De waarheid en niets dan de waarheid

Kleinbeeld


Nuttige illusies, gevaarlijke
wanen
Maarten Boudry als apostel van het atheïsme



Woensdag 4 november sprak Maarten Boudry in het literair Salon van boekhandel De Reyghere over zijn nieuwe boek. Illusies voor gevorderden. Of waarom de waarheid altijd beter is. Uitgeverij Polis 2015. 364 pp. Prijs: 22,50 € 

Ik geloof niet meer zoals mijn voorzaten het deden en mijn band met de kerk mag geen naam meer hebben. Maar ik denk wel dat het Westerse intellectuele avontuur meer aan het christendom te danken heeft dan  Maarten Boudry en gelijkgezinden voor ogen heeft staan. Maar het grootste probleem komt aan bod als hij, de filosoof meent dat we ons niet aan illusies mogen overgeven. De waarheid, niets dan de waarheid? Maar met contingentie wil hij zich niet inlaten en ik denk dat op grond daarvan een gesprek moeilijk zal blijven.

Nuttige illusies? De gedachtegang blijft vreemd, want als er iets de mens eigen is, dan is het juist de verbeeldingskracht. In het gesprek met Thomas Barbier, in het literaire salon van boekhandel de Reyghere kwam er een definitie van "illusie" ter sprake die moeilijk antropologisch getoetst kan worden, omdat de illusie niet als zodanig onderkend kan worden door wie die koestert. Bovendien zou de illusie alleen een illusie zijn als ze niet strookt met de waarheid. Maar wie kent de waarheid? Aangezien het wedervaren van mensen op deze aardkloot altijd vergankelijkheid is, kan men de waarheid die leeft onder mensen, in culturen altijd wel proberen te weerleggen, men zal wel erkennen dat het een illusie is de absolute en onweerlegbare waarheid voor ons bestaan geen betekenis kan hebben.
De stelling van Maarten Boudry, dat de wetenschappelijke cultuur die we nu kennen nergens meer verbonden is, zeker niet oorzakelijk verbonden zou zijn met de christelijke religie, valt historisch moeilijk vol te houden, maar het blijkt zelfs zo dat bepaalde wetenschappelijke inzichten, over de expansie van het oeratoom, een singulariteit, door een priester werden geformuleerd. Nu kan men zeggen dat, 80 jaar nadat de man zich als wetenschapper met de meest fundamentele kwesties van wiskunde en natuurkunde inliet, begreep dat die wetenschappelijke activiteit nu eenmaal niet aangedreven werd door religieuze en theologische aannames, maar door wat er in de wetenschappelijke discussies aan de orde was. Het getuigt voor de integriteit van de onderzoeker, maar ook van de priester die hij ook was. Hij wilde de visie op de expansie van het heelal en de kosmologische constante niet door de kerk laten recupereren en het stelt ons, leken in de wetenschap en in de theologie voor grotere problemen dan het aanvaarden van een onweerlegbare waarheid.

Uiteraard heeft die gesteldheid, hebben de gesteldheden van het heelal zoals we het kennen voor ons bestaan in de Goudlokjeszone betekenis en kunnen we er niet omheen dat we die omstandigheden, die ver ons voorstellingvermogen overstijgen dankbaar mogen zijn, maar ik heb zo het vermoeden dat de heer Boudry geen reden zou vinden om met die omstandigheden enige gevoelsmatige relatie aan te gaan. In die zin kan ik nu nog altijd vol bewondering kijken naar het scheppingsverhaal, zoals dat in de canon van de bijbel is opgenomen. Natuurlijk klopt er geen woord van, maar dat men de volgorde van de schepping enige intuïtie over hoe het leven op aarde ontstond heeft gehad, moet men de vertellers wel nageven. Overigens was het kijken naar het uitspansel ook voor de Griekse filosofen een geliefkoosde bezigheid en in figuren als Pythagoras ziet men naast de aandacht voor wiskunde, voor verhoudingen en maten ook aandacht voor een bepaalde manier van leven die in een of andere vorm in het monastieke leven door zou gaan.

Heb ik dan geen behoefte aan de waarheid? Het gegeven dat Montaigne over de dood nadacht en vond dat we ons goed op de dood dienen voor te bereiden, laat onverlet, denk ik, wat Hannah Arendt en Augustinus al bedacht hadden, dat men altijd kan beginnen met iets nieuws. De essays van Montaigne heb ik in stukken en brokken gelezen en soms kon ik er echt wel genoegen in vinden, maar de obsessie met de dood - als enige en finale zekerheid - stonden me tegen.

Maarten Boudry had het dan ook uitgebreid over de gedachte dat men beter een depressieve realist kan zijn dan een optimist, die zich teveel illusies zou maken over het leven en de mogelijkheden. Helemaal eens bleek hij het niet met de visie dat depressief realisme beter wezen zou en ik denk dat men eerst met mensen die werkelijk depressief zijn geconfronteerd moet worden om te beseffen dat waardering wel abstractie maakt van het onvermogen om nog zin te vinden in het leven.

Maar wat me het meest verbaasde is de nadruk die Maarten Boudry legde op het feit dat de atheïst het licht zou gezien hebben. Hij leek me haast een prediker van een leer die me al dertig, veertig jaar vertrouwd in de oren klinkt, maar die me altijd hybride is voorgekomen: natuurlijk laat toenemend wetenschappelijk inzicht toe dat we kunnen leven zonder god en die is dan niet het centrum van mijn aandacht. Maar het atheïsme vandaag in stelling brengen laat vele andere kwesties onbesproken en vooral dus de gedachte dat het inderdaad niet zo allesoverheersend hoeft te zijn, de sterfelijkheid. Precies de illusie dat ons bestaan hier op aarde, voor enige tijd, wel een betekenis heeft, waar we dan als een Sisyphus tegenaan kunnen gaan, lijkt me veel interessanter.

Als de ongelovige Thomas al een punt heeft, dan vooral dat we inderdaad kunnen leven zonder te denken aan het hiernamaals en andere toestanden, beloften over een beter leven na de dood. Maar als men dan toch iets van het leven zou willen maken, wat allicht al een illusie moet heten, dan moet men zich een idee vormen van wat het bestaan kan te bieden hebben, dan zal men verhalen verzinnen, liefst zo realistisch mogelijk, maar tegelijk ook wel enigszins gelardeerd met een begin van idealisme, stelde Rudiger Safranski en ik kan hem daarbij wel volgen. Men kan de metafysica als verzinsel wegzetten, er zal altijd een nood blijven aan iets dat ons overstijgt.

Prof. dr. Leo Apostel vond het ook voor atheïsten wel zo nuttig spirituele oefeningen aan te vatten. Hij vond dat een nadenken over wat ons overkomt niet enkel een wetenschappelijke activiteit kon zijn, maar dat bevindingen van de wetenschap wel eens het overdenken waard kunnen zijn. Maar bij die oefeningen, zo zegde hij, blijft men niet in de warboel van feiten hangen, maar probeert men de betekenis van gebeurtenissen of inzichten te overwegen. Men kan niet vooraf zeggen wat de oplossing, als die er al is, zal brengen.

Het is in die zin dat we voorzichtig moeten zijn als we bepaalde illusies nuttig of net gevaarlijk noemen. Het komt me voor dat mensen die hier te lande kiezen voor de Islam en dan nog eens voor een radicale beleving ervan, daarbij de illusie koesteren dat zij hun bestaan dat ze als zinloos beschouwen, plots wel zin geven. Ook born again christians ontdekken in hun hergeboorte een zin van het bestaan die ze voordien niet zagen. Het pleidooi van Maarten Boudry kan voor die mensen weinig belang hebben, omdat hij precies datgene bevestigt wat ze van zich af willen schudden. De radicalisering van jonge moslims komt dan ook voort uit een aangesproken worden door een heldere boodschap die hen houvast geeft. Wij kunnen daar dan alleen maar een wetenschappelijke zekerheid tegenover stellen dat er geen god is, dat er voor voorstellingen van een beter leven geen sprake is. Merken we op dat vele van die jongeren die plots de blik op Mekka richten of op IS niet echt ordentelijk in het leven stonden, op school niet altijd succesvol waren - al moet hier wel vastgesteld worden dat een aardig aantal net wel succesvol waren op school, op de hogeschool en plots gegrepen worden door nieuwe inzichten.

Het komt mij dan ook van groot belang voor dat we inderdaad de gedachte van een wetenschappelijk wereldbeeld voorhouden, maar als een enthousiasmerend verhaal, zoals onder meer ook Joke Hermsen het beschrijft. Wat Tomas Sedlacek vertelt over economie, dat ook tabellen en grafieken een verhaal vertellen, kan men ook voor andere wetenschappen inzien: hoe objectief ze ook zijn, er zit altijd een mate van hypothese en vermoeden in, waar we ons meestal niet van bewust zijn.

Het voorbeeld van de bankiers van JP Morgan en andere moeten we dan ook wel te berde brengen:  door risico's - van de huizenmarkt - te  herverpakken en verkopen aan graaf Lippens en anderen die er niets van begrepen, kon er een zeepbel  ontstaan die in 2008 wel moest uitbarsten. Het hele gedoe met de CDO's is menselijk handelen, gebaseerd op aannames over de complexiteit van hun product en de ondoorzichtigheid ervan. Sjoemelden ze? Natuurlijk, maar men kan die handelingen alleen begrijpen als er een bepaald concept van doelmatigheid van het bankbedrijf voorhanden was, waar men nooit aan mocht twijfelen. Nu vermoed ik dat Maarten Boudry dit gedeelte wel zal onderkennen en accepteren, maar niet, denk ik, dat het moeilijk is dat gedrag moreel te duiden. Het heeft namelijk niets te maken met het koesteren van illusies, maar domweg om de vraag of men anderen zo mag bedriegen.

Want nadenken over moraal - atheïstisch of anderszins - heeft niets te maken met god of gebod op zich, want als moraal beperkt is tot het turven van de regeltjes die men respecteert, dan blijft het allemaal wel schraal. Nadenken over moraal betekent ook niet denken aan wat anderen zouden moeten doen. Moreel denken kan evenwel niet zonder de illusie te weten wat goed is voor onszelf en voor anderen voor wie de gevolgen van dat handelen van invloed kan zijn. In die zin is het onderzoek van Tomas Sedlacek veel belangwekkender dan wat Thomas Piketty te berde heeft gebracht.

Heb ik geen behoefte aan atheïsme als een soort nieuwe club, die ik al dertig, veertig jaar ken, dan is het precies omdat het in feite ook geen verhaal vertellen kan voor de toekomst. Voorstander van een omzichtig omspringen met de aardschatten, met de levensscheppende omstandigheden op deze aarde, dus aandacht voor lucht, water, de bodem en de diepere aardlagen, de wijze waarop we ons verwarmen, het vuur dus, dan denk ik tegelijk dat we als personen zullen moeten nadenken over onze plaats in dat grotere geheel en dan interesseert het me minder of iemand atheïst is of beweert te zijn - iedereen heeft wel zo zijn kleine goden en godinnetjes - dan wel of we over ons bestaan als contingente verschijnselen kunnen denken. Tja, dan komen er altijd wel illusies de kop opsteken, maar soms maken die het leven aangenamer. Worden het wanen, dan kan het gevaarlijk worden, maar dat bewezen ook bij uitstek atheïstische stromingen als het Marxisme-Leninisme en het Nazisme. Zeker de SS-doctrine weigerde het bestaan van een god te erkennen, terwijl de publieksgerichte visies van Rosenberg die het had over een positief christendom om de gestelde lichamen, de katholieke kerk en de dominees niet tegen zich gekeerd te weten. Maar ten gronde kan elke opvatting, dat abstractie maakt van de contingente werkelijkheid ontaarden, perverteren tot een machtsdenken.

Want wat de werkelijkheid nu wel is, daarover valt toch veel te zeggen. Hoorde ik Maarten Boudry niet verwijzen de resultaten van wetenschappelijk onderzoek? In de sociale wetenschappen hebben we toch gezien dat peer reviewers Diederik Stapel weinig in de weg hebben gelegd en nadien is er aan de praktijk van de peer reviewing niet zo heel veel veranderd. Men heeft vervolgens van de heer Stapel een zondebok gemaakt en ik begrijp het wel als hij zich bekocht voelt. Maar de sociale wetenschappen die zich beroepen op kristalheldere methodes, hebben het nadeel dat ze niet vrij zijn van ideologische preoccupaties, vaak hebben onderzoekers wel degelijk een betere en meer ideale samenleving voor ogen staan. Waardenvrij kan men die wetenschappelijke praktijk niet noemen, maar dat hoeft niet te choqueren, want wie over mens en menselijke verhoudingen onderzoek wil verrichten, zal dat objectief, maar toch ook wel enigszins subjectief benaderen, dus ook zelf wellicht met enige vooringenomenheid behept - of de objectiviteit als illusie. De zeer op statistiek gebaseerde methode hoeft echter niet per se tot betere inzichten te leiden dan meer beschrijvende onderzoeksmethodes,  zoals onder meer Richard Sennett die verricht.

Maarten Boudry stelt dat we beter af zijn als we onze god afzweren, maar ik zag hem, God dus, gewoon in nevelen verdwijnen en heb daar vrede mee. Maar ik zag John Dun Scotus verschijnen, die vond dat men al die filosofen maar eens moest folteren tot ze bekenden, erkenden dat ze gefolterd werden. Scotus wilde dat we ons meer op het contingente, de vergankelijke wereld zouden richten, in plaats van de illusie te koesteren dat we een onveranderlijke en onweerlegbare waarheid aan de weet zouden komen.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten