Debat over waarde van consumptie & arbeid



Dezer Dagen
Qu'ils mangent des brioches


Over economisme


Richard Sennett, de Cultuur
van het Nieuwe Kapitalisme.
Meulenhoff 2007. Misschien
getuigt het van overbodig
wantrouwen precies een essay als
dit naar voor te schuiven bij een
reflectie over Macht en Onmacht
maar het lijkt me wel een
belangwekkende benadering. 
Naar aanleiding van de verkiezingscampagnes van 2009, 2012 en 2014 vond ik het niet dwaas onder het moto van Marie-Antoinette een aantal reflecties op deze blog te plaatsen. Voor wie het vergeten was, de vrouwen van de faubourg Saint-Antoine - nu een welvarend arrondissement in Parijs - en andere trokken in 1789 naar Versailles waar de Etats Géneraux gehouden werden, om de hoge heren te laten weten dat de broodprijzen - toen nog meer dan nu basisvoedsel, omdat de aardappel nog niet de plaats van het graan had ingenomen die het in de negentiende eeuw kreeg - al te hoog opliepen. Er waren problemen geweest met de oogsten, maar men geloofde dat de graanhandelaren speculeerden met de aanwezige voorraden en de oogst die alweer niet geheel zou lukken, maakte de vrouwen wanhopig. De Koningin maakte er zich niet druk over, vond dat ze maar brioches moesten eten en demonstreerde, volgens de mythe de wereldvreemdheid van deze verwende dame. Wat wil men, als dochter van Maria-Theresia, Dauphine en vervolgens koningin van Frankrijk als echtgenoot van Louis XVI had ze nooit om een stuiver verlegen moeten zitten, want alles werd voor haar betaald, wat ze ook al niet wist.

Het zal verbazing wekken, maar wie de debatten over het bestrijden van de armoede volgt en wie de politieke discussies over de begrotingen al een paar decennia volgt, moet wel tot de conclusie komen dat noch Links noch rechts zich schromen, afhankelijk van hun plaats in het parlementaire plenum, meerderheid dan wel oppositie, blijk geven niet te weten hoe mensen hun leven ervaren. Gaan ze voort op het werk van sociologen, dan zouden ze nog eens om de tuin geleid kunnen blijken, want het welbevinden van mensen, mannen, vrouwen, kinderen, singles en gehuwde homostellen, krijgt men niet zomaar scherp in beeld want het valt niet mee te begrijpen hoe mensen met bepaalde waarden omgaan. Het gaat dan om de betekenis van betaalde en gestructureerde arbeid onder de regie van een contract conform aan de CAO voor de betrokken sector. Het hoeft ook niet, in een parlementaire democratie, in een rechtsstaat dat politici alles zouden weten over u of mij. Maar mevrouw Tinneke Beeckman heeft een punt de beperkingen van een louter pecuniaire benadering van het politieke beleid aan de orde te stellen.

Na de regeringsverklaring volgt altijd een debat en de discussies gaan, zoals mevrouw Beeckman beschrijft alleen over het pecuniaire. Voor en na de verkiezingen, de kwaliteit van het beleid blijkt slechts zelden een gelegenheid om de samenleving te bekijken als een complex gegeven, waarin mensen doen wat ze doen, ook als ze niet zo slim lijken als we zouden willen. Sinds de negentiende eeuw is er een sociologie ontwikkeld en een historiografie die van de economie de drijvende kracht maakte en alles zou kunnen verklaren.

Men stelt met het grootste gemak gewelddadige actie tegen de westerse samenleving vanwege jonge mensen met migratieachtergrond gelijk aan frustraties die zij zouden hebben opgelopen. Sinds de terreurorganisaties van de vroege jaren 1970, Baader-Meinhof oftewel de Rote Armee Fraction, Action Française het geweld dedouaneerden weten we wel zeker dat zij niet uit de arme buurten van Hamburg of Essen (Nordrhein-Westphalen) kwamen, maar moet men zoeken bij de betere middenklasse, studenten en brave meisjes met ambities. Ook Che Guevara, arts, was niet in armoede opgegroeid. Opvallend is zelfs dat Lenin, Trotzki ook geen armoezaaiers waren. Stalin zelfs zou men niet zomaar arm kunnen noemen, maar het komt er dan op aan de juiste lokale criteria en tijdsgebonden parameters voor hanteren. Vele working class heroes vonden hun ambitie door studie en hard werken, maar ook een veilig nest waar ze in opgroeiden. Waren die mensen per se rijk? Neen, maar men ontkent ten onrechte het bestaan van een middenklasse die wel hard werkt, maar ook inderdaad financieel redelijk veilig genoemd kan worden - dat dit altijd door een zwaar ongeval of door ziekte toch nog op de helling kan gezet worden, mag men evenwel niet uit het oog verliezen - net wel oog hadden voor andere dan financiële beslommeringen, maar zich ook met cultuur en welzijn inlieten. Marc Reynebeau schreef evenwel tot besluit van zijn magnum opus "Het klauwen van de Leeuw" dat de Vlaamse Beweging van geen betekenis kan zijn omdat het een zaak van de middenklasse was. Hij had wel gemeld dat de BWP onder leiding van Eduard Anseele op enig ogenblik gekozen heeft voor het afzien van taalstrijd, betekent niet, zoals Jean-Pierre Rondas ook beschreven heeft - de Nuttelozen van de macht - dat de arbeiders die zich gingen emancipeerden geen belang zouden  hechtten aan taal. Onder meer Marc  Reynebeau heeft er twee decennia geleden veel aan gedaan om het anti-identitaire discours te verspreiden. Men moet vaststellen dat dit discours regelrecht geworteld is in de discussie van het postmodernisme: een identiteit is een vals bewustzijn.

Onmacht kan immers voortkomen uit het feit dat men zichzelf niet meer herkent in de samenleving en niet als zodanig herkend wordt. De discussie over de vraag of discriminatie, of dat  ten allen tijde verboden is, bestreden moet worden, blijft problematisch, omdat men hiermee niet enkel feitelijke achterstelling van mensen maar ook emoties van mensen politiseert.

We gaan zelfs verder dan dat, we moraliseren vrij natuurlijk gedrag, dus naar willekeur en wetenschappers vertellen ons hoe weinig we maar hebben om fier op te zijn, dat wil zeggen, we doen allemaal hetzelfde in vergelijkbare omstandigheden of om analoge doelen te bereiken, van overleven tot genieten en onze eigenheid uitstallen. De premissen van evolutionaire psychologie, schreef Susan Neiman in "Afgezien van de feiten" gaan in tegen de vaststelling dat mensen niet alleen berekende, hardvochtige, egocentrische figuren zijn. Afgezien van de feiten kan men de driftkikker best het als de blauwdruk van de mens zonder opsmuk voorstellen. Wie dat gelooft, zonder daarom direct te denken aan Mother Theresa of Father Damian, mag toch eens proberen te focussen in de eigen omgeving. Zijn er echt geen dames die een ouder wordende buur bezoeken, die hen gaan helpen in noodgevallen, waarbij ze in wezen niet zo heel veel verwachten, want ze doen het gewoon, omdat ze het goed vinden?

Wat we doen, waarom en hoe, welke intenties eraan ten grondslag liggen kan men best maar eens vaker overwegen, om te vermijden dat we onszelf in een onhoudbare situatie werken. Guido Gezelle schreef al "bezint eer begint, maar denk al doende verder na". De morele beladenheid van onze levensomstandigheden mogen we niet uit het oog verliezen, denk ik, maar of we ons handelen - omdat we het niet altijd plannen of berekenen - daarom alleen onbewust of erger nog, vals bewust moet heten, draagt er niet toe bij dat we tot behoorlijke afwegingen komen.

De oppositie, bewegingen als hart boven hard hebben de gedachte met toeters en bellen gelanceerd dat deze regering harteloos zou zijn, mensen hun zuur verdiende geld uit de portemonnee zou peuteren, maar die oppositie, die meent dat men meer naar collectieve levensvormen moet tenderen, laten zien dat ze graag "de mensen" laten weten hoeveel mensen erbij inschieten. Politiek bedrijft niet op maat van het individu, elke berekening van de begrotingsvoorstellen naar individuele situaties kan alleen correct zijn als ze de incidenties van bepaalde maatregelen correct in kaart brengen. Het afschaffen van gratis bussen, het opschorten van vrijgestelde hoeveelheden gas, water, elektriciteit, die zonder meer door de collectiviteit van gebruikers en belastingbetalers diende betaald te worden, betekend voor mensen een meerkost, maar schept ook ruimte voor de overheid op budgettair vlak. Het blijft moeilijk de situatie van de ander te bekijken, want dat vergt nogal veel indiscreet voyeurisme, zodat men er toch eens toe zou moeten komen af te zien van dat domme vergelijken.

Rechtvaardigheid? Gelijke monniken, gelijke kappen? Zelfs dan zou een wat magerzuchtige, boomlange monnik wel eens uit de toon vallen als hij exact hetzelfde habijt zou moeten dragen als zijn corpulente, kortbenige confratertje. Maar het gaat zelfs daar niet over, maar over iets wat in onze cultuur steeds meer op de helling komt te staan, namelijk het gebrek aan vertrouwen in het oordeelsvermogen, waarbij men er ook niet vanuit hoeft te gaan dat mensen alleen bij zichzelf te rade gaan om ideeën, inzichten te vormen en tot acties over te gaan. Het valt me op dat maar weinig reflecties over het samenleven in dit oude Europa,  aandacht op te brengen voor de complexe band tussen het individuele en persoonlijke enerzijds en het maatschappelijke anderzijds en er niet altijd in slagen dat op een overtuigende manier met elkaar te verbinden. Autonomie van mensen was lang een mantra, maar men zweeg over het heteronome in het persoonlijke leven. Evenzeer bekijkt men vormen van beinvloeding tussen personen, binnen gezinnen alleen al, altijd negatief, waarbij machtsverhoudingen, c.q. paternalisme, belangrijker blijken dan mogelijke welwillendheid.  

Het goede samenleven komt echter wel  aan bod, zoals Bert Keizer dat beschrijft in zijn onderzoek naar het brein, bij Fernando Savater, Richard Sennett en ook Martha Nussbaum, Susan Neiman. Het probleem blijkt te zijn dat we ons bij  benaderingen van persoonlijk gedrag laten leiden door wat de statistiek mogelijk maakt te zien, terwijl net daar de methodes er al vaker blijk van hebben gegeven een bepaald mens- en wereldbeeld te willen ondersteunen. Er is armoede in deze samenleving en wie het treft, heeft het soms zwaar. Maar de oorzaken, de omstandigheden kunnen velerlei zijn, maar dat de sociale zekerheid, die werd opgebouwd door allen, moeten we in stand houden, niet terwille van dat stelsel, maar voor mensen die er terecht beroep op doen, niet zelden dik tegen hun goesting.

Het samenleven als thema komt bij Tinneke Beeckman meer dan gemiddeld aan bod, maar het blijft mij onduidelijk waarom zij, sprekend over wantrouwen, sprekend over en dus afwijzend de gemakzuchtige verklaring dat terroristen hun inspiratie halen uit frustrerende ervaringen, eigen aan een sociale groep, maar het gaat  om precies emotionele troebele individuele ervaringen van jongeren in de middenklasse die ertoe geleid hebben dat sommigen zover gaan naar wapens te grijpen. Maar de meeste ijken hun inzichten en gedrag aan enkele rolmodellen, zonder tot excessieve slogans te vervullen.

Het economisme, dat in het boek aangeklaagd wordt, herleid inderdaad gedrag tot berekening en linksom of rechtsom wordt personen het oordeelsvermogen ontzegd. Daar gaat Beeckman evenwel nog niet ver genoeg, want een geschrift waaraan zelden wordt gerefereerd van Richard Sennett, de cultuur van het nieuwe kapitalisme, (Meulenhoff 2007) geeft aan dat dit een wel opvallend kenmerk is van onze benadering van het individuele in onze samenleving; hij besluit dat  hij een paradox onderzoekt:

"wat ik in dit boek geprobeerd heb te onderzoeken is dus een paradox: een nieuwe machtsorde die door middel van een hoe langer hoe oppervlakkiger  cultuur wordt bereikt. Aangezien mensen zich alleen in het bestaan kunnen verankeren door te proberen iets goed te doen omwille van het doen zelf. is de triomf van de oppervlakkigheid op het werk, in het onderwijs en in de politiek in mijn ogen broos. Misschien zal een opstand tegen deze futloze cultuur wel onze volgende bladzijde vormen".

Het zijn de laatste lijnen van een boekje dat nooit ernstig ter discussie heeft gestaan. Kan men het onderzoek van Tinneke Beeckman niet in hetzelfde perspectief benaderen: haar kritiek aan het adres van het postmodernisme, neoliberalisme en de praktijk van de complottheorieën gaan dus wel niet over oppervlakkigheid, bij nader toezien onderzoekt zij wel aannames die zomaar en zonder weerwoord worden gedebiteerd. Het klinkt goed dat men strijden wil tegen onrechtvaardigheid en dat men tegen armoede wil strijden, maar, het zal wel een domme vraag zijn: waar zijn de armen? Oh ja, ervaringsdeskundigen, die blij zijn er beter voor te staan, komen in beeld. Er zijn schrijvers die met genoegen laten zien hoe grof en bot het leven in de marge van het samenleven eruit kan zien. Dat intussen mensen zeer bescheiden, soms na veel zweten en werken een zekere welstand bereiken en jawel, deze mensen gingen zich niet te buiten aan drank en ongeregeld gedrag, maar daar valt niet al te veel over te vertellen.

Het Kamerdebat dit jaar laat een verscherpte tegenstelling zien tussen links en rechts, waarbij links ons ervan overtuigen wil dat de regering ons het goede leventje niet gunt en de regeringspartijen net gesticulerend betogen dat ze mensen de kansen willen geven die nodig zijn voor het goede leven. Het blijft boeiend te moeten vaststellen dat beide benaderingen zich verliezen in het geloof dat economisch welbevinden de sleutel is tot levensgeluk. Natuurlijk is individueel welzijn verbonden aan sociaaleconomische perspectieven en zonder twijfel zal persoonlijk professioneel succes voor het welbevinden wezenlijk zijn.

Maar het is inderdaad niet afdoende dat men een goed inkomen heeft, maar ook dat men zich in zijn activiteiten wel bevinden kan. In het hele Kamerdebat is geen woord besteed aan de vraag waarom mensen werken en moeten werken. Men houdt statistieken bij en neemt niet aan dat mensen bereid zijn, door een van partners thuis te laten en op een andere manier zinvol te leven met minder rond te komen dan mogelijk zou zijn. Bovendien zijn er mensen die om allerlei redenen niet de job van hun leven vinden en daar behoorlijk onder lijden - maar desondanks toch proberen goed te leven. Lijden? Dat moet men wegwerken, want niemand moet lijden... Men sluit op die manier wel iets anders uit, dat zinvol kan heten: het vermogen de eigen omstandigheden, van fysiologische aard bijvoorbeeld, te accepteren en toch proberen verder te gaan, er iets van te maken.

Over het Verlichtingsdenken en het lijden is al veel inkt gevloeid. Verlichting, wantrouwen en vertrouwen? Het blijft een moeilijk thema, maar Tinneke Beeckman heeft meer dan een punt als ze zegt dat een bestel niet kan zonder wederzijds vertrouwen tussen overheid en burgers, tussen burgers onderling, maar uiteraard blijft het ook zaak niet zomaar in het ootje genomen te worden. De Verlichting heeft, zoals mevrouw Beeckman niet ophoudt te betogen meer gebracht dan een paar mantra's ook over het belang van de economie en precies Adam Smith wist te vertellen dat moraal ook aan de orde is - niet de moraal voor anderen. Authenticiteit, zoals Rousseau het stelde, blijft bij haar een belangwekkend punt, maar Rudiger Safranski toonde aan dat Goethe een andere vorm van authenticiteit presenteerde die meer rekening hield met de andere. Goethe, de man die zich graag in allerlei gewaden hulde, zich nu graag vermomde om zijn omgeving te plezieren en op het verkeerde been te zetten, schreef met zijn autobiografie "Wahrheit und Dichtung" een vorm van bekentenissen die vooral anderen wilde ontzien, zijn moeder bijvoorbeeld die hij, na zijn vertrek uit Frankfurt niet zo vaak meer heeft gezien.

De waarheden die wetenschappers halen uit langdurige onderzoeken en die te maken hebben met vele facetten van de natuur der dingen, maar ook met het leven van mensen in een brede omgeving van bekenden, vrienden en magen, zijn niet van dezelfde aard. Als Jan Blommaert over de democratie en het falen ervan schrijft, komt hij uit bij vergelijkbare inzichten, zoals het feit dat men na kritische analyse een inzicht kan afwijzen, maar ook kan onderschrijven (Jan Blommaert, De Crisis van de Democratie Epo 2007). Maar hoe, vraag ik mij af, zou dat moeten verlopen: de waarheid van een economisch theorema uitrollen in de praktijk, zonder grote schade aan te richten.  De burgers in Venezuela laten zien dat bepaalde ideologische aannames in de praktijk tot armoede, verarming en het verlies aan kansen leiden moet. Toch blijkt men hier graag aannemelijk te maken dat Podemos in Spanje wel eens een lichtend voorbeeld zou kunnen worden. Het punt is dat zij inzichten voor waarheden houden, zonder dat er ruimte is andere mogelijkheden te overzien.

Het blijft opvallend, dezer dagen te moeten vaststellen dat men zo geobsedeerd is met de rijkdom van enkelen. Soms zorgen we daar zelf toe bij, door massaal voetbal in de Premier League te willen zien of tenniskampioenen luide te blijven toejuichen. Die mensen die voetballen, tennissen mogen best een aardige stuiver verdienen, zoals de eigenaren AB IMBEV best genieten van onze bereidheid hun bieren te drinken - eerlang zal men haast alleen nog hun bieren drinken heet het - maar er bestaat regelgeving die te sterke marktpartijen verplicht delen van de onderneming af te stoten bij een fusie. Mikt men voortdurend op de  1% dan mag niemand die 99 % anderen over een kam scheren. Het falen van de geschiedschrijving over de Aufklärung, de Verlichting bestaat hierin dat men de veranderingen in de samenleving, in bijna alle landen van Europa en de ontwikkeling van een stevig verankerde middenklasse negeert. Denis Diderot behoorde tot die klasse van goede ambachtslui, Messenmaker, Voltaire kwam voort uit een familie van juristen, verbonden aan het Parlement van Parijs, die zich ontwikkeld had tot een nieuwe adel en Rousseau, die weigerde dat soort spelletjes mee te doen, die bleef zichzelf. Maar ook Herder, Adam Smith en anderen kan men sociaal-economisch duiden, professioneel in een hokje steken. Maar het zegt nog niet zo heel veel over hun denken, behalve dan dat ze zich zeker genoeg voelen om de trossen los te gooien.

Het economisme zal ons inzicht eerder verdoezelen, omdat het geen rekening houden kan noch wil met wat mensen nog van waarde achten. Tinneke Beeckman schetst daarom met goede argumenten een minder gepolariseerd beeld van de periode die we kennen als de Verlichting en van het denken van de Verlichting zelf. Ook betoogt zij dat men Nietzsche niet moet zien als alleen de voorloper van het grote wantrouwen dat het postmodernisme ons bracht. Nietzsche heeft, zoals Sloterdijk in zijn essay "Du musst dein Leben änderen" exhaustief onderzocht er inderdaad precies op aangedrongen dat we waarachtigheid zouden oefenen en begrijpen dat we als mensen, ook al zitten we gevangen in de eeuwige wederkeer, best in staat geacht mogen worden tot meer in staat te zijn dan onmachtig volgen van wat anderen doen. Voorbij wantrouwen, angst, haat, is er ruimte voor bewondering, voor kritiek volgens een geschikte methode en kunnen we over onze angst heen geraken.

De voorstelling als zouden we allen slachtoffers wezen van de anderen, tot slot helpt daarbij niet. Overmoed dient nergens toe, maar het futloze debiteren dat mensen geen slachtoffer mogen zijn, verkleint mensen. Het economisme draagt ertoe bij en dient daarom op de korrel genomen.

 Bart Haers



Reacties

Populaire berichten