Over discriminatie



Kritiek


Over het bestrijden van
Discriminatie
Waar ging men de mist in

"Je suis le poure diable" anonieme
gravure 16de eeuw. Ik ben de
arme duivel, of lepra als
gevolg van omgang met de
duivel? Discriminerend? Toen wel
niet. Al waren er wel mensen die
de zorg op zich namen voor die arme
drommels. 
Nog tijdens WO II begreep men dat de behandeling van mensen die men mocht diskwalificeren als zodanig, omdat ze joods waren, begon een belangwekkend debat over hoe men dit soort ontsporingen zou kunnen vermijden en eventueel onmogelijk maken. Intussen bleef een groot deel van de Amerikaanse samenleving verstoken van burgerrechten omwille van hun huidskleur en werden vrouwen na de oorlog terug naar de haard gedreven, hoewel die mee de oorlog hadden gewonnen.

In het handvest van de Verenigde Naties en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ontstond ook een boeiende en vooral belangwekkende discussie over het belang van de negatieve, die mensen moeten vrijwaren van inbreuken op hun fysieke en geestelijke integriteit. Deze vrijheden van, zo meende onder meer Isaiah Berlin zouden moeten volstaan, terwijl later een aantal mensen gingen pleiten voor positieve rechten, dat wil zeggen dat mensen het recht hebben op goede gezondheidszorgen, op onderwijs en op veilig onderdak. Het blijft van belang te onderkennen dat deze positieve rechten ook van belang zijn, maar ze moeten wel omzichtig uitgewerkt en gerealiseerd worden. Over onderwijs schreef ik al een en ander, maar het kan moeilijk ontkend worden dat degene die onderwijs krijgt ook een bijdrage te leveren heeft, in de vorm van inzet. Gaat het niet, dan moet er andere richting gezocht worden. Oh ja, vrijwaring van kwelling, foltering is in deze context van onderwijs van toepassing, mag ik hopen.

We moeten dit wel expliciet stellen omdat dezer de neiging hardnekkig de kop opsteekt dat in de discussie over xenofobie, Islamofobie en homofobie elke reflectie over de rechten van de mens en het verbod op discriminatie al als een aanslag op dat verbod wordt beschouwd en daar lopen de discussies vast. Maar wanneer kan men spreken van discriminatie?

Anders gezegd, kan men, eens een emancipatiebeweging bepaalde verbeteringen verworven heeft voor de groep, nog wel te pas en te onpas over discriminatie spreken? Hoe zal men dat juridisch hard maken? Of moeten we aanvaarden dat het probleem zich nooit zal oplossen? Ooit had ik het erover dat wie met een fobie zwaait, tegen de eigen groep, hekkens rond de wet blijkt te plaatsen en dat elke uitspraak over een moslim, over de Islam als islamofoob wordt weggezet en de auteur ervan in de ban van de weldenkende gemeenschap geslagen.

Overigens, is het niet zo dat men ten aanzien van denigrerende uitspraken naar vrouwen toe, naar de vrouw toe, geen fobietjes in de aanbieding heeft. Misogynie is vrouwenhaat en sommige mannen zijn onverbeterlijk, maar die haat uit zich doorgaans eerder in negeren dan in handtastelijkheden. Goed te keuren valt het niet, maar of het echt maatschappelijk relevant is, valt nog te bezien. De vrouwen de toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt ontzeggen is van een andere orde, maar we zien in Europa dat vrouwen in België meer dan in Nederland aan de slag zijn omdat de kinderopvang beter geregeld is. In Duitsland blijken goed opgeleide vrouwen minder geneigd aan hun kinderwens tegemoet te komen, wat met zich zou kunnen meebrengen dat jonge kinderen vooral in gezinnen geboren worden waar de opleidingsgraad lager zou uitvallen. Inderdaad, een risico op het overweldigen door demografische verschillen binnen de samenleving is niet denkbeeldig. Maar waarom zouden die kinderen op school minder moeten presteren? Vooroordelen van leerkrachten, zegt men dan. Zonder een goed zicht op de onderwijsevolutie in Vlaanderen zal men dat soort verklaringen kunnen blijven debiteren, terwijl in Vlaanderen reeds na WO I de emancipatie via onderwijs sterker werd en meer mensen kon meenemen in nieuwe sociale ontwikkelingen. Het dwepen door vooraanstaande figuren, zoals bijvoorbeeld Philippe Herreweghe, die 12 jaar op Sint-Barbaracollege, Gents Jezuïtencollege, rond mocht lopen en een diploma halen, geneeskunde ging studeren en vervolgens een zeer gewaardeerd musicus werd, maar in een radioprogramma meende te mogen zeggen, dat hij en zijn familie het niet zo breed hadden. Kan best, maar hij kreeg onvoorstelbaar veel kansen, toch?

Natuurlijk moet men de gevolgen van discriminatie niet onderschatten, maar het valt op dat men daarvan een strijdmiddel heeft gemaakt, in zoverre dat mensen er niet meer in mee willen gaan, het niet meer geloven. Glazen plafond? Het zal wel dat niet alle vrouwen de top halen, maar in tussen blijken jongens in het lager en secundair onderwijs het moeilijker hebben om tot hun recht te komen. Homo's klagen terecht dat ze in sommige wijken van onze steden aangepakt worden, bedreigd en geslagen worden. Daar moet men niet afdingen, want niemand, geen burger mag de hand opheffen tegen andere burgers, om welke reden dan ook. Wat dan opvalt is men tegelijk moet - zegt men - de dadergroep aangepakt worden, dezelfde die jonge meisjes wel eens een ongemakkelijk gevoel bezorgen - wie gaat nu aan een vrouw vragen hoeveel het kost? - wat die dadergroep dan weer het recht geeft te klagen dat ze geviseerd worden.

Maar discriminatie staat niet op zich, het gaat ook om het verheerlijken van het slachtofferschap[i], wat sommige mensen dan een aura van respectabiliteit geeft. Wie dan nalaat te klagen, mag niet klagen, moet de conclusie zijn, maar dan vergeet men dat we als omstanders wel kunnen zien dat mensen redenen hebben om te klagen maar liever de rug rechten.

In het geraas over discriminatie, bij het voortdurend neerleggen van klachten over discriminatie merkt men wel eens dat andere benaderingen erbij ingeschoten zijn. Boris Cyrulnik, die als zoon van Oekraïense ouders, Joodse mensen de oorlog overleefde door het optreden van allerlei mensen, waarover hij eerst het verhaal vertelde dat men had meegegeven en later ontdekte dat het verhaal nog anders in elkaar stak, zonder dat dit m.i. de waarde van het eerste verhaal teniet doet, maar wel in een ander perspectief zet. Belangrijk dan die biografische verwarring, die de man zelf heeft opgelost in een mooi werk, "Sauve-toi, la vie t'appelle" door de verschillende versies met elkaar te confronteren, acht ik zijn visie op weerbaarheid en veerkracht. Het past nu net niet in het verhaal over slachtofferschap omdat Boris Cyrulnik meent dat men geen slachtoffer kan blijven, noch van kleine grieven noch van grote misdaden.

Wil dat zeggen dat men geen oog moet of mag hebben voor wie anderen discrimineert? Zeer zeker wel, moet men mensen die er slachtoffer van zijn bijstaan, maar willen we hen zinvol bijstaan, dan moet men proberen hun veerkracht aan te spreken, zodat mensen zichzelf boven die vernederingen kunnen zetten en hun leven opnieuw vrij en vrank kunnen aanvatten. Een nieuw begin, zegt Cyrulnik is wel degelijk mogelijk, al kan het enige tijd duren voor men over diepgravende trauma's heen is.

Waarom ik de visie van Cyrulnik op het omgaan met trauma's inzet? Omdat het cultiveren van slachtofferschap ertoe kan leiden dat men nooit iemand anders kan zijn dan dat slachtoffer, dat slachtofferschap zelf. Komt mij eerlang zeggen dat ik gemakkelijk praten heb in deze, dan weet ik inderdaad beter, maar net daarom acht ik het raadzaam dat gedoe rond discriminatie en slachtofferschap terzijde te schuiven. Maar eenvoudig is dat ook niet, want anderen aanzien iemand altijd omwille van wat gebeurde en dus heeft men tijd nodig om zich aan dat beeld dat anderen van iemand heeft en daaraan hechten te ontkomen.

Het ziet er immers naar uit dat we geleidelijk aan allemaal op de een of de andere manier wel slachtoffer mogen zijn of onszelf als zodanig presenteren. De een leed aan ADHD, de ander kan niet goed mee op school, maar een gehandicapte, die echt lijdt aan Down of andere multipele mentale aandoeningen, die kan er zich zelfs niet op laten voorstaan slachtoffer te zijn.

Ik herinner me nog, dat rond 1982, 1983 de gesprekken over AIDS begonnen te gaan en dat tegelijk mensen openlijker vertelden dat ze homo waren of lesbienne of bi... Er werd ook wel duchtig geëxperimenteerd met identiteiten maar vooral met sexpartners. Maar we wisten nog nauwelijks dat tien, vijftien jaar voordien mensen nog in de psychiatrie kwamen omdat. Gelukkig - ? - was ik te lelijk om te helpen donderen en ik hield ook wel meer van vrouwelijk schoon, maar er zijn toen wel enkele mensen in mijn omgeving ziek geworden, hoewel de grotere uitbrak en - voor zover ik het heb ervaren - tien jaar later, rond 1990 ravages aanrichtte. Achteraf gezien, was dat een tragische samenloop van omstandigheden, want de emancipatie van homo's ging gepaard met een aandoening die aan hun risicovolle gedrag gelinkt kon worden. Michel Foucault stierf ook aan de ziekte. Maar of hij zich een slachtoffer zou gevoeld hebben, valt nog te bezien.  

Discriminatie inroepen? Sommige mensen zien overal discriminatie voorkomen, maar zij vergeten dat men dat men juridisch moet kunnen bewijzen en soms, tja, is er sprake van gebeurtenissen waar niemand de hand in heeft. Hoe moet men blinde mensen beklagen, die geen film kunnen zien of niet naar Michaël Borremans' werken kan kijken en ervan genieten? Arnold Burms zegt dat de blindheid en het feit dat mensen daardoor van bepaalde genoegens verstoken blijven, geen vorm van onrechtvaardigheid mag heten. Sommige handicaps, aandoeningen waardoor men niet ten volle kan leven of deelnemen aan het leven van de anderen, zijn er gewoon, omstandigheden, aangeboren of anderszins en als die niet medisch verholpen kunnen worden, dan kan men proberen, hopen dat men een oplossing vinden zal, acceptatie bijvoorbeeld. Dat men slechtzienden kan helpen iets te laten zien van al het schoons of een blinde een bloem te leren waarderen, kan men onmogelijk vinden, maar het gebeurt wel en kan men zeker waarderen. Maar beklagen en iemand sterken in het zelfbeklag lijkt evenwel een brug te ver. Alleen, dan moet men andere wegen bewandelen en met de betrokkene het gesprek aangaan over wat hij of zij van belang acht en of die persoon over mogelijkheden beschikt om met het eigen "gebrek" om te gaan. Maar de natuur onrecht aanrekenen, daar komen we niet verder mee.

Men hoeft niets af te doen aan het belang van het verbod tot discrimineren in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, om te vatten dat sommigen in onze contreien vinden dat er al sprake is van discriminatie als iemand iets zouden denken - in gedachte zondigen - over de plaats van een ander in de samenleving. Het valt me overigens op dat het zo moeilijk lijkt de samenleving te denken als tegelijk een conglomeraat van individuen met eigen karaktertrekken, uitwendige kenmerken die hem of haar ten gunste onderscheiden en tegelijk te begrijpen dat het deel hebben aan die gemeenschap, samenleving een individu op een ander niveau kan tillen.

Sprekend over eenzaamheid van mensen vergeet men dat we die kunnen opheffen, ook al is die andere om persoonlijke reden geneigd de boot af te houden. Het leven doet inderdaad niet altijd het volle leven cadeau en dat maakt dat we toch zullen moeten aanvaarden dat onze plaats niet altijd verzekerd is. Niet dat we erom moeten vechten, in de betekenis van agressief onze plaats veroveren. Er zijn andere mogelijkheden, maar die hebben met cultuur te maken en met cultuurpsychologie. Toch kan ik in deze ook verwijzen naar de visie van Arnold Burms, zoals Bart Pattyn die heeft beschreven.

In het vigerende klimaat lijken gesprekken te moeten leiden tot een resultaat, dat de ene de andere overtuigen kan en dat de andere dat ook aangeeft. Door om de haverklap discriminatie in te roepen, wil men iets gedaan krijgen, maar beperkt men ook de ruimte tussen gesprekspartners om te zien wat er gaande is[ii]. Maar het laat zich aanzien dat deze visie, die  aansluit bij wat Hannah Arendt als het politieke wil beschouwen, waarbij ze aan het handelen een groot belang hecht en precies in het voeren van gesprek een belangrijke vorm van handelen ziet, eerder dan in het uitspreken van bevelen of anathema's, vandaag weinig aanhang heeft. Het systeem van Arendt, de vita activa berust overigens net op de spanning tussen personen die de verschillen tussen hen oproepen, zonder dat dit tot geweld moet leiden, wel integendeel.  

Men zal altijd weer vaststellen dat in onze contreien vormen van discriminatie aangeklaagd worden en dat de slachtoffers - zij die zich als zodanig aandienen - best bij machte zijn voor zichzelf op te komen en voor de eigen groep. Mogen zij niet wijzen op geleden onrecht? Zeer zeker wel, maar het blijft de vraag of ze daarmee niet ook een zekere afkeer opwekken bij de ander. Men kan ook opkomen tegen de discriminatie van derden en dat is uiteraard lovenswaardig, maar men moet dan ook wel goed aangeven hoe de vermeende discriminatie functioneert: stations die moeilijk toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers zijn doorgaans ook voor andere mensen moeilijk te betreden. De stations aanpassen kan dan ook als een zaak van een algemeen belang gezien worden in plaats van een specifieke ingreep voor een bepaalde groep.

We moeten natuurlijk strijden tegen onrecht. Wie zal dat ontkennen? Maar tegelijk kan men er niet omheen dat mensen de indruk hebben dat ze voortdurend van slechte gedachten verdacht worden, onwetend zouden zijn. Maar soms kan het besef niet te weten ook een kracht zijn, want soms kan weten, gedeeltelijk weten tot naar gedrag leiden. We zullen moeten proberen niet ten onpas anderen discriminerend gedrag voor de voeten te werpen. Een gesprek kan veel helpen. Want nu blijkt het verbod tot discrimineren een politiek instrument.


Bart Haers  




[i] Tinneke Beeckman stelde dit ook vast bij het schrijven van haar boek "macht en onmacht", maar ik schreef er al zo vaak over, dat al te veel gedoe de receptie van het boek geen goed zou kunnen doen, vrees ik.

[ii] http://www.ethische-perspectieven.be/page.php?FILE=ep_detail&ID=152&TID=1358

Reacties

Populaire berichten