Prinzip Hoffnung



Dezer Dagen


Nihilisme?
overmoed en negatie



Piet Bakker, journalist en auteur
van de trilogoie Ciske De Rat..
en die, hoewel zelf niet lang
onderwijzer wel een idee had
om jongeren op pad te helpen.
Het blijft een roman natuurlijk. 
In de Standaard schrijft theoloog Frans Van Looveren dat het nihilisme in ons gezicht ontploft zou zijn en hij geeft een aantal goede argumenten, waarbij we toch goed moeten bekijken wat we begrijpen onder nihilisme en of onze samenleving wel zo nihilistisch zou gestemd zijn. Kan er geen sprake zijn van overmoed en het geloof dat we net zo onvoorstelbaar onmisbaar en subliem zouden zijn, dat men ons nodig heeft?

Het is altijd interessant voor de lezer en derhalve voor een auteur om een duidelijk standpunt in te nemen, maar dan loopt men iets te verdedigen dat net niet meer aannemelijk is. Het boek van Ad Verbrugge "Tijd van Onbehagen" (2002) laat zien dat de ontwikkelingen die we mochten beleven sinds WO II en bij uitbreiding sinds de Verlichting misschien wel gunstig mogen heten, zij roepen ook onbehagen op, laten verstaan dat we aan het eind van de rit met al die vrijheid en al die onbestemdheid geen weg zouden weten en er blijken aanwijzingen voorhanden dat er onder ons mensen zijn die het er lastig mee hebben. Kan men met de inzichten van Ad Verbrugge instemmen, dan zal men toch moeten onderzoeken of het gehele verhaal daarmee verteld is. Kan men een onbehagen met deze cultuur vaststellen, dan is het nog maar de vraag of we om dezelfde redenen een zweem van onbehagen ervaren.

Mensen die radicaliseren leefden er net voordien vaak op los, met drugs en alles wat leuk is maar niet altijd voldoening schenkend. Die jongedame die als een feestbeest werd voorgesteld, maar in Saint-Denis werd gedood of zich van het leven benam door de bommengordel tot ontsteking te brengen, kan dus wel als een voorbeeld gelden. Nu moeten we het niet voorstellen alsof die keuze voor Daesh iets nieuws is. In de tijd van Punk waren er ook die de ene dag nog een kuif droegen en kettingen en dat soort attributen torsten, plots in pak gingen lopen, soms zelfs jehova werden of een sekte omhelsd hadden en zich daar (enige tijd) beter bij voelden. Dat was zo rond 1980 en vandaag is het enigszins anders maar wel vergelijkbaar, waarbij opgemerkt moet worden dat onbehagen over het eigen leven en de eigen plaats in de samenleving van groot belang blijkt.

Wat is nu nihilisme? Het feit dat men aan het eigen bestaan noch aan het bestaan van mensen en dingen, deze wereld enig belang toekent. Toergeniew schrijft het zo in Vaders en Zonen:

"Een nihilist, dat is iemand die niet buigt voor autoriteiten, iemand die geen principe zomaar op goed geloof aanneemt, hoe goed en eerbiedwaardig het ook moge zijn..."

Etwas fehlt! Zegde Bertold Brecht, zegde Ernst Bloch, de auteur van "Prinzip Hoffnung", die onderzocht of het realiseren van een concrete utopie mogelijk zou zijn. Het is een debat waar je zo nu en dan iets over hoort, maar zoals Joke J. Hermsen liet zien in haar werk "Kairos; een nieuwe bevlogenheid" kan men aan het denken van Ernst Bloch toch wel ook enige aandacht besteden, vooral, denk ik, omdat hij zo een dramatische vergissing beging naar de DDR te gaan uit zijn Amerikaanse ballingschap en daar gauw genoeg merkte dat de DDR niet de utopie was waar hij voor wilde leven. Hij kreeg oneervol ontslag en mocht vervolgens de universiteit niet meer in. Nadenken over een concrete utopie dan maar? Maar er ontbreekt iets.

Dat is waar Frans Van Looveren over wil nadenken, maar ik denk dat men de verantwoordelijkheid niet enkel kan leggen bij het neoliberalisme of bij de basisstroom die we libertair kunnen noemen. We koesteren misschien wel eens een zeker nihilisme, enige tijd in ons leven, maar we koesteren vooral het streven naar succes, naar behoren tot de club en daarbij hoort een dubbele moraal: werken tot men er bij neervalt maar genieten met mate. Genieten wordt niettemin zonder voorbehoud aangeprezen, maar soms heb ik de indruk dat mensen zitten te zwoegen, als ze op een terrasje zitten en het gesprek gaande willen houden. Zou het kunnen dat we aan het genieten zelf geen zin meer kunnen toekennen, tenzij dan dat we kunnen zeggen dat het heftig was.

Maar of we er altijd goede herinneringen aan hebben? De leegte die de vergeefsheid uitdrukt, maakt dat we er niet de voldoening in vinden, zegt onder meer  Verbrugge, die duidelijk maakt dat het hedonistische aspect van onze samenleving niet voor eenieder weldadig is. Stelt men dan vast dat sommige van die mensen, op het moment dat ze de leegte van hun bestaan ontdekken, andere mogelijkheden hebben laten schieten, dan wordt het wel lastig om er mee om te gaan, want men heeft op school weinig geleerd, heeft geen hobby waar men iets mee aankan en schrijft het eigen falen vervolgens over op rekening van de samenleving, het onderwijs, onwillige werknemers en er ontstaat een verhevigd ressentiment.

Kan men tijdig die jongens en meisjes wel een zekere thymos bijbrengen, een zeker eergevoel? Hier sluit Frans Van Looveren aan bij wat Ad Verbrugge wel pertinent aan de orde stelde, dat we - anno domini 2002 - van een desintegrerende samenleving niet kunnen verwachten dat ze een gunstige invloed op jongeren zou hebben om zich te integreren. Toch denk ik dat Peter Sloterdijk met zijn pleidooi voor Thymos en ook zijn idee dat we het leven moeten oefenen, aspecten van een vorming beschrijft die men niet mag negeren. Een andere gedachte die we hierbij kunnen laten aansluiten betreft de visie van Albert Camus, over de mythe van Sisyphus, die de steen die hij telkens weer omhoog moet rollen gaat liefhebben. Thymos gaat over het strelen van het eergevoel door iets bijzonders te realiseren. Sisyphus gaat over het aanvaarden van een onvermijdelijke last. Komt men dan niet uit bij Spinoza en diens advies "Bonum facere et laetari"?

Het goed doen en blij zijn. Dat lijkt volgens Spinoza die wellicht ook zo leefde het beste advies dat hij ons kon meegeven. Maar kan men een thymotische ingesteld verbinden aan was Spinoza zegde? Eenvoudig is het niet, maar het zou wel een voorwaarde voor bevlogenheid kunnen zijn. Edoch, onze leraren en leraressen wordt de laatste decennia en dat om meerdere redenen aangeraden zich niet te zeer te engageren voor hun leerlingen/studenten. Een te sterke band zou niet getuigen van professionalisme. Maar kan professionalisme nu niet net betekenen dat leraren echt begaan zijn met hun leerlingen en hen proberen mee te nemen.  Er zijn verhalen over begeesterende schoolmeesters en leraren, zoals Ciske de Rat die met dank aan mijnheer Bruis toch tot een goed mens opgroeit. De kracht van de leraar is hier veel groter dan de ellende die Ciske moet ervaren en dat lijkt in de suikeren versie verloren te zijn gegaan. Over de betekenis van leraren zegt men niet zo heel veel meer. Meer nog, als men de gesprekken op televisie hoort, dan gebeurt het zelden dat de leraren in de bloemetjes gezet worden.

Jawel, leraren zijn veel van het vroegere gezag verloren omdat ze zo succesvol waren, omdat zoveel goede leraren goede leerlingen hadden. Alleen, in sommige gemeenschappen is dat minder gelukt, omdat niet iedereen die hier toekwam met een arbeidscontract als gastarbeider het belang van onderwijs zag. Men mag dit niet overschatten, maar het verhaal van de grote getallen heeft hier wel belang. Maar toch en ook, het onderwijs verloor aan betekenis bij alle kritiek op het systeem, de autoriteit van ouders, leraren en agenten. Waar Foucault ons bijbracht om kritisch na te denken over autoriteit en aan het einde - twintig jaar later - ook nadacht over het zeggen van waarheid, heeft men die kritiek op autoriteit bijzonder absoluut opgevat. Het is precies door die laatste geschriften, lezingen in het Collège de France uit 1984 dat ik het begrip kritiek wel kon hanteren, maar Tinneke Beeckman meent dat ook de late geschriften de positie van Foucault bevestigen. Dat zijn invloed groot was in het ontwikkelen van een kritische theorie die in het postmodernisme tot karikatuur kon worden, valt alleen maar te onderschrijven. De kritiek zoals men die hanteerde wilde de tegenstander ontmaskeren, zonder de eigen positie ernstig tegen het licht te houden. Toch kan men met veel van wat Foucault schreef en zegde wel een eind onderweg gaan. 

Frans Van Looveren betreurt dat sommige spraakmakende lieden de geschiedenis pas halfweg de 18de eeuw willen laten beginnen en niet veel vroeger, ten tijde van de Axiale periode of de spiltijd, toen, zoals Karl Jaspers het voorstelde een aantal filosofische en theologische inzichten gemunt werden die tot onze tijd hun belang hebben behouden. Het gaat dan niet enkel om de Joods-christelijke opvattingen, maar ook om de voorafgaande periode toen in Griekenland de filosofische inzichten van de pre-socratici en de grote drie, Socrates, Plato en Aristoteles tot ontwikkeling kwamen, maar ook om de tijd van Lao Tse in China en het Boeddhisme in India ontstond. Of de Avesta, het heilige boek van de volgelingen van Zoroaster of Zarathustra ook in die sfeer gerekend mag worden, is niet duidelijk, want als we aannemen dat de mens gekneld zit tussen Ahoera Mazda (Verlichtende wijsheid) en Ahriman (destructieve geest), dan is elke oorlog er een tussen goed en kwaad. IS wil de ongelovigen, de zwakken en aanhangers van de destructieve geest uitschakelen. Niets kan zo verleidelijk zijn als de eenvoud van dit schema.

Het zal dus aangewezen zijn dat leerlingen die verschillende schema's leren kennen en gaan inzien dat ze in deze wereld nu iets van het leven moeten maken. Maar tegelijk is het zo dat men dan moet zorgen dat er iets is waarin een jongere kan integreren. De vraag is ook of we aan het denken van Foucault en Lacan, Derrida niet ook positieve inzichten kunnen ontlenen. In het algemeen zou men de vraag kunnen overdenken of we iets in onze mars hebben dat tegen het nihilisme kan ingaan. Voor sommige verstandige mensen is er geen alternatief en moeten we ons geen illusies maken.

Want is de "Amor Mundi" die Hannah Arendt muntte niet ook maar een illusie? Zouden we kunnen leven zonder illusies, zelfs als we ons bewust zijn van het feit dat het illusies zijn, die we ook wel eens doorprikken als we te zeer doordraven? Misschien heeft Maarten Boudry werkelijk ongelijk als hij stelt dat geloven in een god een kwalijke illusie is, maar nog meer dan dat men, vertrouwend op de wetenschap zonder illusies zou leven. Tomas Sedlacek betoogde overtuigend dat men van de wetenschap geen exacte wetenschap mag maken. Maar zelfs in de natuurkunde en de scheikunde is de zekerheid, zelfs de transparantie niet zo groot als Maarten Boudry laat geloven. Het Niets valt even moeilijk bevattelijk te maken als het oneindige, wat niet betekent dat het er niet zou zijn. Als men weet dat men getallenreeksen kan bedenken die eindeloos doorlopen, ook al kunnen we de getallen niet meer in gewone decimale vorm kunnen noteren, dan wordt begrijpelijk dat we inderdaad kunnen zeggen dat 2+2=4 maar dat getallen van 12 cijfers optellen of er de vierkantswortel van trekken al minder gemakkelijk foutloos verloopt zonder rekenmachine.

Waar men tot slot dan ook voor zou moeten pleiten, zoals Rudiger Safranski voorzegde, is dat we weliswaar kiezen voor een robuust realisme, maar dat we er wel meer dan een scheut idealisme aan toe kunnen voegen, want realisme zonder meer wekt niet op tot daden, idealisme zonder toets aan de werkelijkheid is ook best ijl en laat mensen verloren lopen. We zullen ook de autoriteit van leraren best opnieuw herstellen, door niet zomaar af te geven op deze mensen - die niet altijd meer de best denkbare opleiding krijgen of er niet goed op voorbereid zijn - wat dus tot een moeilijkheid leiden moet. Betere opleiding en handhaven van hoge standaarden zal nodig zijn. Maar ook het idealisme, zoals dat van mijnheer Bruis, de meester van Ciske de Rat, moet men onderhouden. Daar kan de overheid niet veel aan doen, maar het is een kwestie van een gedeeld geloof in de toekomst en in mensen. Dan kan men hen, die leraren m/v en ook ouders, journalisten van doordringen dat ondanks alles, ondanks onze eigen tekortkomingen, een grote verbondenheid met de wereld, juist, liefde voor de wereld, voor de mensen en voor de omgeving die we krijgen en die omgeving die we zelf hebben gemaakt, opgebouwd, best goed is. Het nihilisme, waarover Frans Van Looveren het heeft, kan men niet counteren met iets dat even absoluut is maar dient men door een geloof in de waarde van de dingen, ook van wat tussen mensen aan goeds mogelijk is, partij te geven.

Hoe we naar onze samenleving kijken, is niet zonder betekenis, maar de soms heftige afwijzing van hetgeen ons welvaart gebracht heeft, vindt men niet enkel aan de zijde van de jihadi's, want ook ecologisten hebben de neiging zeer absoluut uit de hoek te komen. Maar wel moet men weten dat er waarden zijn waar men niet op mag afdingen.

Bart Haers

  





Reacties

Populaire berichten