Onbegrijpelijke koppigheid van Links



Dezer Dagen


Cesuren ervaren
Hoe we idealisme puren



Köln mei 1945. Zelf heb ik de stad pas goed bezocht
toen de sporen van de grootschalge vernieling
opgeruimd waren, rond 1980. Stunde Null,
maar de bevolking herstelde stad en land
met hulp van het Marchallplan, van Europa
ook. Wir Schaffen das? Het heeft even
geduurd voor ze opnieuw in eigen
kunnen durfden te geloven. 
Ian Buruma vraagt zich af waar we dezer dagen onze inspiratie voor de toekomst zullen halen en hoe we problemen zullen oplossen, te meer omdat vrijwel niemand erin slaagt op verschillende schaakborden tegelijk te spelen. Ik zou natuurlijk kunnen meedenken en vaststellen dat iedereen vooral met de eigen zaakjes bezig is, maar tot op zekere hoogte is daar niet zo heel veel mis mee. Een gezonde scheut realisme kan inderdaad geen kwaad, al is niet altijd duidelijk wat dit inhoudt. Maar zonder een zeker idealisme lukt het ook niet. Maar wie zal dat inbrengen. De sociaaldemocratie slaagt er niet meer in zegt Buruma. Maar is dat dan de enige hofleverancier van idealisme?

Zou mijn generatie nog enige affiniteit hebben met Stunde Nul, 8 mei 1945 ? Ik denk niet dat we daar veel aanzetten toe hebben gekregen. Er kwamen steevast twee verhalen op ons af: 1.) de burgerij heeft de sociaaleconomische politiek naar eigen hand gezet en 2.) De rechtvaardige samenleving vergt verdere democratisering. Intussen groeide de economie in Europa onvoorstelbaar snel, maar sinds 1974 kwamen we in een crisis terecht die nooit zou zijn opgehouden. Ook dat valt niet te staven. Het gevolg is dat veel mensen ofwel met deelverhalen aan de slag gaan en in idealisme hun leven kaderen, zonder nog terug te schakelen naar de werkelijkheid, want die lijkt onoverzichtelijk, ofwel net geloven dat ze een klip en klaar beeld hebben van de werkelijkheid.

Dat is wat me na 1989 onmiskenbaar duidelijk geworden is, dat we van de werkelijkheid niet altijd een goed beeld krijgen of kunnen maken. Enerzijds blijken we zelf deel van die werkelijkheid en elke poging tot begrijpelijk maken zet onszelf ook voor de spiegel. Een andere reden is dat we onze belangen niet goed weten te plaatsen in die werkelijkheid en dus zal dat beeld ook vervormd blijken. De vraag is dus, zoals ook na de val van de Muur is gebleken, of we een gemeenschappelijk project kunnen opzetten. Thierry Baudet e.a. menen dat dit niet kan, terwijl het op een aantal domeinen zeer noodzakelijk blijkt.

Het antwoord lijkt ontgoochelend en hier moet men de eurosceptici op het eerste zicht nageven dat ze begrijpen dat het moeilijk is met 28 tot snelle en adequate beslissingen kunnen komen over gemeenschappelijke belangen. Alleen, die eurosceptici zijn net het probleem, want ze nemen als realiteit aan dat binnen de instellingen de nationale belangen bijzonder zwaar wegen, terwijl men merkt dat de Europese instellingen minstens zo vaak geteisterd worden door lobbyisten, die de besluitvorming proberen te sturen.

Dat een EU met 28 lidstaten niet zo soepel werken als de 6 die het verdrag van Rome hebben getekend en uitvoering gegeven. Maar ook toen was het niet altijd zo eenvoudig. Wel kan men moeilijk ontkennen dat de EGKS en later de EEG heeft bijgedragen aan het Wirtschaftswunder dat niet enkel een Duits fenomeen was, maar ook de andere lidstaten heeft gunstig getekend. Regelgeving stimuleerde de landbouw, zoals we weten, al kennen we vooral nog de negatieve gevolgen, zoals de boterbergen en wijnplassen. Maar men kan moeilijk negeren dat Sicco Mansholt, vanuit zijn ervaring van de Hongerwinter gedreven, een landbouwbeleid ontwikkeld heeft dat de productie zeer aandreef en de inkomsten van boeren ondersteunde. Maar later werd het minder en nu blijkt het beleid landbouwers voor moeilijke vragen te stellen, zoals ophouden.

Het gaat erover dat beleid vaak het risico loopt zichzelf voor de voeten te lopen. Dat wil zeggen dat de resultaten van het beleid, die men verwacht, op zeker ogenblik verminderen, of dat de indruk ontstaat dat ze niet meer voldoen. Soms geeft beleid ook aanleiding tot problemen, zoals de ruilverkaveling ertoe bleek te leiden dat gronderosie versterkt werd. Toch is niet het onmiddellijk mogelijk om antwoorden te brengen, want de krachten van het behoud blijken vaak sterker dan die van de vernieuwing. Het helpt dan niet zich progressief te noemen, als men bepaalde regelingen wil behouden.

In die zin moet men Thierry Baudet toch ernstiger vragen stellen, want hij mag dan stellen dat de nationale soevereiniteit best hersteld wordt, dan zal hij voor delen van het beleid moeten aangeven hoe Nederland de gestelde doelen kan bereiken, want beleid is maar legitiem als men het eens is over de te bereiken resultaten en vervolgens wanneer die resultaten ook bereikt worden. Een aantal zaken kan Nederland, kan België realiseren, maar er zijn zaken die we best samen regelen, bijvoorbeeld ten aanzien van Rusland, van Turkije ook en dan is het geen goed idee zich uit elkaar te laten spelen. Oikofobie, noemt Baudet de neiging de eigen bevolking te negeren ten gunste van het grote buitenland. Daar heeft Baudet een punt, maar meestal zijn het niet de bestuurders die aan oikofobie lijden, wel opiniemakers en als dan een René Cuperus schrijft over de spanning tussen de intellectuelen die zich eerder kosmopolieten vinden en anderen die vinden dat ze miskend worden, omdat ze thuis blijven.

Maar Thierry Baudet kan ook niet uitleggen hoe we als een van de 28 afzonderlijk geopolitieke belangen zullen verdedigen. Zou het niet nodig zijn? Ik vrees dat het hoognodig is dat we een gemeenschappelijke buitenlandse politiek van doen hebben. Of er intern ook een fiscale harmonisatie nodig is? Op een aantal vlakken wel, want grote spelers slagen erin belastingen te ontwijken die anderen dan moeten opbrengen. De interne werking van de instellingen van de EU is dus van groot belang en de discussie over de mierenneukerij van de Commissie mag gevoerd worden, vaak blijkt het zo te zijn dat lobbygroepen er een vinger, zelfs een hele arm in hebben.

Ook idealisme kan alleen maar zinvol werken als het tot een bepaalde toekomst leidt, die er nu nog niet is. Maar dat idealisme kan niet ten koste van alles uitvoering krijgen, zonder zich iets aan te trekken van andere waarden. De afgelopen 20 jaar werd als ideaal vooropgesteld dat iedereen gelijke kansen zou krijgen en daar kan een mens mee leven. Maar de invulling die eraan werd gegeven, moet toch maar zorgbarend genoemd worden, want kansen geven is een zaak, wat men ermee aanvangt, blijkt vaak iets anders. In het onderwijs heeft dat beleid tekort gedaan aan de capaciteiten van leerlingen. Maar ook in de cultuur heeft het grote brokken gemaakt dan men denkt en het beleid zelf is ook misleid geworden. Door anti-elitaire slogans te slaken heeft men mensen de idee gegeven dat ze inderdaad niet hoefden te talen naar "hogere cultuur", maar men paste dat ook toe op de wetenschappen: eens wetenschappelijke inzichten een bepaalde complexiteit ging vertonen, mocht men het voer voor freaks vinden.

Zou dit voor Ian Buruma een mogelijkheid bieden te begrijpen waarom sociaaldemocraten in Europa het zo lastig hebben, dan kan ik ook zelf wel bedenken dat ook de andere traditionele politieke partijen, de christendemocraten en de liberalen het moeilijk hebben nog mensen aan te spreken. Waarom populisten dan zozeer het mooie weer maken? Omdat journalisten politieke discussies te vaak herleiden tot machtsconflicten alleen en de inhoud soms pas veel later weer ontdekken. Vele debatten worden met slogantaal beslecht en wee de politicus die probeert de basis van zijn beleid uit te leggen.

Johan Vanovertveldt geeft aan vergaderingen van bestuursleden van N-VA, aan leden en sympathisanten uitleg over zijn beleid, over de problemen die de Belgische overheid bedreigen en vooral ons dus, het volk. Ik hoorde hem bezig in Brugge als sympathisant en vond het niet enkel keurig voorgesteld, er zat ook een grote drive in de situatie te verbeteren, op het vlak van werkgelegenheid, op het vlak van de pensioenen en de kosten van het apparaat. Schuilde er enig enthousiasme, enige bevlogenheid in zijn voordracht? Hoe droog het ook mag lijken, het is wel nodig en het publiek luisterde niet enkel welwillend. Sinds de verkiezingen van 2014, toen hij zijn post van observator en commentator heeft verlaten om die van handelende persoon op te nemen, geeft de econoom Vanovertveldt blijk van grote gedrevenheid een nieuw budgettair beleid uit te stippelen en enkele prangende kwesties op te lossen.

Het is geen links idealisme, dat klopt, maar waarom zou rechts, waarom zou conservatief gezinde politici niet juist ook een dosis idealisme met zich omdragen? Bovendien, behoudsgezinde politici hebben, zoals Otto von Bismarck aangetoond heeft, maar ook Charles de Gaulle en Giscard d'Estaing bewezen hebben, vaak een zeer vooruitstrevend beleid gevoerd. Het probleem is dat sociaaldemocraten zo blind zijn gaan geloven dat zij de enige zouden zijn die goed beleid kunnen formuleren en uitvoeren, dat het ook in de media afkleurt dat behoudsgezinde politici alleen maar het systeem in achteruit zouden zetten.

Wat we dus nodig hebben dezer dagen is een ernstige reflectie over de uitdagingen, die niet enkel een technologische oplossing kunnen krijgen. De vergrijzing, de instroom van vluchtelingen, hoe hard we ook roepen dat we ze niet willen, vragen om realistische antwoorden, zeer zeker, maar ook om de vraag of zij Nederlander, Duitser, Vlaming kunnen worden. Economische welvaart in een periode van stagnatie, dat zal nog het grootste probleem blijken, al zou men verrast kunnen zijn van de dynamiek die desondanks toch mogelijk is. Men kan natuurlijk bij Piketty te rade gaan en de kapitaalsaccumulatie van kleine elites afwijzen, maar men kan ook met Tomas Sedlacek nadenken of economisch handelen altijd alleen maar gunstig en positief moet heten. Economisch handelen moet ten dienste staan van mensen. Okay, dit is wat minder concreet dan het verhaal van de 1 % die veel ontnomen moet worden ten gunste van de 99 % anderen, die niet per se arm blijken. Maar economisch handelen, zoals Bernard Mandeville schreef, hoeft niet per se "braaf" of "ethisch goed te zijn" opdat het zou bijdragen aan het algemeen welzijn. Ik denk niet dat Sedlacek blind is voor de vaststelling van Mandeville. Waar Sedlacek het over heeft, is namelijk het amalgaam dat we maken tussen economie begrepen als de som van economisch handelen van burgers enerzijds en de studie van de economie, die wel neutraal benaderd kan worden, al zal men bijvoorbeeld wel de soms nefaste rol van lobbyisten in ogenschouw moeten nemen. De cijfers, de excelletjes van beleidsmakers, klaargemaakt door bollebozen kunnen wel nuttig zijn, als men het verhaal erachter niet meer ziet, dan kan men ook niet zien of men die toekomst wel wil. In die zin gaf Johan Vanovertveldt duidelijk blijk van een scherpe kijk op onze situatie nu. Als men zijn verhaal niet horen wil, tja, dan kan er ook geen discussie volgen. Hier vergissen linkse partijen, vakbonden en opiniemakers zich, want in hun afwijzing geven ze blijk van een onbegrijpelijke koppigheid, want het idealisme dat ze wensen in te brengen kan niet echt overtuigen: gelijkheid ten koste van vrijheid en ten koste ook van broederschap, doet onze samenlevingen geen goed.        


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten