Over historische en literaire canons

Kleinbeeld


De Koninklijke academie
Voor Nederlandse Taal- en Letterkunde
Over canons en het brede veld

Het verspreiden van verhalen in de middeleeuwen en
nieuwe tijden ging nog via handschriften en dan bleek
men creatiever dan wij ons nog kunnen voorstellen.
Codices zijn meer dan banden met parkement
en/of papier maar dragen ook een heel wat inhoud mee.
Elisabeth De Bruijn schreef een studie
over Flos unde Blankeflos (Floris
ende Blanchefleur) met aandacht
voor de overdracht via codices. Zij kreeg
er een belangrijke prijs voor, maar die prijs
is nog nauwelijks bekend. 
De spoorweg tussen Brugge en Gent ligt er al tijden, dank u, maar ook rijden de treinen doorgaans goed - soms wat traag -, maar toch, het blijft inderdaad een beetje reizen. Er was vooraan nog heel wat plaats en ik kon rustig Knack lezen en even vooruitblikken op wat komen zou. De KANTL reikte twee prestigieuze prijzen uit, aan Leonard Nolens en aan een dame die zich had ingelaten met het verhaal van Floris ende Blanchefleur. Het komt nog zo zelden aan bod, die hele traditie van voorhoofse en hoofse Nederlandstalige literatuur. Maar zoals Prof. De Smedt aangaf, onderzocht de gelauwerde ook de teksttraditie in andere taalgebieden. Zou dat niet vaker mogen, de Europese verspreiding van verhalen, van de Arthurlegenden, de verhalen over Karel de Grote en andere, die doorheen de geschiedenis hun plaats in de traditie hadden. Het regenweer maakte de treinreis enigszins nostalgisch, want hoe het zij, ik heb op die treinen menig uur gesleten en soms komen er onvermoede gedachten terug. Of nieuwe, dat kan ook nog.

Zoals de gedachte dat de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde echt wel een betekenis heeft voor wie de belangen van de Nederlandstaligen in een globaliserende wereld ter harte wil nemen. De Academie kan het bevorderen van de cultuurtaal - eerder dan Standaardtaal - opnieuw op de agenda zetten, waarbij bakens en richtpunten aangegeven worden, maar waar men, via de letterkunde de taal luister bij kan zetten.

Het hoeft niet over schoonschrijverij te gaan, maar de taal die toelaat, zoals Adriaan Koerbagh al bevroedde moeilijke gedachten publiek te behandelen moet ook nog altijd begrepen worden. Koerbagh is een vertegenwoordiger van een andere soort Verlichting, maar zeker in Vlaanderen komt de man zelden aan bod. Overigens, de hele Gouden Eeuw blijft in Vlaanderen een zaak van veel obscur en weinig clair, zoals men weet, alleen al omdat de gedachte leefde en leeft dat de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van Albrecht en Isabella en nadien van cultuur en intellectueel leven gespeend zou zijn geweest. Kan men dat aantonen?

Reizen met de trein laat ook wel toe de inertie van de geest te laten spelen. Ik had in de ochtend nog iets gelezen over wat meisjes met hun erotische verlangens zouden aanvangen, naar aanleiding van een nieuwe film. Hebben meisjes en vrouwen, net als mannen, een seksueel rijk voorstellingsleven? Hoezo niet? Ja, wij mannen denken dat wij wel weten wat we ons kunnen inbeelden, verbeelden, maar meisjes zijn braaf, worden geacht braaf te zijn. Wie dat kon of kan geloven, ging en gaat voorbij aan de dromende blik van een jongedame op de trein, die verstolen blikken werpt. Fraai is zij, al kan ik haar niet thuisbrengen, ik bedoel haar afkomst is mysterieus en het gezicht lijkt wel mediterraan, maar verder kom ik niet. Lezend, denkend, kijkend kruisen onze blikken en ze zegt in een aangenaam stemmend zuiver Nederlands dat ze mijn blikken en kijken wel kan waarderen; ook vraagt ze wat ik lees, want de knack had ik al opgeborgen. Een boekje over de grenzen van de rede en de omgang met waanzin, van André Klukhuhn die zich ook met wetenschapsfilosofie inlaat.

Ze bekijkt het boekje aandacht en vraagt dan waarom ik me daarmee inlaten wil, want ze heeft wel eens een beetje moeite gehad met zichzelf en suggereert dat ze zich heeft moeten laten verzorgen. Kiesheid? Ik vertel dat er wel meer mensen door een depressie gaan of anderszins met zichzelf door de mangel gehaald worden. Maar als het goed gaat, komt men wel met zichzelf terug in fase. Ze glimlacht en vertelt dat ze dat heeft mogen ervaren, maar het was niet de psychiater zelf die de knoop ontwarde maar een verpleegster die op zeker ogenblik met haar in gesprek was gegaan.

Omdat de trein dan toch Gent Sint-Pieters bereikte, stapte ik uit, maar omdat ik m'n telefoon niet bij me had, een gelukzalige verstrooidheid, kon ik haar nummer niet noteren. In de Stationshal namen we afscheid, waarbij ze m'n account en nummer had genoteerd. Vanzelfsprekend moest ik bij het korte wandelingetje naar het tramstation denken aan dat liedje "Education Sentimentale" van Maxime le Forestier. De afspraak was dat we elkaar wel zouden bellen of mailen. Dat vrolijke liedje stuurde ik haar dus toe, even geleden en even later kwam het antwoord dat ik flauwere keuzes had kunnen maken.

Wandelend over het plein met de stadshal en verder langs de Zandberg kwam ik bij de Koningsstraat en ondanks het druilerige weertje, kon ik er wel van genieten. Dat ik door de kleine vertraging in Brugge de rede van de voorzitter van de Koninklijke Academie had gemist, vond ik wel spijtig, maar ik hoorde de Vast Secretaris over de werking van de KANTL en pas tijdens de receptie kwam ik aan de weet dat er een probleem is met het gebouw. De minister zou voor een dilemma staan, terwijl een voorganger het verkocht had aan een particuliere eigenaar die er vervolgens een hoge huur voor vragen zou. Dit is je reinste "rent seaking behaviour", waarbij de staat (ongewild) eigen bezittingen en middelen doorsluist naar burgers of bedrijven. Sale and Lease Back? Het brengt op termijn de overheid in problemen en de instelling, de bestuurders van de KANTL komt voor de vraag of ze het historische gebouw zouden moeten opgeven. Dat mag men niet inoverweging nemen, zeker niet nu de KANTL probeert zich voor de literatuur weet in te zetten in de publieke sfeer. Leonard Nolens die de Vijfjaarlijkse prijs voor Poëzie en dat viel bijzonder goed, maar voor de openbare omroep lijkt dat geen nieuwswaarde te hebben. Te academisch allicht.

Het aangename van het bijwonen van zo een vergadering is dat men er een aantal mensen hoort en ziet die hun sporen hebben verdiend in de wereld van de Letteren en de Taalkunde, die voor de brede media niet sexy genoeg blijken. Toch wordt Nolens op handen gedragen, maar het is pas door hem uit eigen werk te horen voorlezen, dat mij de magie van zijn poëzie duidelijk werd. "Zeg de kinderen dat wij niet deugen"? Ik heb in de literaire kritiek niet zo heel veel aansporingen gevonden om zijn werk te lezen, eerder het tegendeel. Nu hij daar stond en uitlegde waarom "wij" niet deugen, vond ik er ineens eten en drinken in. Spectaculair? Neen, dat niet, maar de dichter die zich soms norser lijkt voor te doen dan hij is, genoot van de aandacht en de onderscheiding die hem te beurt vielen, wat men hem toch niet euvel duiden zal. Precies zijn korte woordje en het voorlezen van zijn cyclus, vond ik overtuigend. Gezegd moet worden dat Gwij Mandelinck zich met overtuiging van zijn taak gekweten had, want ook daar zag ik, hoorde ik dat de dichter niet alleen zwartgallig tegen de mensen aankijkt. We deugen niet (zomaar) en als we gewoon verder boeren, dan komt het niet goed, met zonen, dochters, magen en vrienden, onze samenleving en de hele aardkloot.

Wat wel deugde was de voorstelling door prof. Marcel De Smedt fungeerde als juryvoorzitter en las het juryverslag voor. De laureate, mevrouw Elisabeth De Bruijn nam die met genoegen in ontvangst. Literair historisch onderzoek blijft altijd boeiend en de onderzoekster liet zien dat het verhaal dat wij kennen als Floris ende Blanchefleur, maar ook als "Flos unde Blankeflos" een Europese verspreiding heeft gekend. Dat kan men aan de codices ontdekken en ook de paleografie laat veel zien. Voorwaar opmerkelijk was het dat de voorzitter, zoals ook prof. Frank Willaert aangaf, de aansluiting bij de nieuwe tijd opvallend oogt want Mevrouw De Bruijn maakte gebruik van digitale middelen. In zekere zin valt te betreuren dat dit als nieuw moet gelden, want dertig jaar geleden maakten onderzoekers als Ludo Milis en Walter Simons graag gebruik van het Universitair Rekencentrum en mocht ik zelf in Louvain-la-Neuve in Cetedoc (Centre de traitement électronique de documents historiques) een deel van mijn onderzoek uitvoeren. Maar goed, vergeleken met wat nu mogelijk lijkt, zal men dat terecht als primitief gebruik voorstellen. Het was in zekere ook pionierswerk. Maar ook nu zullen onderzoekers met digitale middelen nog heel wat pionieren te hebben.

Het debat over de canon werd door prof. Frits van Oostrum met zwier aangepakt, waarbij hij zijn oefening, de oefening van een daartoe aangesteld comité een canon van de Nederlandse geschiedenis voor het lager ofte basisonderwijs presenteerde. Vijftig vensters, herinner ik, werden voorgesteld, maar hij had goede redenen om aan te geven dat dit voor kinderen van de lage school een mooie introductie vormde. Alleen werd de canon-idee in Vlaanderen lauw onthaald. Dat het Letterkundig Museum een literaire canon presenteerde kon de letterkundig zeer onderlegde Van Oostrum velen, maar dat er 100 auteurs, 125 literaire werken werden opgenomen, vond hij van het goede te veel.

Schreef ik nog dat de beste canon de inventaris van een bewaarbibliotheek  zou wezen, kon de spreker wel volgen dat academici, intellectuelen een verantwoordelijkheid op te nemen hebben, mensen, geinteresseerde leken iets hebben mee te delen: wat zou men gelezen moeten hebben om zich een goed idee van de Nederlandstalige letteren thuis te voelen. Voor Van Oostrum ging het over de algemene geschiedenis, maar men kan zich inbeelden dat een volwassen mens, na 12 jaar leerplichtonderwijs wel iets meer meegekregen heeft. Gaat het over de literaire canon, dan kan men ook wel zeggen: dit zou iedereen gelezen moeten hebben, maar vroeger gebeurde dat in de scholen. Wat Latijn en Grieks betreft, was de canon vrij duidelijk, maar was de leraar bevlogen, dan leerde men ook de teksten buiten de redevoeringen van Cicero, ars amatoria ofte Ars amandi van Ovidius of Tertiulianus kennen.

Niet zonder argumenten verkondigde Laurens Ham dat men de canon niet in de ark zou opsluiten, wat men op zich een goede gedachte kan vinden, zoals ook bedacht is geworden dat Vlaanderen een dynamisch canon zou krijgen, 50 titels + 1 (Black Venus van Jef Geeraerts). Maar een canon is nu eenmaal en per definitie een lijst van werken die iedereen gelezen moet kennen. Hoezo dynamisch? Net om te vermijden dat men over vijftig jaar nog dezelfde lijst zou hanteren, terwijl het dat is wat een canon geoogt.

Natuurlijk, men kan via digitale platformen heel wat meer geven dan zomaar een naam van een auteur en de titel van een werk, maar als het juist is, wat Frits van Oostrum vertelde, dat men "het publiek" moet durven te sturen, opdat men niet voortdurend tijd zou verliezen met onbelangrijke data, maar de hoofdlijnen zou leren zien, dan is het ook correct mee te geven dat zo een canon van de geschiedenis altijd slechts een handvat kan zijn. Maar digitale platformen nemen niet weg dat men er zich in verdiepen zou. Men kan 1000 x beweren dat men de vijftig werken van de Vlaamse canon wel waarderen kan, heeft men ze niet of onvoldoende gelezen, waar komt men dan.

Op de terugweg kwam ik voorbij aan enkele adressen waar voorheen boeken werden verkocht, Nederlandstalige en andere en bedacht ik mij hoe ik mijn weg gevonden had, onder meer naar het oeuvre van Louis Couperus, van Cyriel Buysse en Felix Timmermans, maar ook naar andere, meer hedendaagse auteurs. Het was een buitelen over de titels en auteursnamen, die we vaak in huis hadden of die ik vond in de vrije bibliotheek, een katholieke dus..

Laurens Ham vond dat een canon ook politiek correct moet zijn, c.q. dat de lijst ook werken van joodse auteurs bevatten zou en van andere minderheden, maar dus ook van vrouwen. Mooi zo, maar iemand zegde naderhand dat dit in Vlaanderen niet echt aan de orde kwam. Misschien moet men ook nog eens aanstippen dat tot rond 1950 de Nederlandstalige literatuur in Vlaanderen ook wel een politieke lading droeg, zij het in afnemende mate: voor WO I was er een druk literair leven als men kronieken en biografieën naleest, maar in het maatschappelijke leven, zou men moeten toegeven, was het niet altijd eenvoudig zich voor volwassen te presenteren naast de Franstalige literatuur, de Franse literatuur in eerste instantie. Werken van Herman Teirlinck, Karel van de Woestijne of Maurice Gilliams zijn nu voer voor letterkundigen en bijna even vreemd als Flos unde Blankeflos. Wie dus meent dat we die boeken niet meer in de boekhandel moeten hebben, vergist zich omdat deze werken een klassieke status verdienen. "Boerenpsalm"? Vreemd boekje, voor wie het landbouwleven niet meer kent, maar de auteur schreef het net ook, omdat een bepaalde sfeer aan het verdwijnen was. Of "Langs de Wegen" van Streuvels, waar men een existentieel aanvoelen van de helaasheid in kan vinden, die men best in het achterhoofd kan houden. Nu valt op dat in de discussie over de canon twee discussies elkaar kruisen:

- moet men de literatuur promoten omdat men nu eenmaal schrijvers heeft die willen verkopen? Het klinkt wat cru, maar het komt er wel op aan te begrijpen dat literatuur in onze activiteiten minder evident zijn dan in de tijd voor de radio, televisie, pc... onze keuzemogelijkheden gingen uitbreiden. Literatuur promoten kan men, zoals Frits van Oostrum door meer aan seductive humanities te doen. Overigens mag men het mercantiele niet zomaar over boord zetten.

- Wat vinden we in de literaire traditie van belang? Die vraag beantwoorden mensen zelden zomaar bij consensus, want voor de een is het emancipatorische van een Lode Zielens of Maria Rosseels primordiaal, terwijl anderen eerder de existentiële vragen waar literatuur mee doende is, van belang  achten, zoals "Langs de wegen" van Streuvels of "Tegen het einde" van Joris Note. Nog anderen willen het intellectuele avontuur alle aandacht geven, zoals Moby Dick of "Langs wegen van geleidelijkheid" van Louis Couperus en "Blindgangers" van Joke Hermsen.

Beide discussies/benaderingen hebben hun betekenis, maar naast het poneren van een canon kan men als academie best ook de lacunes die vallen in het aanbod ernstig nemen - wat de KANTL ook doet in de lezingenreeks "Tussen de Mazen". 

Met dat alles kwam ik dus in de  avond terug toe in Brugge en zag ik als bij wonder die jongedame terug, want ze had om redenen die haar hart alleen kennen kan, die late trein terug genomen. Er was iets mis gegaan. We besloten dan maar de kennismaking verder te zetten en ik mocht al eens een beknopt verslag geven van mijn belevenissen in het gebouw aan de Koningsstraat in Gent waar zij zeer aandachtig naar luisterde. Toen ik haar op haar pc wat afbeeldingen liet zien, betreurde ze met mij dat de overheid ooit de nefaste idee had dit te verkopen om het vervolgens terug te huren, tegen een zeer hoog huurgeld. Volgend jaar bestaat de Academie die mede onder auspiciën van Leopold II tot stand kon komen, 130 jaar en dat moet gevierd kunnen worden zonder het zwaard van Damocles boven het hoofd. Zij vond nog dat we in Vlaanderen te gemakkelijk onszelf verloochenen. Dat kon ik alleen met een diepe zucht beamen.

Ik liet haar ook het dertiende hoofdstuk lezen uit "Een liefde" van Lodewijk van Deyssel, verschenen in 1887 en in dat hoofdstuk komt een vrouwenliefde tot een hoogtepunt, tussen illusie, betovering en zelfbevrediging in. Zij keek me aan en zegde me dat mannen soms zeer blind blijken voor de lichaamsbeleving van vrouwen, maar dat vrouwen er heel wat voor over moeten hebben om zich met dat lichaam te verstaan. Van Deyssel had het wel goed bespeurd, zegde ze en ze liet me achter, met het goede gevoel dat we over iets gesproken hadden, dat we misschien wel zouden kunnen delen. "Een Liefde" gaat over het over het breken van een hart. Naturalistisch, maar ook wel een enige mogelijkheid voor van Deyssel om het sensuele volop te verkennen.

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten