Over Weimar en de onmenselijke lach



Reflectie


Cynische rede en hondse
realiteitszin


Victor Klemperer, Romanist,
communist en later criticus
van het communisme overleefde
als jood de hele Nazi-periode en
koos er na 1949 voor de opbouw
van de DDR te steunen. Was dit
naïviteit? Naderhand kunnen
we dat niet meer vaststellen. 
Het boek van Sloterdijk, Kritiek van de Cynische Rede heeft me deze zomer bezig gehouden en ik denk dat het avontuur van het herlezen de moeite waard mag heten, voor mij. Maar een boek, geschreven net voor een van de grootste omwentelingen van Europese geschiedenis, de Wende (1989) maar ook de politieke strijd van Solidarnosc en het beleid van Michail Gorbatschov vorm kreeg en uitgerold werd, blijft vooral lezenswaardig en de inspanning werpt hierom vruchten af dat het laat zien dat in actuele debatten variaties blijken op enkele oude thema's. Wat beoogde Sloterdijk met zijn uitgebreide onderzoek en heeft hij ons daarmee nieuwe inzichten gebracht?

 Opvallend is bijvoorbeeld dat hij de kritiek ten aanzien van Ebert en diens opvolgers in de SPD niet spaart, maar vooral dat hij het optreden tijdens de jaren van Weimar en de ondergang ervan uitermate cynisch beoordeelt, mede ook omdat de partij idealisme aflegde en beweerde volwassen te zijn geworden. Opent dit de bres voor het ongevoelige, ongenaakbare zeker zijn van zijn stuk, ook al weet men dat de oorspronkelijke doelen nog onmogelijk ernstig genomen kunnen worden?

Doorheen het boek heeft Peter Sloterdijk zowel het cynisme als het kynisme onderzocht. Het eerste denken we te kennen - maar gebruiken we niet al te lichtvaardig het begrip cynisme? -, terwijl het wel degelijk als houding en als benadering van de werkelijkheid van belang mag heten. De andere houding, het kynisme is minder bekend, maar verwijst naar Diogenes van Synope, de filosoof die van het absurde en het vulgaire zijn idioom maakte en daarmee - zonder ooit zelf iets geschreven te hebben - sporen heeft nagelaten en ons wel bekend lijkt. Ook Uilenspiegel, ook Lazarillo de Tormes kan men in die traditie plaatsen, maar ook Faust en Sigmund Freud. Daarmee maakt Sloterdijk zich dan wel niet geliefd, hij laat wel zien dat wie het onuitspreekbare en onuitgesprokene durft te zeggen, wel eens dichter de waarheid en werkelijkheid benaderen kan dan wie uitgaat van wat hem of haar geleerd is. In die zin heeft de filosofie een zware erfenis te torsen, want op zoek naar de onbetwistbare waarheid, het "ken u zelve" indachtig, verliest de filosofie gaandeweg het elan om door te gaan. De analytische filosofie heeft dan wel verdiensten, ze blijft buiten de werkelijkheid die men wil onderzoeken en bereikt zo minder dan mogelijk wezen zou.

Begrijpelijk lijkt het niet dat Freud bij uitstek kynisch zou hebben opgetreden, maar heeft hij niet ons diepste overtuigingen over wat hoort onthult als begoochelingen, als normen, waarden zonder grond? Eerder dan van pathologieën heeft hij zijn werk gemaakt van wat we zijn en niet van wat we pretenderen te zijn. De liefde? Dient toch maar om onze lusten genoegdoening te geven, niet enkel de vleselijke, maar ook andere verlangens, machtig worden of onderworpen leven. Het geloof in het juiste ontwrichtte velen die leefden in een stevig gestructureerde wereld, waar dus een stevig super-ego de plak zwaaide. Terecht nam men er afscheid van, maar de moderniteit die volgde uit de inzichten van zowel de verlichting als van de Freudiaanse zielkunde leverde een sterk geïsoleerd strategisch wezen op dat niet meer geloven kon in de welwillendheid van andere subjectieve reden.

In een vorig stuk over dit werk schreef ik ook al over het ontwapenen, willen we de rede haar kracht terug schenken. Sloterdijk komt in zijn slotbeschouwingen terug op Diogenes van Synope en laat zien hoe deze een bijna aziatisch aandoend precept afgeeft. Wie politicus wil worden en nalaat is beter af dan wie het wel doet. Wie kinderen wil en ervan afziet... Wie offeren wil en het nalaat? Juist ook dat kan beter zijn. Dat nalaten van dingen, daden die men wil, past niet in de particuliere rede en wordt besmuikt afgewezen, maar tegelijk is het duidelijk dat mensen net dezer dagen, al sinds de tijd dat dit boek op de markt kwam ertoe neigden zich in allerlei oude wijsheidsleren te vermeien, maar, zo lezen we, we doen dat niet om het object beter te begrijpen, we doen het niet reflecterend, maar het past in een strategie betere mensen te worden en misschien moeten we het daarom nalaten. Ontwapenen, zo komt dan aan de orde is het nalaten het onderste uit de kan te halen. Kijken we naar een ander werk van Sloterdijk, 'Du musst dein leven änderen' dan gaat Sloterdijk dieper in op de kwestie hoe we kunnen leven, door te oefenen. Dat lijkt in tegenspraak, maar precies de oefeningen zijn erop gericht dat we in wezen ontwapenen, uit het defensief treden, of zelfs ons bevrijden van obsessies. Er is in het denken van Sloterdijk wel verandering opgetreden en het risico bestaat dat ik het latere boek in het licht van het eerste interpreteer. Maar de betrokkenheid van de filosoof bij de vraag naar het goede leven vormt duidelijk wel een constante. Ook zijn denken over Thymos, over Tijd en toorn moet men niet zomaar terugvoeren naar de Kritiek van de cynische rede, maar door die latere werken wordt duidelijk dat de auteur inderdaad meer deed dan een postmodern discours formuleren.

Men kan tegen dit boek veel bezwaren koesteren, want Sloterdijk spaart de Verlichting niet en maakt daarmee het werk van Jonathan Israël tot een bedenkelijke onderneming, te meer omdat Israël met deze demarche ook weer het avontuur van de Verlichting als een strategisch verhaal presenteert, terwijl tot en met Newton de aandacht voor alchemie verre van versmaad werd. Het geloof in de overtuiging dat we er alleen voor zouden staan, dat Newton zelf al graag aan de orde stelde, verhinderde naarmate de moderniteit vorm kreeg dat de interactie tussen personen nog enige diepgang kreeg. Mag men stellen dat een historicus als François Léopold Ganshof nog mededelingen neerpende over een of andere capitulare van Lodewijk de Vrome, om zijn collegae op de hoogte te stellen van die bevinding en er desnoods een heftig dispuut over aan te gaan, dan lijken onderzoekers dezer dagen te publiceren om toch maar enigszins bekend te zijn. De boodschap? Voor zover ik kan horen weten sommige onderzoekers dat ze zelfs niet de spreekwoordelijke paardenkop zullen bereiken. Maar niet publiceren is erger dan zinloos publiceren. Dan zwijgen we nog over de citaten die men doelgericht moet kiezen, opdat men, alweer bekend zou worden.

Als we het boek goed afwegen vormt de kritiek van de cynische rede de basis voor een analyse van de moderne filosofische praktijk en dan valt het op dat Sloterdijk meent dat die filosofie vanzelfsprekend alleen nog een praktische filosofie kan zijn, omdat precies de theoretische structuren die voorheen tot stand kwamen onhoudbaar zijn gebleken in het licht van de geschiedenis, van de werkelijkheid. Daar kan ook de bedenking aan toegevoegd worden dat men zo ook oneindig veel filosofische demarches kan ontwikkelen, zelfs een behoorlijk subtiele, maar, aldus Sloterdijk, bereiken ze niet meer dan dat, namelijk exegese te zijn en vooral praktische filosofie. Waarom hem dat zo tegenvalt? Hadden de filosofen van de Verlichting, waaronder uiteraard Kant het vermogen ontwikkeld tegen de bestaande hegemonieën in te gaan en het kennen te ontwikkelen, dan ontstond algauw een patstelling, want waar de oudheid met het "ken uzelve" een heel programma op gang bracht dat niet enkel een neerdalen in het eigen ik veronderstelde, maar precies de objectieve wereld wilde verkennen, daar wordt in de post-verlichte tijd het devies "ken uzelve" een alibi om zich vooral tot zichzelf te beperken en strategische posities in te nemen. Bij Sloterdijk blijkt de gedachte dat we zowat allemaal toegerust zijn met een polemische rede - want is men daarvan verstoken, dan verliest men alle kansen - het culminatiepunt van de cynische rede te zijn.

De  analyse van het wedervaren van de Republiek van Weimar geeft aan hoezeer Sloterdijk doordrongen is van de idee dat we toen en sindsdien het spoor van een open denken zijn verloren. Want erkent Sloterdijk dat 28 juni 1919 voor Duitsland en de Duitsers een trieste dag is, door de "Alleinschuld" in het vredesverdrag op te nemen en de aanbetaling van de schuld een zware last zou betekenen op het geamputeerde rijk, dan beseft hij ook dat het na Rapallo en Locarno de toekomst er beter uit leek te zien, maar de schuldvraag en de herstelbetalingen bleven een handige dolk in handen van zowel de communisten als van de Nazi's. Sloterdijk laat er dus geen twijfel over bestaan: in de machtsstrijd binnen de Republiek van Weimar werd het verdrag van Versailles een handig en ook wel destructief wapen. Maar hij toont tevens aan, kijkend naar Dada, naar het theater van de jaren 1920 en wat al niet meer dat mensen het moe waren te strijden en deel te nemen aan het grote gebeuren. "Hopla, we leven". De terugkeer van de soldaten na WO I, met aan de ene kant Ernst Junger die ervoor ging uit te leggen dat wie overleefde in de vuur- en staalstorm iets had gerealiseerd, terwijl aan de andere kant Erich Maria Remarque de ontzettende leegheid van het bestaan van een frontsoldaat schildert. Junger en Remarque vertellen verschillende verhalen, maar men mag ze niet zozeer tegenover elkaar plaatsen als wel complementair beschouwen. Let wel, Junger verheerlijkte de strijd niet als zodanig, wel het overleven in de omstandigheden. Beiden raakten ook gewond in de oorlog en beiden overdachten wel eens het zinloze van de oorlogsvoering.

Weimar leed nog onder een andere erfzonde, die men Ebert kan toeschrijven, zoals ook Sloterdijk doet, maar in wezen komt hij dichter bij de waarheid als hij Ludenburg en Hindendurf - juist, de verhaspeling van de twee stafofficieren die sinds 1916 de macht hadden gegrepen en de keizer buiten spel gezet hadden, Ludendorf en de laten president Hindenburg - een belangrijke rol toebedeelt. Hindenburg, van wie we vaak het beeld krijgen van een oude, machteloze schertsfiguur, windvaan ook, was lange tijd in staat zelf behoorlijk doende de media te bespelen. Zij hanteerden elk op een eigen manier de macht. Sloterdijk had daar de figuur van Kurt Hammerstein von Equor, die zowel militair als burger wilde zijn en gedurende jaren in het vervolg van het verdrag van Rappalo belast was met de relaties met Rusland, Sovjet-Rusland en daar de oefenterreinen beheerde.

Het verandert dan wel niets aan het cynische spel van Ludendorff die dacht Hitler te kunnen gebruiken, maar finaal zelf terzijde werd geschoven. Dat steekt echter nog bleek af tegen de keuzes van de Sociaal-democraten, de SPD ook aan het einde van Weimar, toen de SPD dacht te kunnen spelen en winnen door een stevige groep om zich heen te verzamelen, maar de vele namen, zoals Reichsbanner, waarin de mensen optraden, mocht niet verhelen dat vele gewone militanten van de SPD al lang en breed opgeschoven waren naar de NSDAP. De stoottroepen van links, vooral communisten en ook wel groepen van de SPD waren een kleine elite, die wel enige slagkracht had, maar in wezen ook fataal anarchistisch diende te opereren, omdat de SPD het zich niet veroorloven kon direct bij die straatgevechten betrokken te zijn. Velen zouden eindigen als Moorsoldaten, door Hitler en co als politieke gevangen afgevoerd naar Oost-Friesland om er in het veen te werken.

Rathenau komt aan bod, ook al omdat hij vermoord werd door een lid van een van die talloze vrijkorpsen omdat hij Joods was of omdat hij de belangen van Duitsland niet naar voldoening zou beheren. Stresemann verdient ook aandacht, maar net omdat hij slechts gedeeltelijk slaagde in de buitenlandpolitiek, moet hier toch een probleem aangedragen worden dat de hele periode van 1870 af de Frans-Duitse verhoudingen heeft gekenmerkt: Frankrijk schuwde geen diplomatieke middelen noch militaire om Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in het harnas te jagen. Aangezien evenwel Sloterdijk de nadruk legt op Duitsland en Weimar, kan hij niet de positie van vooral Parijs belichten. Het is evident dat dit zelfs nu nog niet aanvaard zou worden. Toch is precies de officiële geschiedschrijving die zowel in België als in Frankrijk negeren dat in 1923 de Ruhr bezet werd en botste op de door de regering ondersteunde passiviteit. Kolen transporteren naar Frankrijk of Luik? De treinen  werden op dwaalsporen gerangeerd. Natuurlijk was Versailles al een veel grotere vergissing en symbool van een oorlog met diplomatieke middelen. Wilson zag hoe de tijger Clémenceau en Raymond Poincaré hun revanchisme tot het uiterste dreven en dat ging ook nog door na de bezetting, die historische wandaad waarover men blijft zwijgen. Sloterdijk moet wel omzichtig blijven, maar als Belg moet ik het wel aankaarten, omdat de wandaad mee de hyperinflatie aanwakkerde en ene Adolf Hitler aanporde in actie te komen. Maar tijdens zijn verblijf als gevangene in de vestig Landsberg zou Hitler die aanpak, via de putsch definitief afwijzen en kiezen voor een democratische overwinning. Dat is natuurlijk de uiterste expressie van cynisme, maar ook het antinihilistisch nihilisme speelde een rol: Hitler wilde zich tegen het (vermeende) nihilisme van links, van de elites verzetten, maar kwam niet verder dan er een nieuw nihilisme tegenover. Zou deze wereld echt niets waard zijn, zoals Hitler, zoals de Communisten betoogden? Het alternatief wordt dan fataal een dictatuur en er zijn mensen genoeg die haar omhelzen, zowel in Moskou en Petersburg anno 1917 als in Berlijn, Munchen tussen 1918 en 1933.

Van handigheid gesproken, maar dat het hem lukte - ondanks een verkiezingsnederlaag in 1928 - na de crisis van 1930-1932 lag het afstoppen toch ook weer in handen van de tegenstanders, de binnenlandse en de buitenlandse. Het waren niet altijd tegenstanders die hem hielpen, maar wat marxisten graag objectieve bondgenoten noemen. Frankrijk bleef daarbij oude diplomatieke rollen spelen, die het voor een nationalistisch Duitsland niet moeilijk maakten om aanhang te winnen. En de Duitse communisten? Zij vonden het wel zo nuttig Hitler de klus te laten klaren de oude Kapitalistische wereld te laten opruimen, daarna zouden zij de vruchten wel plukken. Na 1945 kwam er in 1949 onder leiding van Walter Ulbricht zoiets tot stand, maar het moet gezegd, al in 1953 kwamen de Oost-Duitse burgers in opstand en tot 1989 bleef er een opvallend levendige oppositie. Dat mensen als Anna Seghers en Victor Klemperer zich wilden inzetten voor de opbouw van de DDR kan men evenwel niet zomaar duiden, al lijkt er iets van naïviteit in gezeten te hebben - Victor Klemperer stond wel degelijk kritisch tegenover het communisme - zodat duidelijk wordt dat Sloterdijk niet zomaar kan bedoeld hebben dat alles wat we doen zomaar als cynisch afgedaan kan worden. Zijn kritiek, zijn onderzoek leert wel dat we niet zomaar van de beste intenties mogen uitgaan, maar tegelijk dat we niet kunnen aanvaarden alle intenties alleen maar cynisch ingezet zouden worden.

Opvallend daarbij is dat tijdens de periode waaraan Peter Sloterdijk zoveel aandacht besteedt de heroverweging een aanvang nam van de positie ten aanzien van Napoleon. Er verschenen nieuwe biografieën die suggereerden dat men in moeilijke, roerige tijdens een mannetjesputter als Napoleon van node had. Leiderschap, sterk leiderschap zou Duitsland redden en dus verschenen er verschillende biografieën die de lezer erop attendeerden dat de democratie voor de gegeven omstandigheden niet de beste oplossing kon wezen.  Het komt me voor dat ik op die manier de biografie die Jacques Presser in Nederland schreef kan begrijpen als een antwoord op de pogingen in Duitsland om van Napoleon de keizer te maken die ze na WO I ten enen male misten[i].

Met andere woorden, van Peter Sloterdijk vernemen we in dit boek dat de cynische rede problematisch moet heten in de mate dat het een activistisch, voluntaristisch discours weet te brengen, waarbij men vaak goed weet dat men in wezen iets anders bereiken wil. Kijkend naar de actualiteit ziet men slechts weinig figuren die de dingen niet enkel zeggen zoals ze zijn, want dat is vaak, zo niet altijd de kern van de cynische rede, maar daarbij ook zichzelf in de waagschaal leggen en de toekomst veil hebben voor een goede oplossing. Hun eigen toekomst terwijl wie de cynische rede hanteert net de toekomst van anderen in het geding of het gedrang brengt.

Thomas Mann krijgt in deze studie een belangwekkende plaats, net zoals andere schrijvers uit de tijd van Weimar. Het refereren aan het cynisme - in een modieuze vorm van Raadsheer Behrens - in "De Toverberg" heeft me altijd wel een interessante zedenschets geleken. De operatie onder lokale verdoving van een tbc-patiënt loopt uit in een zinloze en oorverdovende lachbui. Ook wanneer Hans Castorp, de antiheld maar niettemin protagonist, naar het front trekt, misschien wel Langemark, zal de lach domineren. Maar het is geen vrolijke lach of lach die voorkomt uit het ervaren van het aangename. De lach expliciteert de cynische rede.

Bart Haers






[i] Over de aantrekkingskracht van zo een figuur en omgekeerd de afwijzing van andere kan men de instrumentalisering van de geschiedschrijving in een politieke en culturele context uitstekend duidelijk maken. Maar het vergt nog altijd heel wat zoekwerk om een en ander bij elkaar te brengen. 

Reacties

Populaire berichten