Wetgevers zijn wij (ook)



Kritiek

De geest van de wet
Hannah Arendt en de gruwelen dezer dagen



Het Europees parlement in Brussel? weinig mensen
hebben er iets mee en toch, sinds 1979 worden de
vertegenwoordigers gekozen door ons, het volk, de
burgers in de lidstaten. Soms zegt men meewarig
dat er vooral uitgerangeerde politici zouden zitten.
Geldt dat ook voor notoire critici als Nigel Farage of
de heer Annemans? 
Bewust heb ik dit facet van het boek van Dirk De Schutter en Remi Peeters laten liggen, omdat het heel wat meer met zich brengt dan het schrijven van wetten of het verzorgen van de redactie zodat de Raad van State er geen kruis over maakt. Ook die redactie is dus belangrijk, maar er zit in de idee van Arendt een element dat wetgevers en zij de wet horen te kennen over het hoofd zien, tenzij het ons anders uit zou komen. De vragen die de auteurs stellen hebben inderdaad belang voor onze tijd en zeker als het over wetgeving, beheersing, macht aankomt, kan men bij de lectuur van Arendt heel wat opsteken.  De argumenten voor nieuwe wetgeving gaan vaak uit van de urgentie van een probleem dat zich plots heeft voorgedaan en dringend een oplossing behoeft. Past dit in een visie op duurzame wetgeving, zoals Arendt die voorstelde?

 Arendt was zeer vertrouwd met de gedachte aan revolutie, maar kon zichzelf blijkbaar niet voorstellen dat de revolutie vanzelf tot een betere toestand zou leiden. De meeste revoluties falen, in het spoor van de Franse Revolutie, omdat ze niet gericht zijn op een stichting, wel op het grijpen van de macht. De aandacht voor gelijkheid, zo meende ze, schakelde de fundamentele grond voor het politieke uit, de erkenning van verscheidenheid en pluraliteit, waardoor mensen wel als het gelijken met elkaar in debat kunnen gaan, zonder de eigen uniciteit op te hoeven geven.

Met dat alles moet men zich afvragen of die visie ook afstraalt op de wetgeving. Vaak horen we dat de Code Civile die Napoleon niet schreef maar afkondigde een monument is in het recht terwijl anderen menen dat de oude Code na 212 jaar wel de beste tijd heeft gehad, terwijl het niet om enkele artikelen gaat, maar om een poging van de auteurs om de wetgeving van het Ancien Regime beter te structuren en transparanter te maken. De wetgeving werd niet gestemd in een assemblee, maar opgelegd door een keizer. Natuurlijk, zou men in een parlement zoals het nu functioneert wel een codex van positief recht kunnen redigeren? Men zou het ook overlaten aan gespecialiseerde commissie van rechtsgeleerden en zou vervolgens het debat moeten aangaan.

Door te wijzen op het belang van de stichting en van de herdenking van die stichting, tracht Arendt aan te geven dat we ten allen tijde die wet als een wederzijdse belofte dienen te zien. In deze tijden, waar de overheid de neiging niet weet te onderdrukken wetten uit te vaardigen die niet altijd de juiste mensen raakt, maar zelf een soort maatschappij wil scheppen, naar het eigen beeld en de eigen gelijkenis, wordt de grond voor die wetgeving niet meer gevonden in de wederzijdse afspraak, maar in een afdwingen met wettelijke middelen.

Democratie kan niet ten allen tijde uitgaan van welwillendheid van alle burgers, want dan zou er niets meer tot stand komen. Maar wat opvalt is dat vandaag de argumentatie voor nieuwe wetgeving niet meer beargumenteerd wordt, zoals Arendt ook al zag: zich steunen op wetenschap en technologie is een goed ding, maar het mag niet de enige grond zijn. Doch als de besluitvorming niet meer uitgaat van de welwillendheid van burgers, als burgers zelf niet meer aan het besluitvormingsproces deelhebben kan het gebeuren dat zij geisoleerd raken, omdat het alles ervaart als van boven opgelegd, dan verdwijnt het politieke. Daarom keert Arendt zich tegen het technocratische bestuur. Haar eigen ervaringen in 1933 in Berlijn moeten haar wel overtuigd van de diepgaande almacht van een bestuursvorm waarin het politieke niet meer meespeelt, waarin de argumenten voor de wet niet in de ervaring van burgers ligt noch in het vermogen tot handelen maar bij een kleine groep die het geheel bestieren. Hans Fallada lijkt dat ook zo gezien te hebben terwijl Hans Keilson ook over de kwestie moet hebben nagedacht. Dat een aantal jongeren, zoals Hans Scholl en zijn zus Sophie met traktaten door Duitsland reisden, per trein om verantwoordelijk geachte figuren een tekst te bezorgen die hen tot handelen zou moeten aansporen. Wie begrijpen niet, nog steeds niet dat deze aanpak niet meer aandacht gekregen heeft. Gebrek aan succes? Kan best zijn, maar wat zouden wij aanvangen met die inzichten, als we zo een traktaat in de bus zouden vinden?

In onze wereld zoals we die nu kennen merkt men algauw de kloof tussen burgers en politici, waarbij er wederzijds over incompetentie wordt gesproken. Dat leidt nergens toe en klopt domweg niet. Wel is het zo dat politici vaak met een groot bedrijfsrisico te kampen hebben, als foute besluitvorming tot misstanden aanleiding geeft.

Waarom zou de regering toelaten dat het openbaar ministerie in geval van bewezen schuld, maar nog niet voor de rechter gebracht, aan het dealen gaan met misdadigers? Een zo een zaak is zo misgelopen dat de Nederlandse regering en vooral de VVD, nu regeringspartij in ruwe zee terecht is gekomen. De officier van OM, Fred Teeven sloot een deal met een crimineel die verdacht werd van drugshandel en om de een of andere reden wilde de officier van Justitie de zaak zonder proces regelen. Hier werd, zo blijkt 15 jaar later niet gehandeld in het publiek belang en ook wist justitie een zaak helemaal te laten schieten, wat de betrouwbaarheid van het gerecht niet ten goede kwam of komt. Mogen schikkingen dan helemaal niet? Is er een verschil tussen fiscale fraude, hoe grootschalig die ook mag zijn en drugssmokkel met alle bijkomende kleine en grote criminaliteit van dien? Mij lijkt het wel, al moet de schikking met de fiscus niet al te clement wezen. Natuurlijk zit er in het feit dat mensen fiscale fraude plegen niet enkel een egoïstisch opzet, het betekent ook de weigering deel te hebben aan het bestel, of nog, men weigert de rechtmatigheid van de fiscale heffingen te erkennen.

Dat kan een overheid niet over zich laten gaan, want als men hier metterwoon een inkomen krijgt, dan moet men betalen. Over burgerschap gaat dat niet meer: de burger heeft geen belang bij een eerlijke verdeling van de lasten en vindt de overheid niet bevoegd. Dat lijkt me dan ook een cruciaal kenmerk van deze tijd en van het publieke debat: de aanname dat de eenieder die hier woont burger is, tenzij in geval van illegaal verblijf, blijkt al wat ingesleten, maar gaat voorbij aan de vaststelling dat dit burgerschap zich slecht uit  in verplichtingen en de negatieve vrijheden worden wel gedeclameerd, maar in vele gevallen gaat het om beheer van de gang van zaken, niet over het vorm van een belangengemeenschap, waarbij niet enkel het nut van iets de grootste aandacht krijgt.

 Men kan als kritiek tegen de visie van Arendt inbrengen dat zij toch ook niet kan hardmaken dat economische overwegingen geen rol zouden spelen. Maar dat zegt zij niet, wel dat het nut van het nut twijfelachtig kan zijn, of nog: iets kan goed zijn, wenselijk ook als het geen onmiddellijk nut heeft. Dit moet men ook zien, denk ik dan, in relatie tot haar visie op technologie, waar ze een gedachte van Goethe lijkt te hernemen. Safranski stelt vast dat Goethe in zijn natuurkundige onderzoekingen tot de vaststelling komt dat er veel verloren gaat, als men instrumenten gaat gebruiken om iets te zien, te horen. De media verstoren de relatie tussen het subject en andere subjecten, zodat men van elkaar alleen maar een vertekend beeld overhoudt. Arendt lijkt ons ervoor te waarschuwen dat we niet zomaar technologie mogen aanvaarden omdat die macht geeft aan een kleine groep die het beheersen en dus autonomie ontneemt aan een persoon. Nu leven we in een samenleving waar we in een ander universum leven dan Hannah Arendt had kunnen bedenken. Zij beleefde het Apollo-programma waarmee mensen naar de maan gebracht werden voor onderzoek,   moet nog vernomen hebben dat twee ruimtetuigen werden uitgestuurd om de uiterste randen van het zonnestelsel te bereiken en daar nu bijna of geheel voorbij zouden zijn. Dit soort verkenningen heeft nog iets van de wijze waarop de oude Grieken aan wetenschappelijk onderzoek deden, zonder doel dus tenzij kennis verzamelen.

Maar we kunnen niet meer leven zonder technologie, die wordt ons ook vaak opgelegd, vaak op goede gronden. Daar zit niet het probleem denk ik, want we kunnen meer communiceren, gemakkelijker en veiliger reizen dan ooit voordien. Het probleem is dat de homo faber uit beeld verdwijnt, want steeds meer zijn het robotten die auto's maken, die huishoudapparaten maken en de enige homo faber is de persoon die de robots ontwerpt. Dat betekent ook dat een zingevend kader van onder ons bestaan met onze instemming wordt weggeslagen. Het werk en arbeiden verdwijnen uit deze samenleving tenzij in een gesublimeerde vorm, in een pop-up vorm, waarbij duurzaamheid niet meer de kern vormt, maar precies het even iets doen en dan weer iets anders. In haar definities laat Arendt zien dat arbeid duurzaamheid veronderstelt en meesterschap. Toch kunnen we beter de term die Richard Sennett presenteert, Ambachtmanschap, presenteren, niet als iets abstracts maar als omschrijving van wat vaardigheid, kennis, inzicht en het vermogen het ambacht uit te voeren, als meubelmaker of als metser, maar ook in andere intellectuele vakgebieden, zo stelde Sennett kan men die attitude maar best aanwenden.

Het verhaal dat Arendt bracht over het belang van herinnering, belofte, vergeving, laat toe anders tegen de wet aan te kijken. De juridische toets is altijd belangrijk genoeg, maar als het uitloopt op juridisch formalisme, kan het gebeuren dat nieuwe wetgeving mensen aantast in hun vermogen iets van het leven te maken in de publieke sfeer. De discussie over privacy is belangrijk, maar voor een deel berust dat op een misverstand. Men moet in het verborgene kunnen leven, maar pas in het publieke handelen worden we ten volle mens. Het is een vreemde vaststelling vandaag dat we onze kritiek op het systeem in termen van ja of nee formuleren en bij voorkeur als neen, want dan zijn we sterk. Maar als er groepen zijn die we het recht niet gunnen deel te nemen aan het publieke leven, dan ontstaat er een verscheurde samenleving. Toch zal men moeten onderzoeken hoe Arendt dat deelnemen zag, want hoewel ze prachtige noties als belofte, vergeving, herinnering in de waagschaal legt, moeten we nog altijd ook met haar aannemen dat de macht zich niet in een persoon incarneren kan, een koning, een charismatische leider, maar in de gemeenschap zelf, die samen over de zaken beslist. Maakt dat haar inzicht over de wet als een belofte van beide partijen onwerkbaar? Met geweld heeft zij niet veel, maar toch heeft ze erover nagedacht en duidelijk gemaakt dat geweld, zoals Dirk De Schutter en Remi Peeters schrijven in de sfeer van het maken, van de homo faber ligt, alleen gebruikt men wil geweld dat vermogen om mensen en dingen kapot te maken. Overigens, de homo faber moet geweld hanteren om ijzer te kunnen smeden of bomen te rooien.

Wij verwachten veel van de wet, vooral dat we vrijwaard zouden worden van hinder en vergeten dat we zelf dan ook anderen van hinder moeten vrijwaren. Arendt had daarom een ander vrijheidsconcept, waarbij dus niet de vrijheid van belemmeringen en regels en onderdrukking centraal staan, wel de vrijheid als burger deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Hoe kan men die vrijheid anno domini 2015 nog vorm geven? De representatieve democratie noemt men soms een aanfluiting, op zijn best een beperkt surrogaat voor de ware democratie. Op allerlei domeinen probeert men mensen via allerlei vormen van gespreksfora dat probleem op te lossen en mensen inderdaad burgers te laten zijn. De G1000 die David van Reybrouck opzette met anderen, mag een mooi voorbeeld heten, al was en ben ik sceptisch over de manier waarop men het realiseerde. Aan de andere kant vond de openbare radio, VRT, dat ze ook aan de toekomst kon bouwen met telkens groepen van 10, die gezamenlijk probeerden voorstellen te formuleren. Echt overtuigd was ik niet van veel van de voorstellen rond onderwijs omdat daar een pensée unique aan het licht kwam, die mij stoorde.

Het gaat immers niet enkel om de uitkomsten, maar hoe die bereikt worden door debat. Dat men in het debat maar beter gezagsargumenten kan vermijden, vormt dan nog een goede tweede, want heel vaak zeggen deelnemers niet dat onderzoek heeft bewezen dat... inzake onderwijs kan men vooral bewijzen dat een set van hypothesen heeft onderzocht en getheoretiseerd zonder dat men tegenargumenten ernstig wilde nemen. De wetten die daaruit voortkomen, hebben dan ook een twijfelachtige betekenis en roepen ook veel weerstand op, ook al omdat de andere argumenten niet gehoord worden.

Ik hoorde het Lieve Joris al eens zeggen, een paar jaar geleden, dat de democratie aan haar einde leek te komen, omdat de procedures uitgeput lijken en de betrokkenheid bij die procedures van burgers helemaal weggelekt zou zijn. Zelf bedacht ik me de afgelopen jaren steeds vaker dat politici dezer dagen vooral een groot gehalte aan paternalisme ten toon spreiden. Niet de democratie is het probleem, al zijn er wel verbeterpuntjes, wel onze attitude tegenover de wetgever en de wetten, besluiten. Wat we niet lusten of wat niet voldoet krijgt alle kritiek, ook al zijn er goede redenen voor. We hechten aan zaken die misschien niet zo goed geregeld zijn, want als we naar het gezondheidsbeleid kijken, dan hoor je voortdurend kritiek, maar dat het systeem wel goed is voor patiënten, vergeten de commentatoren dan maar. Dat het duurzaam moet zijn? Jawel, zeer zeker, maar daar moeten alle betrokkenen, de artsen, de ziekenhuizen, big farma en ook de patiënten iets in te brengen.

Het systeem, of het nu onderwijs is of mobiliteit beantwoordt inderdaad aan eigen wetten, een eigen dynamiek, maar als we het systeem de regie laten overnemen, dan is er geen ruimte voor eigen inbreng meer over en dat is wat mensen afkerig doet staan van de huidige regelgeving. Men moet het systeem dan ook goed begrijpen, wil men zelf de regie in handen houden. Pas dan kan de wet ook een belofte blijken.


Bart Haers



Reacties

Populaire berichten