek. Sommige auteurs wisten dat je de natuurlijke taal ook een plaats mag geven, zodat hun idioom net iets rijker uitpakt en zeker niet krampachtig "Ollands" blijkt.

In het Europa van vandaag spelen die gebeurtenissen een grotere rol dan we geneigd zijn aan te nemen, bedacht ik mij op de terugweg, want ook Sebrenica 1995, toen daar 8000 mannen en jongens werden afgescheiden van vrouwen en kinderen, heeft alles te maken met de gebeurtenissen in 1914, c.q. het streven naar een Groot-Servië waarbij men het gemunt had op de Habsburg-dynastie, het veelvolkerenrijk Kakanië. Nu is het wel opvallend, gaf ik de oude man mee dat Joseph Roth het verdwijnen van dat K&K-rijk terwijl Franz Kafka een minder gunstig beeld op kon hangen, waarbij wel bedenken, moeten bedenken dat Joden in het Oostenrijks-Hongaarse rijk alle belang leken te hebben bij de samenhang en het in stand houden van dat rijk. Maar ook de Tsjechen streefden - vanouds - naar een eigen politieke structuur, zo te zien zonder gewelddadige actie. Wenen, zo lijkt het wel, wist lang de politiek van "verdeel en heers" toe te passen, want waar Hongarije al snel een eigen structuur kreeg en een heel stuk van het rijk onder beheer kreeg - behalve onder meer Buitenlandse politiek, het leger en de munt - dienden anderen rijksgebieden zich met kruimels tevreden te stellen. Maar van nationalisme was er sprake. Maar toch, bespraken we, was Oostenrijk-Hongarije niet het uitgewoonde, vermolmde rijk waarvoor men het graag houden wil. Meer dan we denken blijven we in de greep van nationalistische retoriek uit ver vervlogen tijden. Frankrijk en vooral Servië hadden het op Oostenrijk-Hongarije gemunt. Bovendien blijkt men er ook geen voor te hebben dat Bosnië-Herzegovina, dat tot 1907 nog wel in naam deel uitmaakte van het Ottomaanse rijk maar bestuurlijk in handen was van Oostenrijk en door Wenen met onderwijs werd bedeeld, spoorwegen kreeg en ook investeringen werden aangemoedigd. Het zegt veel over Oostenrijk en over historici dezer dagen dat men dit facet van beleid zelden in kaart brengt.

De man vroeg me ook welke boeken men gelezen zou moeten hebben voor men 18 is, vooral dan boeken uit de twintigste eeuw. Dan denkt een mens natuurlijk aan De Toverberg, zegde hij, maar bij nader inzien moet men ook "De Buddenbrooks" gelezen hebben, want voor verwende jongeren is het wel een interessant werk. Ook Couperus, de boeken der kleine zielen, mag niemand terzijde leggen. Zijn het boeiende boeken? Het zijn geen thrillers, maar beide boeken kunnen de aandacht van een lezer vellen. Waar Tony Buddenbrook een dom wicht blijft, enfin, iemand die niet begrijpt dat haar afkomst en de positie van haar familie voor haar niet een eeuwig gegeven kunnen zijn, daar groeit Constance van der Welcke-van Lowe uitgroeit van een enigszins wufte freule uiteindelijk de dragende kracht wordt in de familie en verleden grootheid weet te relativeren en daardoor een nieuw fundament legt voor elk van de mensen over wie ze moederen moet, behalve haar eigen zoon, al loopt het daar ook niet zo tragisch af.

Men kan het soort boeken dat iedereen gelezen zou moeten hebben niet ongestraft tot tien beperken, maar bijvoorbeeld, wat de Nederlandse literatuur betreft, zou men Kees de Jongen erbij mogen betrekken, want het is echt wel een portret van een jongen, dat beklijven kan en het bijzondere van een zwevende geest op de voorgrond plaatst. "Het Grijze kind" is dan zowat een pendant, maar in hoge mate een geheimtip. Je kan ook aan Walschap voorbij, maar je verliest dan veel, of je nu De Vierde Koning leest of "De Familie Roothooft" terwijl Houtekiet, wat mij betreft een mooie transpositie vormt van "Markens Grøde" van Knoet Hamsun: in beide gevallen gaat het over de kracht van de eenling en het vestigen van een nieuwe nederzetting, met eigen wetten, meer bij Walschap dan bij Hamsun. Opvallend is dan wel dat de industrialisatie van Vlaanderen, waar Walschap ook over schreef, Nieuw Deps, maar niet in de lectuurlijstjes komt, terwijl het ook wel echt weerspiegelt wat toen Walschap dit schreef echt wel dagelijkse kost was: van smidse tot machinebouwfabriek...

Men zou toch ook - zonder daarom soms terechte kritiek in te slikken - aandacht mogen vragen voor het werk van Daisne en Lampo, maar ook van Schouwenaars, van Piet van Aken en Maurice Giliams. Al deze werken hebben ook gemeen dat zij het Nederlands luister bijzetten. Maar de vertelkunst mag men ook niet negeren. Ik zou mij kunnen beperken tot de zogenaamde grote vier, vijf, Claus, Hermans, Reve en Mulisch, maar dan vergeet ik Hella Haasse en ook wel een Maria Rosseels. Maar wat dan te denken van Anna Enquist of Anna Blaman, Joke Hermsen..? Ook Nelleke Noordervliet mag hier niet ontbreken. 

Laten we wel wezen, niet iedereen zal zomaar elk van deze werken kunnen waarderen, maar als ik moet kiezen tussen "De ontdekking van de Hemel" en "Het verdriet van België" dan moet dat laatste het onderspit delven; toch kan ik "de Verwondering" en toneelwerk van Claus zeer waarderen. Ook "de procedure" van Mulisch lijkt me aanbevelenswaardig, terwijl het nauwelijks nog genoemd wordt: het komt wellicht omdat men Mulisch de ontwikkelingen in de genetica niet juist leek in te schatten, terwijl het naar mijn niet zo bescheiden mening precies vragen oproept. En ja, die Golem, Rudolf II en Praag, dat blijft wel zeer mooie momenten oproepen.

Met dat alles besef ik dat Boontje geen plaats lijkt te krijgen. De Bende van Jan de Lichte en De Kapellekensbaan hebben mij nooit zo mijn aandacht te vangen. Dat ligt ongetwijfeld aan mezelf, maar als je al wat wereldliteratuur achter de kiezen hebt, kan het ook wel aan het werk, de romans zelf liggen. Het punt is, denk ik, dat sommige titels zozeer opgehemeld worden dat de lust tot lezen vergaat.

Om maar iets te zeggen, zegde ik nog, je kan toch niet aan Umberto Eco voorbij, terwijl ook Sandor Marai, niet enkel Gloed maar ook ander werk best aandacht krijgt. Neem nu Jose Saramago, die met "de Stad der blinden" veel aandacht kreeg, maar vervolgens met "memoriaal van een klooster" of "het evangelie volgens Jezus Christus" ook wel best lezenswaardig blijft. Moeten we nog Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon noemen?

Namen noemen evenwel draagt niet bij tot het betere begrip van werken en waarom we ze zouden moeten lezen, verdient doorgaans meer uitleg, maar hebben we er nog de tijd voor. Nu, 18 jaar, dan zit je in het secundair onderwijs en dan is lezen een activiteit waar niet iedereen evenveel zin in heeft. Toch kan het nuttig zijn, niet voor het profijt maar voor het inrichten van het eigen leven, eens een paar boeken te lezen, zonder dat men daarom altijd in het hoekje moet gaan zitten.

Lezen als opdracht kan lastig zijn, maar het kan ook verhelderen, inzichten brengen, die ons toelaten te reflecteren op het eigen leven. Goede boeken kunnen wel eens triestig lijken, maar de lectuur van die constructie die een Couperus of een Sandor Marai brengen, laten ons toe andere kanten van een gebeuren te begrijpen en zo ook, zij het lang niet altijd, ons eigen evolueren te volgen en zelfs bij te stellen. Verhalen vertellen is een menselijk vermogen. Over 50 tinten grijs mag het gaan, over zwerkbal ook, maar het vertellen waarin de menselijke conditie beproefd wordt, kan zeer verhelderend werken. Misschien, vaak zelfs, kan verhalen via andere media vertellen en goed ook, maar het goed geschreven verhaal kan nog meer brengen, want we leren zo woorden die ons anders niet in de mond bestorven zouden liggen.

Op zo een zonnige julidag, tussen toeristen, koopjesjagers en andere toevallige passanten, is het aangenaam praten over literatuur, geschiedenis. Maar een titel, waarvan ik al vaker gewag maakte, Leven en Lot van Vasili Grosman, waarover ik ook schreef, moet toch ook nog eens onder de aandacht: van oorlog voeren en oorlog ondergaan weet ik niets, maar oorlog voeren betekent macht uitoefenen, betekent zich identificeren en voor groepen strijders een gemeenschappelijk doel realiseren. Daarover wordt vandaag weinig gesproken. Een 30.000ste Last Post. Mooi, maar het blijft voorbij gaan aan het wezenlijke van de oorlog.


Bart Haers

Reacties

Populaire berichten