over complotdenken en intellectuele smetvrees



Reflectie


Tussen complot & verklaring
over het oordelen

Richard Nixon kon niet aan een empeachment
ontsnappen en trad af voor het Congres de nodige
stappen kon zetten. Het was nieuws in die dagen
en zo leerden wij dat journalisten echt waardevolle
informatie kunnen opsporen en aanbrengen.
Hier waren mensen aan het werk die begrepen
dat ze de info niet zomaar zouden krijgen, vooral
niet omdat de bewakers van de geheimen der goden,
Nixon op kop, uitermate paranoïde keken naar
de pers. Watergate was een complot en
die het onderzocht moesten van die
gedachten uitgaan om de bewijzen te
vinden. 
Tinneke Beeckman hecht in haar boek "macht en onmacht" nogal wat belang van het complotdenken dezer dagen en beschrijft uitgebreid wat er aan de hand is en waarom zoveel mensen menen dat ze niet over alle informatie beschikken die leiden tot besluitvorming. Of bij tragische gebeurtenissen durft men wel eens de verklaringen van onderzoeksrechters en/of -commissies onvoldoende te bevinden.

Hoe vaak komt het voor dat men de overheid niet geloofd of de media en op zoek gaat naar andere, betere verklaringen, waarbij men desnoods de inzichten van experten van tafel veegt. De kritische methode kan hier helpen, maar de intentionaliteit de anderen te bedriegen mag men, gezien recente en minder recente ervaringen niet ontkennen. Mensen met autoriteit? Ze brengen een en ander om ons te overtuigen, maar zoals mevrouw Beeckman aangeeft, dat doen ook complotdenkers, waarbij men bewust niet meegeeft wat tegen de gekozen koers ingaat. Het gevolg is dat media dan de onduidelijkheden, lees: de ommissies toch uitbrengen. Hans Wiegel pleit er in Nederland voor dat men afstand zou doen van de diensten van spindoctors, omdat dit het debat zou verstoren en hij heeft een punt. Dat politici vertrouwen willen uitstralen wordt ook tegengesproken, maar vooral de kwaliteit van de communicatie zorgt voor een problematische situatie, want de burger krijgt niet te horen wat er gaande is. Nu besteedt de filosoof - ook in dit boek weer - aandacht aan het hanteren en omgaan met macht, waarbij ze ons con gusto de lectuur van Macchiavelli aanbeveelt. Men kan het lezen als een handleiding om zelf de listen en lagen te hanteren, maar het kan ook gelezen worden als een waarschuwing: zie hoe men met macht kan omgaan. In dat kader zal men het inroepen van de hulp van spindoctors billijken. Men zal begrijpen waarom Collin Powell in de VN de kluit belazerde - al weet ik niet zeker of hij er echt veel vertrouwen in had dat men hem zou geloven, want telkens als ik de beelden van die vergadering zie, merk ik dat op dat hij er tegen zijn zin staat - in verband met de voorraad inzetbare wapens voor massavernietiging die Sadam Hoessein zou hebben opgebouwd.  

In mei 1986 deed er zich in de Sovjetrepubliek Oekraïne een zware nucleaire ramp voor, waarvan pas toen nucleair stof buiten het domein van de satellieten van de SU kwam de omvang helemaal duidelijk werd. Wel had men seismografische aanduidingen gekregen maar de gebruikelijke geheimhouding zorgde voor enige vertraging, maar Gorbatshov wilde wel informatie delen, opgeschoond dan wel. Echter, groot was mijn vertaling toen de eigen overheid bij monde van onder meer de weerman gebood geruststellende informatie te geven en de werkelijke risico's op bestraling onder tafel te houden. De uitermate beroemde weerman zou pas jaren later de houding van de toenmalige minister en haar diensten opbiechten. Zonder exacte kennis van windrichtingen en van de wijze waarop nucleaire lucht zich in verschillende luchtlagen beweegt werd duidelijk - voor toehoorders - dat hier iets werd achter gehouden. Aangezien niemand iets kon doen tegen de fataliteit, werd er eerder berustend over gesproken. Maar het feit dat geen enkele wetenschapper geen enkel medium bereid vond om zijn visie te geven... stemde velen ongerust.

Ik vrees dat men zal moeten aannemen dat de overheid niet altijd bereid is de overheidsdiensten en wetenschappers op hun woord te geloven. Meer nog, in de sector van de gezondheidszorg en de preventie horen we nu eens dat boter ongezond is, dan weer brood en vervolgens margarine. De wetenschappelijke data kloppen wellicht, maar als het om statistische grootheden gaat, om probabiliteiten is er wel een en ander aan de hand.

Herman De Dijn schreef over een werk van Toulmin dat die in zijn "Return to reason" dat verschillende wetenschappen eigen benaderingen, methodes en vormen van rapportering hebben. Tinneke Beeckman weet dit ook uitstekend, maar in haar boek laat zij zien dat we de wetenschappers niet meer vertrouwen, althans niet die mensen die op zoek gaan naar mogelijke complotten. Nu, de postmoderne humane en sociale wetenschappers hebben de basis van hun eigen kennis en de betrouwbaarheid ondergraven. Men heeft schande gesproken over de praktijken van de sociaal-psycholoog Diederik Stapel, die zelf de antwoordformulieren invulde, wat zelfs zijn directe medewerkers niet mochten weten maar blijkbaar wel doorhadden. De peer review als filter voor betrouwbaarheid werkte niet. Stapel vloog, maar de peers die zijn bevindingen niet in vraag stelden, bleven onbesproken, want anoniem voor het brede publiek. Wellicht kan de sociale psychologie ons heel wat bijbrengen, zoals Han Fortman beschreef in "intleiding tot de cultuurpsychologie".

Er is evenwel meer aan de hand, want de standaarden van tijdschriften, het systeem van quotations en peer review hebben een aantal keer tot discussies over de betrouwbaarheid geleid, met als uiterste situatie dat een gereputeerd onderzoeker zijn baan verloor. De mensen die instonden voor de peer review, bleven, zoals gezegd, zitten en er werd niets over gezegd. Het probleem van peer reviewing kan zijn dat bepaalde aannames stilletjes ingesleten raken.

Mag mevrouw Beeckman zomaar aannemen dat mensen Piketty op zijn woord geloven? De onderzoeken die hij uitvoerde, ogen indrukwekkend, maar kan men zomaar stellen dat zijn meetmethodes om ongelijkheid vast te stellen en de evolutie ervan na te gaan wel tot een betrouwbaar antwoord kunnen leiden? Mevrouw Beeckman laat zien dat de discussie over ongelijkheid zelf wel ter discussie moet staan, omdat ze vaststelt dat in het postmoderne denken economische indicaties betwijfeld worden alsook de methodes. Met Bruno Latour kan men vaststellen dat men de eigen aanpak niet aan zelfkritiek onderwerpt.

Het punt kan zijn dat het wantrouwen in de wetenschappen bij mensen voortkomt uit persoonlijke ervaringen, waarna bij het zoeken van een second opinion de eigen intuïtie ingevolgd lijkt te worden. Het hangt er ook van af in welke mate een kwestie een zaak van leven en dood zou zijn. Toch kan men aan het verhaal van de Belfortgroep zien dat sommige mensen echt wel menen dat hun klachten, hoewel niet meetbaar, toch gehoord moeten worden. Denkende aan de straling van bovengrondse hoogspanningslijnen, kan ik nog altijd begrijpen dat men uitlegt dat die hoogspanning voor verstoring van mangetische velden zorgt. Men zal begrijpen dat wellicht wel meetbaar is, maar dergelijke metingen verlopen niet in een laboratoriumsituatie.

Beweer ik nu dat geen enkel domein onvatbaar voor twijfel zou zijn. Niet echt, want hoe men tot gerede twijfel komt heeft ook belang en op dat terrein kan men er niet onderuit dat wie geen vertrouwen meer wil of kan stellen in de kennis en oprechtheid van wetenschappers men vaak moet vaststellen dat dit wantrouwen niet op goede gronden berust. Maar het is altijd wel mogelijk en men zou kunnen onderzoeken, gegeven het feit dat vele mensen die niet zo heel veel fiducie kunnen opbrengen misschien wel vragen hebben omdat ze de geleerde heren kennen. Maar belangrijker nog is dat ze maar al te goed vertrouwd zijn met de methodes, ook met de fondsenwerving om onderzoek te verrichten.

Wat staat dan naar mijn mening overeind? Dat het perfect mogelijk is in verschillende domeinen betrouwbaar onderzoek te verrichten en ook betrouwbare resultaten aan te leveren. Als het mis zou gaan? Kan altijd maar dan komen we misschien wel op het domein van de fraude. Maar in principe is het probleem er niet een van fraude versus glasheldere methodologische zuiverheid, want men zal niet beweren dat het wetenschappelijke terrein onderhevig zou zijn aan oneerlijke praktijken. Maar de twijfel gaat doorgaans opduiken in domeinen die mensen direct raken, zoals de volksgezondheid, medische mogelijkheid, ruimtelijke ordening en de sociale rechtvaardigheid. Toulmin stelde, zo denk ik, vast dat precies in deze domeinen de natuurwetenschappelijke methode niet altijd zuiver op de graat kan zijn omdat men metingen doet zonder werkelijk te beheersen laboratoriumopstellingen te kunnen hanteren.

Jan de Laender schreef een belangrijk werk over hoe we ons nogal te buiten kunnen gaan aan wreedheid, "In het hart van de wildernis". Het hoofdstuk over het Milgram-experiment vond ik wel relevant in die zin dat Jan De Laender niet geheel overtuigd was - met anderen - over de deugdelijkheid van het experiment zelf en dat alleen al omwille van de deelnemers.  Interessant is dat hij in een artikel over menselijke wreedheid, extreme menselijke wreedheid de historici verwijt dat die gemakkelijk een muur leggen tussen de onderzoekers en de lezers enerzijds en de daders die met een pathologie omschreven worden. Jan de Laender meende wel dat we ons moeten hoeden voor het absolute gezag dat we anderen zouden geven, ook wetenschappers, maar tegelijk dat we waarheden niet zomaar voor absolute gereveleerde waarheid houden. Tinneke Beeckman geeft dit ook aan, maar zij meent dat we op zeker moment moeten aannemen dat een bepaald inzicht betrouwbaar is.

Mag ik het mij veroorloven dat de zoektocht naar complotten voor sommige mensen een hobby blijkt en voor andere mensen de uitdrukking vormt van een diepgaand wantrouwen jegens expertise, maar ook hier kan de persoonlijke betrokkenheid een grote invloed hebben en gezondheidsproblemen of een bepaalde idolatrie wegen door, zoals mevrouw Beeckman de lezer meegeeft.

Betrouwbare wetenschap? Wie zou het niet willen... Maar hier komt de kat op de koord, want het wereldbeeld van de Wetenschap en dat wat wij ervan maken durft wel eens te verschillen, in die zin dat we inderdaad niet moeten aannemen dat 2 + 2 = 5, maar dat men fenomenen kan beschrijven als functies die in hun grafische voorstelling zelfs niet in het oneindige met een denkbeeldige volmaaktheid blijken samen te vallen, hoor ik in het gesprek zelden. Of wat met irrationale getallen, onder meer π, maar ook , omdat het zoals de stelling van Pythagoras laat zien de som is van de kwadraten van twee rechthoekzijden, die elk als lengte 1 hebben.

Mij stoort het als filosofen zoals Johan Braeckman voortdurend beweren dat we in een volslagen gedetermineerde wereld leven, waar alles altijd gevolg is van een oorzaak - ook al kunnen we niet altijd de vinger leggen op de ware oorzaak. In de evolutionaire biologie krijgt dat een pendant in de gedachte dat ons gedrag al moet ingeschreven zijn geweest in het gedrag van onze voorzaten. Ongetwijfeld is dat ook zo en het kan best belangwekkend blijken dat in de homo habilis al iets als voorouderverering aanwezig is of enig altruïsme dat niet herleid kan wordt tot reëel egoïsme. Susan Neiman beschreef dat het streven van de Evolutionaire Biologie er wel in bestaan moet dat een bepaald mensbeeld wordt gepresenteerd als natuurlijk en evident onomkeerbaar: men kan proberen wat beschaving aan de dag te leggen, in werkelijkheid zijn we niet beter dan de chimps die we in natuurfilms op ons bord krijgen.

De wetenschap staat zelf niet boven discussie en laten we best niet als een fetisj fungeren, zoals in het sciëntisme wel het geval is. Wil men tegen aannames of dogma's als die over de door een godheid geschapen wereld inzichten als die over het uitdijende heelal en de theorie van de Big Bang of de evolutietheorie inzetten, dan volstaat het niet telkens weer die mantra's te herhalen, maar die geduldig uit te leggen. Mag ik er geen complot in zien dat het boek van Philip van Loocke, Het wereldbeeld van de wetenschap"[i] in de brede media geen aandacht kreeg, noch bij verschijnen, noch later als bron voor interessante inzichten die men met het publiek kan delen, dan getuigt het wel van onwil en paternalisme. Het blijft evenwel een aangelegenheid van algemeen belang dat mediamensen niet enkel hun eigen stokpaardjes berijden, maar net nieuwsgierigheid aan de dag leggen.

Toch heeft Tinneke Beeckman goede argumenten om het vraagstuk aan te snijden dat mensen zo bereid lijken zich aan complotdenken over te geven en de verleiding niet kunnen weerstaan onbevredigende verklaringen voor rampen of crises te gaan zoeken in kwade wil van machthebbers van velerlei aard, dat wil zeggen, politie, leger, geheime diensten, regeringen, grote bedrijven of verdorven genootschappen. Daarom ook probeerde ik in mijn reflectie aandacht te vragen voor het soms a-wetenschappelijke klimaat dezer dagen. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, leven we, zoals Beeckman het voorstelt inderdaad in een sfeer waarin technologie onze zielenzaligheid uitmaakt, maar het wetenschappelijke kennen, dat is stof voor quizvragen. Technologie, dat is ggo, hernieuwbare energie, nieuwe (composiet-)materialen en het vermogen problemen van technische aard op te lossen. Zo gesteld kalft dat vertrouwen bij velen ook al weer af en het zou Tinneke Beeckman niets verbazen dat mensen juist op dit vlak, dat van de "technè" redenen tot complotdenken te vinden. Hoezo scheurtjes in de kerncentrales? Slecht beton of zou het niet net zo zijn omdat de meetinstrumenten dermate verder ontwikkeld zijn dat men nu scheurtjes kan zien die men tijdens de bouw niet kon zien. Zou de vraag niet kunnen luiden: komt er straling door en hoe zeker is het dat de betonplaat op dat vlak voldoende beveiliging levert? Eerlijk is eerlijk, het Fanc doet ongetwijfeld wat moet, maar zitten de ingenieurs niet in een lus gevangen? Een antwoord heb ik niet, maar de discussie, zeker voor zover die in de media komt, stelt me wel eens teleur.


Maar de filosoof vraagt ook meer zorg te besteden aan het denken, aan het bevattingsvermogen van anderen ook. Wil men (gevoelens van) onmacht voorkomen, dan volstaat het niet een klip en klare argumentatie te krijgen, want die argumentatie bouwen we op in een retorisch kader.

De Verlichting leerde dat we kunnen denken en dat we kunnen oordelen; daar waren precies mensen als Montaigne en Erasmus van overtuigd en ook Spinoza heeft daar het zijne toe bijgedragen. Kant schreef niet voor niets een Kritik der Urteilskraft en Hannah Arendt vond dat een belangrijke faculteit, eigen aan mensen. In die zin gaat Tinneke Beeckman dus terecht zover om zich over de complottheorieën te buigen als argument voor haar bezorgdheid dat het met de Verlichting dezer dagen niet zo goed gesteld is. Er zit in het boek stof tot nadenken, het laat niet toe er bouwde stellingen uit te distilleren, wel roept het op tot een intellectuele hygiëne, maar niet tot doorgedreven en asceptische reinheid. De denker lijde niet aan geestelijke smetvrees. Wordt het te vies, dan was men de handen, ook dat kan al denkend.

Bart Haers




[i] http://kwestievanverwondering.blogspot.be/2012/03/blijven-kijken-en-proberen-te-begrijpen.html

Reacties

Populaire berichten