Denken in Hersenloze tijden



Dezer Dagen


De droom herdenken
Robert Putnam, Bart Schols en zoveel meer


Ik las het boek nog niet, maar
wat ik las in De Standaard
inspireerde me wel. De
Amerikaanse Droom in crisis?
Het is het overdenken waard.
Maar Tony Judt had dit ook
al vastgesteld en zelfs de
president, Barack Obama. 
Het valt me soms niet meer op, dat opklinken van klanken die vanuit het nergens lijken te komen en toch heel erg op ons inwerken. De kritiek aan het adres van Bart Schols, naar aanleiding van interviews met aan de ene kant een bekeerde moslim, die er ideeën op na blijkt te houden die men onze kinderen liever niet ziet omhelzen. Aan de andere kant groeit er iets bijzonders tussen de minister van natuurbehoud en een kerel die met het vertellen van grappen zijn levensvervulling heeft gemaakt. Maar Wouter Deprez wil wel degelijk wegen en zocht een dossier dat hem sprekend genoeg leek.

Wouter Deprez mag dat doen, als burger, zoals ik meen dat de hele geschiedenis omtrent de ontsluiting van Zeebrugge het burgeractivisme in een kwaad daglicht heeft gesteld. Het maakt ook duidelijk dat de presentator in hoge mate afhankelijk is van zijn gasten, want die Younes  Delefortrie, die begreep niet of onderschatte de negatieve gevolgen van de meegaandheid van Schols. Was ik er de eerste dagen niet uit dat het een goede opzet was, dan denk ik nu dat het wel degelijk zin had, ook en vooral in journalistiek opzicht, die man uit te nodigen en hem gewoon te laten vertellen waar hij voor staat.

Voor een minister is het dezer dagen quasi onmogelijk en vooral ongewenst om vrijuit te spreken, tenminste als men dat begrijpt als een spreken zonder zich om de politieke gevolgen te bekommeren. Maar vrijuit spreken betekent niet dat men er niet over heeft nagedacht. Jean-Marie Dedecker zegt ook vaak dat hij recht voor de raap spreekt, maar het is altijd wel een doel dat zijn spreken moet dienen. Ook bij die Geert Wilders ziet men dat het vrijmoedige bestudeerd is en dat mag men wel duidelijk maken. Nu, wie oplet, ziet het wel. Het probleem is dat wie aan de zijlijn staat te brullen, vaak ook geen verantwoording hoeft af te leggen.

In het intellectuele debat  dezer dagen ziet men dat nog sterker naar voor komen: Maarten Boudry schrijft een recensie van het boek "Macht en onmacht. Een verkenning van de hedendaagse aanslag op de Verlichting." dat Tinneke Beeckman schreef en waarin ze reflecteert op de gebeurtenissen in Parijs op 7 januari en nadien, waarin hij haar aanwrijft dat ze te veel heterogene zaken bij elkaar brengt. Het duurde ook bij mij wel even voor ik de consistentie van het boek door had, of beter, voor ik begreep dat Beeckman niet zomaar over postmodernisme schreef, de fascinatie voor Ayn Randt en de omvang die het complotdenken in de samenleving heeft genomen in het volle daglicht stelde, inderdaad juxtaposities zijn. Die verschillende evoluties zijn niet onderling verbonden, maar vormen wel elk op zich zovele aanslagen op wat men als de erfenis van de Verlichting kan beschouwen. Postmodernisme en neoliberalisme hebben in se niets met elkaar te maken, maar samen leiden ze tot aannames over wat succes is dezer dagen en hoe we ons moeten hoeden voor teerhartigheid ten aanzien van de verliezers.

Niet voor niets heb ik mijn lectuur onderbroken, omdat de verschillende onderdelen ervan me sterk genoeg leken om er lucht aan te geven dat het wel belangwekkend is over de uitingen van wantrouwen van Emmanuel Todd te spreken. Maar ik heb moeten vaststellen dat het boek na lectuur bleef doorwerken, dat het in wezen een mooi fresco van deze tijd aanreikt. En jawel, zowel het postmodernisme als het neoliberalisme, maar ook het complotdenken en de hernieuwde aandacht voor Fountainhead hebben dit gemeen dat het de betrokkenen een soort passe-partout aanreikt om hun positie tot de macht te expliciteren en duidelijk te maken wat ze mogen verwachten. Het boek gaat wel degelijk over de ervaring van macht en vooral onmacht. Het post-modernisme wilde het hanteren van macht ontcijferen om de machthebbers te liquideren en autoriteit verdacht te maken. Het heeft ertoe geleid dat we de politiek niet meer konden ontcijferen: Bert Anciaux die weent omdat de partijraad hem niet direct een ministerportefeuille gunt, wat overigens statutair vastgelegd was, doet het voor de mensen, maar naderhand bleek dat hij wel degelijk een eigen cultuuragenda in gedachten had. Dat is niet fout, maar de morele chantage zit me nog steeds niet lekker.

In die zin kan het boek Our Kids van Robert Putnam wellicht ook onze aandacht waard zijn. De Amerikaanse politiek, maar ook het sociale bestel zitten in de knel en elk argument van de een wordt door de ander volledig neergesabeld. Putnam verwijst naar een stuk Amerikaanse geschiedenis, de Gilded Age, waar ook het individuele presteren zoveel aandacht kreeg dat de collectieve voorzieningen erbij inschoten. Die periode 1870 tot 1910, 1920 werd, zoals ook nu, geleidelijk van onderen uit omgebogen. De president is de Boss, maar ook weer niet en dat is van belang denk ik, dat men naar hetgeen leeft in het struweel leert te kijken, zoals Putnam doet.

Naar mijn idee leeft bij Bekende Lieden m/v te vaak de idee dat zij de experten zijn en dat het volk een homogene massa zou zijn - die wel supergediversifieerd moet heten - die voor alles onwetend is. Dat sinds het einde van de negentiende eeuw elke generatie meer mensen hogere studies konden aanvatten en zelfs als men de eindmeet niet haalde, er veel van opstak, ontgaat hen. De onderwijzers van weleer hadden terecht enige autoriteit, maar juist omdat de algemene scholing toenam, terwijl de vorming van nieuwe generaties onderwijzers er niet meer diepgravend op werd, verloren die mensen bij de ouders van hun leerlingen aan prestige en aan autoriteit. Bruno Rouffaer hield voor Vlaanderen Morgen ooit een betoog waarin hij stelde dat onderwijzers en zelfs kleuterjuffen een master zouden moeten halen. Te vrezen valt dat er zo te weinig mensen dit moeilijke beroep zouden kiezen, zodat er nog meer kinderen zonder goede opleiding zouden moeten opgroeien, draagt ertoe bij de vorming van jonge kinderen in een paradoxale knoop is gekomen: er is nooit meer beschikbare kennis gekomen, maar de leraren en onderwijzers kunnen nauwelijks nog de basiskennis aanbrengen, omdat ouders, omdat stakeholders die irrelevant vinden.

Putnam heeft het over de wanhopige situatie van de Amerikaanse middenklasse en de totale ontreddering bij de onderklasse, die hij ook als morele ontreddering durft te benoemen. Ook Theodore Dalrymple deed dat en werd ervoor terecht gewezen, want men mag niet zeggen dat die kindmoedertjes in Birmingham er zo erg aan toe zijn. Dat zij die armoede te danken hebben aan de vooruitgang op technologisch gebied, maar nog minder te berde gebracht worden. Putnam toont hoe de samenleving nog meer gesegmenteerd is, dan hij eerst al dacht. Maar de opiniemakers, zowel links als rechts, zijn blind voor de werkelijkheid, onder meer omdat ze er niet in slagen te begrijpen dat niet alleen zijzelf uniek zijn, maar ook die mensen die minder door de fortuin gezegend zijn.

Spreekt Robert Putnam terecht van hersenloosheid? Als men naar de heer Trump kijkt, of naar wat Georges W Busch heeft uitgevreten, dan kan men wel van hersenloosheid spreken. Het probleem is dat deze fenomenen niet hersenloos tot stand komen, maar dat men vooral bezig is met politieke strategie en tactiek, waarbij het algemeen belang soms zelfs botweg ontkend wordt. De argumentatie mag verschillen, de consensus is er niet minder om, dat men niet kan spreken over algemeen belang en dat de overheid dus geen legitimiteit heeft om dat algemeen belang te dienen. Het valt op dat de verschillende fenomenen die Tinneke Beeckman ziet als aanslagen op de erfenis van de Verlichting ook voor Robert Putnam van wezenlijk belang blijken.

Mag men zonder duiding een gesprek op de buis brengen met die Younes? Als men bang is voor het feit dat mensen, kijkers de hopeloze geborneerdheid van diens visie niet zouden inzien, kan dat niet. Maar het publiek van "De Afspraak" weet waarover het gaat en kan wel woest zijn op de neofiet, die vindt dat zijn zus, die er een lesbische relatie op na houdt, in zonde leeft, maar men begrijpt dat zijn kijk op mens en samenleving hier best geen wortel schiet. Hoe kan men dat vermijden? Door precies te blijven denken in de traditie van Diderot, Voltaire, Spinoza, maar dan liefst niet in de ingedikte en uitgekookte versie. En men kan ook maar beter naar Jean-Jacques Rousseau met enige afstandelijkheid, want als men, zoals Maximilien de Robespierre het probeerde, diens politieke en maatschappelijke inzichten te verwerkelijken.

Het kan best verantwoord worden dat de overheid inzet op goede scholing waarbij men talenten ook echt steunt, maar de sociale uitsluiting van goed onderwijs is parallel verlopen met de vernieuwingen in het onderwijs. Met William Blake kan men aannemen dat onderwijs iets voor steenezels is, zoals André Klukhuhn aanstipt, niet iedereen wordt door het onderwijs fijngemalen, want zonder onderwijs te genieten zal men misschien wel levenswijsheid verzamelen, maar via het onderwijs kan men wel een kei worden. Natuurlijk, sinds de 18de eeuw is het onderwijs veranderd, in een aantal opzichten ten goede, maar niet alleen ten goede. De democratisering was aan de gang, toen de postmoderne kritiek het leren zelf in vraag stelde en maar meteen besloot dat al die ouwe troep van geen tel is.

Maar precies de voorstanders van de Verlichting vergeten vaak of negeren zelfs het feit hoe de Verlichting zich heeft voorgedaan in de toenmalige samenleving. Jean-Christian Petitfils legde immers uit dat in Frankrijk de kritiek van de Jansenisten op de pauselijke bul Unigenitus een ware pamflettenoorlog heeft voortgebracht die uiteindelijk leidde tot een meer stabiel netwerk van tijdschriften, waarin het denken vorm kreeg. De heren van het verdorven genootschap, Denis Diderot en d'Holbach, waren in hun tijd wel bekend, maar stonden niet in het centrum van de controverse. Voltaire, die een  tijdgenoot van Louis XV was - Voltaire geboren in 1694 en Louis XV in 1710 - zorgde met zijn theaterstukken, met zijn lettres philosophiques voor heel wat meer reuring, maar had ook wel steun in de hoogste kringen, onder meer bij Frederik II de Grote van Pruisen - maar ook daar liep het wel fout.

Wat mij daarom essentieel is voor de Verlichting is precies dat vermogen tot zelfkritiek en tot correctie van eigen denkbeelden en dat is wat we dezer dagen node missen. Zeggen dat men meer nood heeft aan nuance zal wel niet veel uithalen, want wat is dat "nuance"? Het lijkt evident, maar het kan in wezen alleen in concrete discussies aangegeven worden. Neem het verwijt dat rechts gemakkelijk zou ontaarden in fascisme of nazisme, terwijl rechts traditioneel de staat wel legitimiteit toekent, maar niet accepteert dat de staat totalitaire ambities zou koesteren. Maar kijkt men dan naar Links, dan blijkt dat die wel vooruitstrevend heten, maar in wezen vooral verworven posities wil handhaven en vooral de staat meer machtsmiddelen wil toekennen dan goed is. Beide stromingen stonden traditioneel ook voor volksverheffing, ontplooiing en autonomie van de persoon, maar in beide stromingen merken we nu een grote scepsis op dat terrein.

Iemand als Younes Delefortrie kon niet anders dan in een denken verzeild raken dat hem een stevig harnas biedt, omdat hij in zijn vorming niet voldoende ankerpunten zijn bijgebracht. Zoals Marli Huijer het stelt: enige discipline kan geen kwaad, want ze laat toe dat mensen vrijheid genieten. Die vrijheid en die discipline komen dan samen in het begrip autonomie. Bart Schols had dus op latere datum iemand kunnen uitnodigen die dat probleem in de vorming van Younes had kunnen toelichten. Maar de discussie is gesloten omdat men van de presentator de boodschapper maakte en het is gemakkelijk schieten op de pianist.



Bart Haers   

Reacties

Populaire berichten