Sapere Aude! de Aufklärung indachtig



Brief


Aan Maarten, Gwendolyn en
al die weet te zeggen
Dit is de Verlichting


Brugge, 26 november 2015


Beste Maarten, Gwendolyn,

 In 1784 schreef Kant in een Berlijns tijdschrift een
antwoord op de vraag "wat is Verlichting" en
vaak loopt het fout als wij het hebben over
de waarden van de Verlichting
misschien klinkt het wat te amicaal, maar we zijn toch kameraden in dezelfde strijd, die ter vrijwaring van de Verlichting. Of zou ik mij vergissen en strijd u voor een systeem, terwijl ik het vrije borrelen van de Verlichting wil vrijwaren. Dan sta ik wellicht dichter bij de inzichten van Ignaas Devisch, die terdege beseft dat de Verlichting niet tot de duidelijkheid en eensgezindheid kon leiden die u, Maarten Boudry en Gwendolyn Rutten verwachten. Maar waarom is er hier verschil van inzicht?

De heer Immanuel Kant schreef in December 1784 een antwoord op de vraag: Wat is Verlichting?

Verlichting is het bevrijden van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuld heeft. Onmondigheid is het onvermogen zijn verstand te gebruiken zonder leiding van een ander. Deze onmondigheid is eigen schuld wanneer de oorzaak ervan niet ligt in het gebrek aan verstand, maar wel in het gebrek aan moed en wilskracht, het zijne te gebruiken zonder leiding van een ander. Heb moed je eigen verstand te gebruiken! Sapere aude! is aldus de kernspreuk van de Verlichting.

Als dan mensen u zeggen dat u de waarden van de Verlichting in stand wil houden, dan ontgaat u ontegenzeggelijk dat u eerst mensen duidelijk moet maken dat ze zelf moeten denken. Maar waarover denken mensen dan? Over het regeringsbeleid, over Klimaatverandering of de Syrische kwestie en dan is het wat gemakkelijk te zeggen dat we de informatie moeten aannemen voor evangelie. Zelf nadenken zonder de leiding van anderen? Als ik uw stuk lees, mevrouw Rutten, wil u wat graag leiding geven aan de theoloog Frans Van Looveren, maar u kan niet anders dan accepteren dat hij meent dat elke generatie, elke cultuur een eigen soort geweld voortbrengt. Maar u zegt dat wie de Verlichting weet vorm te geven vanzelf van geweld zal afzien. Het mag volstaan te verwijzen naar het lot van Ernst Bloch, die door de leiding van de SED zijn ambt als hoogleraar moest opgeven. Dit is geen geweld?

In Macht en Onmacht legt Tinneke Beeckman uit hoe we de bijl aan de wortels van de Verlichting leggen, onder meer omdat we ontkennen dat er een kenbare waarheid zou bestaan. Het Postmodernisme erkende niet langer dat we iets met grote zekerheid zouden kunnen poneren. Ook zouden we niet in staat zijn onze eigen positie goed te erkennen, wat juist voor Kant wellicht cruciaal mag heten. Toch moeten we ons afvragen wat Tinneke Beeckman als vaststaand beschouwt, want welke door experten aangeleverde kennis moet men zonder voorbehoud aanvaarden. Dan komt men uit bij het proces van klimaatverandering. Beeckman zegt dat we moeten aanvaarden dat de klimaatverandering een menselijke oorzaak heeft. Men kan er niet omheen dat de Industriële Revolutie voor een andere manier van leven heeft gezorgd en dat de mensheid, het Westen en Japan voorop er veel toe bijgedragen heeft dat de kwaliteit van de lucht en de verhoudingen tussen zuurstof, stikstof en CO² licht gewijzigd zijn, genoeg om het leven in de biosfeer te wijzigen.

Maar dan ga ik denken, mevrouw Beeckman en kom ik bij de vraag of het klimaat, op mondiale schaal niet een tikje te complex is om er als mensen iets mee aan te vangen. De temperatuurstijging moeten we beperken tot twee graden, maar in Parijs komt men zover nog niet, zou het 2,7 graden zijn. Ik wil graag aannemen dat de aannames kloppen, dat bij 2 °C stijging van de temperatuur het globale ecosysteem min of meer onder controle zou zijn. Maar mevrouw Beeckman zal wel begrijpen dat niemand zomaar kan aannemen dat we een complex systeem als het klimaat zouden kunnen beheersen. Men heeft immers over passaatwinden, over de Straalstroom, over de gebieden van lage luchtdruk en hoge luchtdruk die niet altijd tot hetzelfde weer aanleiding geven.

Niets doen is geen optie, daar ben ik het mee eens en daarom ben ik er voorstander van het nodige te doen omdat het moet en verder te begrijpen dat we niet zeker kunnen zijn van de uitkomst, c.q. de beperking van de stijging van de temperatuur. Ik ben dus vooral sceptisch over de aanpak en - het weze ten overvloede herhaald - over de te verwachten resultaten. Maar ik ben een kind van de Club van Rome, die zich zeer bezorgd uitsprak over de verspilling van grondstoffen, over de vervuiling van de vier elementen, lucht, water en aarde. Het vierde? Het vuur? Dat zal, zegt men, ooit alles vernietigen. Maar in Tsjernobyl en Fukushima hebben we gezien dat het echt mis kan gaan met energiecentrales. Zorgzaamheid is een vereiste die ik kan onderschrijven. Probeert men de te verwachten stijging van het zeeniveau in de hand te houden, dan denk ik dat we de inspanningen niet goed kunnen motiveren. Niets doen is geen optie, maar wat we doen zal niet per a priori zichtbare resultaten opleveren. In die zin ben ik sceptisch over wat we kunnen doen maar ik denk dat we wel veel moeten doen rond energieproductie en onze positie als consument heroverwegen.

Klopt het dat Kant zegt dat we zelf moeten denken, dan kan men er ook niet omheen te vragen waar het denken begint en waar het opnemen van informatie eindigt. Hannah Arendt schrijft dat wie nadenkt weliswaar niet in deze wereld is en onmiddellijk door zintuiglijke ervaringen gewogen is, maar met zichzelf een discussie voert. Maar het onderwerp van die discussie is niet een of ander beter universum, maar precies de dingen des daags.

Maarten Boudry vertelde enige tijd geleden in Brugge en legde uit dat godsdienst een illusie is en geloven dat God bestaat een behoorlijk gevaarlijke waan. Zelfs in de Arabische wereld waren er lange periodes dat de eensgezindheid over het geloof zorgde voor stabiliteit en vrede, maar ook zorgde het bij tijd en wijle voor oorlogen en voor interne conflicten. In het Jodendom zien we dat er in Europa in tussen de 8ste, 9de eeuw een grote aanwezigheid in het Rijnland op te merken valt en pas rond 1096 werden ze hard aangepakt door de Christenen, als deel van de aanval op de Saracenen, de vermeende bevolking in Palestina toen. De Christenen hebben bloed aan de handen, dat valt niet te loochenen, maar ik denk dat zonder het christendom concepten over het goede samenleven, over de vrije wil - die trouwens mee door de Arabieren vanuit de oudheid werden overgedragen - nooit de reikwijdte hadden gehad die we nu kennen. Voor Boudry gaat het er bij de vaststelling van Georges Lemaître, de priester die in 1931de uitdijing van het heelal niet om de priester ging, wel om de geleerde. De man zelf hield dat onderscheid ook zorgvuldig aan, maar toch, de man was priester en dat belette hem niet zijn wetenschappelijk onderzoek te doen volgens de regels van de natuurkunde.

Ik haal dit aan omdat precies deze ontdekking aangeeft dat er binnen het christendom mensen waren en zijn die onafhankelijk van het gezag denken. Tegelijk moet ik vaststellen dat het vrijzinnigen niet altijd lukt autonoom inzichten te ontwikkelen, maar graag meedrijven - al denken ze dat ze tegen de stroom ingaan. Autonoom denken lijkt me namelijk een moeilijk ding, nog afgezien van het feit dat men autonoom en rationeel zou moeten denken.

Wat leert de rede? De rede is geen ding, is een vermogen van mensen dat best goed van instrumenten voorzien wordt tijdens de vormingsjaren. Denken behelst essentiële vaardigheden als rekenen, lezen en schrijven en vervolgens kennis van grammatica en syntaxis om uit te komen bij de retorica. Hoe men gedachten formuleert, ook voor zichzelf, kan gevolgen hebben voor de uitkomst. De formulering van een probleem verloopt van waarneming tot abstractie en vervolgens moeten we iets bij de hand hebben, dat we de rede noemen, dat het allemaal kan sturen, maar kunnen we het wel benoemen, dan kunnen we er nog niet de vinger op leggen.

Ik denk dat dit een gevolg is van een te enge kijk op de Verlichting, zoals u, Maarten Boudry en Gwendolyn Rutten het ook weer voorstellen, want u meent ook te kunnen zeggen wat de uitkomst van een denken over een probleem moet zijn. Dan legt u uw denken vast als maatstaf en mogen anderen niet met andere oplossingen komen. De houding van de jihadisten in Europa kan men niet accepteren, maar dat is de vraag niet. De vraag is waarom deze mensen menen dat ze niets meer te maken willen hebben met onze - naar uw inzicht - verlichte waarden, maar hoe men hen precies daarvoor kan interesseren.

Nog eens moet ik uitleggen dat mijn indulgentie ten aanzien van gelovigen voortkomt uit de vaststelling dat mensen soms niet verder kunnen zonder een geloof, maar dat die mensen daarom niet minder autonoom denken dan vrijzinnig humanisten. Al heb ik zelf - ik herhaal het voor alle duidelijkheid - de poort van de kerk achter me laten dicht glijden, niet toegeslagen omdat het van vermetelheid zou getuigen te menen dat het allemaal alleen maar om bloed en hypocrisie zou zijn gegaan. Maar ik kan geen antitheïstische houding aannemen. Hoe zit het dan wel? De traditie van de Verlichting acht ik zeer hoog, maar dat betekent ook dat ik kritisch blijf, ook tegenover de eigen inzichten, voor zover men daartoe echt in staat is. Want op dat terrein heeft Tinneke Beeckman wel een paar boeiende dingen geschreven. Over het feit dat men hypercritisch kan zijn tegenover derden en de eigen werkzaamheden alles onfeilbaar voorstellen gaat het dan en dat is wat u, Maarten Boudry een aantal opiniemakers aanwrijft, want ze zouden zich nooit bij de "wij" rekenen, die ze van kritiek willen dienen. U heeft daar wel een punt, denk ik, maar u veralgemeent evenzeer en dat werpt Ignaas Devisch u voor de voeten.

U twijfelt aan de oprechtheid van anderen, doet dat op grond van retorische middelen die we kennen, maar u veralgemeent en mist daarmee uw punt. U kijkt niet in eigen boezem en zegt niet dat ook wetenschappers vaak elke betrokkenheid terzijde schuiven als ze iets zeggen, over gezond leven, over onderwijs of wegeninfrastructuur, waarbij ze het niet nalaten mensen aan te pakken op hun kleine kantjes, hun fouten. Van verdienste is er zelden sprake.

Er schuilt namelijk een behoorlijke contradictie in uw beider aanhangen van de Verlichting, want mevrouw Rutten stelt dat we de Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) als universele maatstaf moeten nemen. Goed, afgehandeld, geen verdere vragen... of toch, mevrouw, hoe zal u er ooit in slagen de theologen in de Arabische wereld ervan overtuigen dat deze verklaring werkelijk universeel is. De aanspraak kan ik onderschrijven, maar ik moet met u vaststellen dat er ook ten onzent mensen zijn die de Verklaring van beperkte en bedenkelijke waarde achten. Ik ken genoeg pastoors die zonder moeite voor eigen parochie konden preken, maar nooit uit het eigen hofje traden. De priester die buiten de parochie ging spreken, die wilde duidelijk maken wat de waarde van de christelijke doctrine wel niet was, waren moeilijk te vinden, maar ze waren er wel. Nu ligt dat anders, want er zijn nog weinig gelovigen die echt weten wat de pastoor moet vertellen. Maar u, vrijzinnig en overtuigd van de waarden van de Verlichting, zal net zo gemakzuchtig spreken tot de gelovigen, de ongelovigen van de eigen parochie, sorry, HVV.

Want dat was mijn vaststelling, doorheen de jaren dat ik bij HVV geen intellectuele vrijheid zou vinden. Sommigen doen hun best, dat is zo, maar er komt wat mij betreft te weinig echt debat op gang. Maar dat ligt voor de hand, want als iedereen er een eigen mening op na mag houden, dan kan men ook geen stellingen verdedigen of aanbieden, liefst goed verwoord.

Daarom schreef ik u ook deze brief, geachte mevrouw Gwendolyn Rutten, geachte heer Maarten Boudry, omdat uw benadering van de discussie over waarden en aannames misschien vrijzinnig zijn, maar verdacht veel weg heeft van de praktijken van sommige al te paternalistische pastoors uit mijn jeugd. Heus, sommige waren juist niet geneigd hun autoriteit te pas en vooral te onpas in te roepen, maar dat waren er toch niet zo heel veel. Wat het gevolg was en is?

Een volwassen debat voeren, blijft moeilijk, zodat we elkaar met invectieven bekogelen en aan het einde van de dag moeten toegeven dat we niemand echt aangesproken hebben. Misschien was dat wel wat Voltaire en Diderot voor ogen stond, maar ook de meer eenzelvige Immanuel Kant. Van Spinoza weten we dat hij in het Latijn schreef maar ook dat hij een kring van mensen kende, met wie hij wel degelijk aan de babbel ging. Het komt me wel eens voor dat mensen die zeggen de Verlichting aan te hangen, als een set van dogma's, als een doctrine ook niet graag praten met mensen omdat ze menen dat het al boter aan de galg is. Die intellectuele luiheid vormt een aanfluiting voor alles wat naar mijn inzicht de Verlichting mag heten. Ik vraag het u, nog maar eens, probeer mensen aan te spreken met een verhaal waarin de rede zich verzoent met de emotie en dan niet enkel de inzichten van de controversiële Evolutionaire psychologie in acht nemend.

hartelijke groet, Salve,

Bart Haers



Reacties

Populaire berichten