Cultuur paarlen en doornen



Dezer Dagen


Kwestie van cultuur
Waarover men niet spreken kan

Met dit boekje  van Han Fortmann begon ik mijn
antropologische verkenningen. De discussies over
integratie van migranten e asielzoekers stemmen
me niet altijd vrolijk, vooral omdat men meent
te kunnen zeggen wat "onze" cultuur nu wel is.
Veel valt er over te zeggen, maar het blijft altijd
imperfectie, niet exhaustief... 
Wat is cultuur? Wie cultuurgeschiedenis wil bestuderen moet er wel eens z'n of d'r hoofd over breken en dan blijkt dat het omschrijven, definiëren van het begrip niet van de poes is, nooit volkomen afgerond aan het licht kan komen, want als de definitie van een definitie is dat die elegant, uitputtend en alles behandelend is in een beperkt aantal tekens, dan zal het begrip cultuur omschrijven altijd weer uitlopen op een opsomming. Een ander element is dat we geneigd zijn cultuur als iets statisch te beschouwen, wat we misschien wel zouden wensen, maar in de praktijk onhoudbaar is gebleken: cultuur evolueert, soms onmerkbaar, soms met grote schokken en durft men te denken dat hier het economische voorop staat, dan blijkt net dat juist minder helder want ook ideeën kunnen de geschiedenis en vooral dus de cultuur veranderen, om nog te zwijgen van de technologische vernieuwingen. De grote vraag is dan niet wat primeert, wel hoe verschillende, ongelijktijdige evoluties op elkaar inspelen.

Cultuur is dus wel mensenwerk, maar of we daar in een oogopslag zicht op krijgen, lijkt voor de een makkelijker bevestigend beantwoord te worden dan voor uw dienaar. Er zit namelijk niet alleen het werken in, het ontwikkelen van processen van jacht en pluk om te overleven tot slachten en conserveren om de kwade tijden, de winter door te komen, maar ook de arbeid, het produceren van instrumenten om de dingen die nodig zijn om het nodige te kunnen doen, van messen over bewaarpotten tot hakbijlen en wapens; het derde niveau is dat van het handelen en de kunst, maar dus ook van de verbeelding en daar wordt het heikel, want wat behoort tot ons publieke optreden, wat noemen we kunst en vooral blijft de vraag woekeren hoe het nu zit met de verbeelding.

De kwantumfysica kan men wiskundig uitdrukken, maar de gedachte dat materie zowel wat massa als wat locatie onbestemd zou kunnen zijn, lijkt velen in contradictie met de idee dat we wetenschappen ernstig kunnen begrijpen en dat dus zoiets als de Kat van Schrödinger, een gedachtenexperiment, iets zinnigs zou kunnen zeggen over een gevaarlijk element (uranium) in een stalen doos, een busje blauwzuur en een kat. Alleen als men de doos openmaakt weet men of het atoom het mechanisme in beweging bracht door zich te verplaatsen, waardoor de kat wel moet sterven. Is de doos toe, dan weet men niet of de kat leeft en zijn beide uitspraken geldig. De ongelovige Thomas zal het wel niet leuk vinden.

Maar we voeren de kat van Schrödinger doorgaans op als een curiosum, niet als het gedachtenexperiment dat het is. Ook de Clootkrans  die Simon Stevin bedacht om het perpetuum mobile definitief van tafel te krijgen - al behoort het tot de stadslegenden dat er altijd wel mensen waren die een half of heel leven lang zochten naar de ingrediënten en onderdelen van een perpetuum mobile. De zon geeft er anders een behoorlijk voorbeeld van, al is ook het bestaan van zon niet oneindig, zijnde bepaald op ongeveer 5 miljard van heden af. Meer dan een mensenleven, dus.

Gaat dit alles niet over weetjes, die hun belang hebben, maar in het dagelijkse bestaan efemeer lijken en valt er over de lezing ervan, het perpetuum mobile, niet eindeloos door te bomen, te zagen? Wellicht wel, maar het is wel een kenmerk van de condition humaine dat we een taal hebben ontwikkeld die geschikt blijkt voor kwesties van de aard der dingen na te denken en te spreken. Soms kan het een gevoel van voldoening geven als men over het fenomeen dat het zwarte gat is, iets weet te reproduceren, maar geeft het ook iets weer van wie we zijn? Ongetwijfeld wel, want hoewel we menen te weten wat zo een zwart gat nu wel niet is, dan nog blijkt dat het met de processen die materie in en om zo een zwart gat ondergaan nog altijd behoorlijk ingewikkeld in elkaar te zitten. Wetenschappelijke kennis kon maar vorderen als de middelen, de instrumenten, zoals de telescoop en de microscoop ter beschikking kwamen, maar tegelijk zorgden oplossingen voor wetenschappelijke kwesties vaak voor nieuwe technologie, die ons bestaan steeds meer kwam beinvloeden, ten goede en ook wel eens ten kwade.

Maar cultuur impliceert dat het niet alleen om het zichtbare gaat dat mensen hebben voortgebracht. Mensen hebben denkbeelden bedacht en doorgegeven, met elkaar gedeeld. Denkbeelden over wat ze/we wel konden bevroeden maar niet helder konden zien, laat staan formuleren. Men kan over de wonderen in het Oude en vooral Nieuwe Testament veel zeggen en ze afwijzen, wellicht vormen ze niet de kern van het verhaal of alleen via omwegen. Men kan de wreedheid van Abraham jegens Isaak niet goed praten, maar wat zouden we ermee zijn als er alleen heiligen in voorkwamen, die perfect deden wat we denken dat ze moesten doen. Men kan de Bijbel een bloedboek noemen, welaan dan, die verhalen vertellen iets over de conditon humaine zoals mensen die ervoeren.

De symboliek van de kerk, van het christendom baadt in het bloed, zoveel is zeker en toch, dat bloed staat voor meer dan alleen het levensvocht dat zuurstof naar spieren en het brein brengt, het gaat over het leven zelf. Als bepaalde overtuigingen per fas et nefas bloedtransfusie weigeren, voor zichzelf maar ook voor hun kinderen, ook al is het levensreddend en de enige mogelijkheid om een goed leven te hebben verder, dan moeten we daarover discussiëren, zoals al ampel is gebeurd. Maar doorgaans begrijpt men de gelovigen die dit heilsmiddel, die therapie, weigeren niet en kan men hen niet overtuigen, omdat ze uitgaan van iets dat de arts niet meer in het achterhoofd heeft, een besef van de integriteit van het lichaam dat in deze het verder leven dan weer hypothekeert. De waarden van onze cultuur, zegt men, verplichten ons zo te leven dat we ten allen tijde gezond zijn en niet voor onze tijd oud worden. Het was een heilzame gedachte, zeer zeker, maar zoals bijna elke heilzame gedachte werd het bij velen een dwanggedachte. De eindigheid van het leven, het levenseinde zelf bepaalt velen in hun visie op het leven, terwijl de gedachte dat we domweg het leven krijgen, door een min of meer acrobatische activiteit van twee mensen die elkaar graag menen te zien. We worden geboren, krijgen een begin mee, maar omdat baby's doorgaans nog geen weet hebben van hun bestaan, lijkt dat voor velen een te veronachtzamen onderdeel van hun bestaan. Maar na de fysieke geboorte van het lichaam, beleven mensen ook - hopelijk - een mentale geboorte, waarin het bewustzijn ontwaakt. Giacomo Casanova heeft dat mooi beschreven in zijn Histoire de ma vie, waarin hij vertelt hoe hij lang leed aan neusbloedingen en door een of andere toverkol te bezoeken kon zijn grootmoeder hem genezen. Zelf doorzag hij, blijkt hem later dat hij haar truuk wel doorzien had en dat bracht hem het bewustzijn iemand te zijn.

Toch blijken we ons in onze visie op cultuur niet te kunnen bevrijden van de gedachte dat het individu er alleen in staat en toch spreken we over iets algemeens, waardoor de schakeling van het individuele naar het collectieve, gedeelde moeilijk te maken valt. In onze  benadering strijden twee concepten altijd weer om voorrang en dat soms op merkwaardig vermengde wijze: aan de ene kant heb je een benadering die de mens fundamenteel als eenling ziet, die met de samenleving een sociaal contract sluit, waarin rechten en plichten zijn vastgelegd, maar het samenleven zelf is een kunstmatig geven, dat we niet per se hoeven te willen; aan de andere kant staan mensen die de mens zien als een sociaal wezen, dat in groepen leeft. Plato voert in deze de eerste falanx aan, Aristoteles zag vooral dat het samenleven van mensen in steden, in de polis de normaalste zaak van de wereld is. Wel is het voor Plato van belang dat we kunnen samenleven en daarvoor is wijsheid nodig, maar alleen de wijze, de filosoof-koning is daar goed toe in staat. Sinds Aristoteles zijn er ampel denkers geweest die het individu in de gemeenschap zagen, maar die de natuurlijke context van het samenleven wensten te milderen opdat het individu een mens worden kan.

Als de integratie ergens faalt, dan is het in voeren van de discussie over dit punt: hoe kan een persoon in een samenleving gedijen en een goed mens zijn, zonder door de gemeenschap verpletterd te worden. De Verlichting heeft op het avontuur van de Europese intellectuele ontwikkelingen sinds Augustinus een kroon gezet, maar ondanks de paarlen, zitten er ook wel doornen aan. Want de emancipatie van het individu slaagt maar als een persoon de kans grijpt om in de communitas een eigen rol te vervullen, dat hoeft niet per se politiek te zijn, want ook een werkman neemt zijn plaats in, net als een huisvrouw, een wijsgeer ook, derhalve.

Onze cultuur heeft ook andere kwesties vorm gegeven, zoals de betekenis van arbeid, om een heikel punt in deze tijd aan te geven. Marx was, aldus de in deze blog onvermijdelijke Hannah Arendt vies van werk en van de mensen die het harde werk leverden en zowel in Engeland als in Brussel moet hij ze hebben gezien, de werkmensen. Maar de betekenis van arbeid in ons leven, daar lijkt hij ook niet veel woorden aan besteed te hebben. Arendt geeft juist hoog op met arbeid en werk, als ziet ze er de beperkingen van en blijkt vooral handelen de kroon op het werk in het individuele bestaan te vormen. Dan krijgen ook de lasser, de arbeider in de hoogoven het te verduren. Het is eigen aan intellectuelen en helaas ook aan historici dat ze de betekenis van werk alleen in de bijbelse zin van lijden bekijken en op een uitzondering na als Hendrik de Man de arbeidsvreugde niet onderkennen. Richard Sennett heeft in zijn werken over respect en ambachtsmanschap die gedachten ook wel vorm gegeven en dat op een opmerkelijk wijze, maar ze blijken niet afdoende salonfähig. En wat te denken van het werk van Thomas Sedlacek, dat heel wat minder onder de aandacht gebracht werd dan het werk van Piketty? Over waarden en illusies, daar gaat een debat over cultuur in en toch is Sedlacek interessanter voor wie over cultuur wenst na te denken en over de betekenis van ons economisch handelen dan Piketty.

Vele van onze opvattingen komen niet zomaar in ons op, maar krijgen we mee in een lang proces van opvoeding en vorming, waarin ook een proces van socialisatie aan de gang is, dat niet altijd optimaal verloopt. Maar vele pedagogische programma's sinds de negentiende eeuw hebben zozeer de aandacht gevestigd op het individuele alleen en op individuele expressie, dat het uitwisselen van inzichten niet altijd meer aan de orde kwam. Men kan het schrift, de boekdrukkunst als uitdrukking zien van het vermogen tot delen, het waren en zijn ook de vehikels van het denken en uitwisselen van gedachten. Nu we via internet zoveel kunnen delen, klagen moraalridders over de ongezouten taal op fora als twitter, facebook, recensiefora van vakantieressorts en restaurants. Deze of gene moet maar iets zeggen en het halve land valt over hem of haar heen, terwijl die kreten inderdaad meer lijken op het gekrijs van de kraaien in onze landouwen. Bij al die discussies en dat gekweel, blijkt het onderscheid tussen het aannemen van iets als waarheid en nuttige illusies vaak niet te maken voor wie midden in de mêlee staat.

Een ander element in de discussie blijft vaak veronachtzaamd: de kwestie of onze kijk op cultuur normatief is of descriptief en ook daar weten we niet altijd zo goed te kiezen. Over de omstandigheden kan men normatief spreken, maar als we over het functioneren, de aard van het concept en fenomeen cultuur spreken, dan lopen we vast omdat we ongemerkt van het normatieve register overstappen naar het descriptieve en vooral het omgekeerde  doet zich voor, al lijkt de spreker of auteur zich daar niet altijd van bewust, want hij of zij is precies van het normatieve dat in een cultuur besloten ligt, in de vorm van geboden en verboden, in de vorm ook van taboes die we de afgelopen decennia gesloopt hebben, denken gesloopt te hebben.

Er valt over onze cultuur veel te zeggen, ten goede in elk geval, maar er zitten ook rafelranden aan en dingen die tot heroverwegen nopen, want perfect is het niet. Maar hoe onze cultuur op immigranten overkomt, blijkt in het debat vaak door luide stemmen gekaapt te worden. Wie de taal van de regio niet spreekt, zal niet alles kunnen vatten, menen velen en daar valt iets voor te zeggen. Waarom sommige mensen de taal niet leren, vaak vrouwen die als bruid hierheen kwamen, blijft buiten beeld. Zou het zo zijn dat in die culturen de vrouw niet met de buitenwereld in contact hoeft te komen? En zouden er niet tal van vrouwen die achter de voordeur moeten blijven juist wel uit die kuisheidsgordel willen breken? Of vrezen mannen dat kennis van deze, onze cultuur hun dames onhandelbaar zou maken of afvallig? Sinds men mij  veertig jaar geleden over gastarbeiders sprak, is me nog altijd niet duidelijk geworden, in het publieke debat, hoe men daarover van gedachten zal wisselen. Culturen verschillen, al mag men ook de interacties doorheen de geschiedenis niet veronachtzamen, wel is het zo dat sommige gebieden lang buiten die wisselwerking zijn gebleven en slechts traag met de buitenwereld geconnecteerd raakten, verbinding kregen of zich op enig moment hebben afgesloten van de buitenwereld.  De immigranten uit het Rif-gebergte in Marokko of uit delen van Turkije waren geen bevoorrechte mensen maar velen slaagden erin iets van hun leven hier te maken. Maar kinderen in een moderne samenleving opvoeden, dat bleek niet altijd eenvoudig.

Het geweldmonopolie van de overheid en het verbod van wapendracht door burgers is bij wet geregeld, maar het vormt wel een eeuwenoud gegeven in onze cultuur. Al in 1128 wordt op de markt van Torhout een graaf en worden leden in zijn gevolg aangemaand hun wapens aan de stadspoort achter te laten omdat het verboden is op de stedelijke markt wapens te dragen. Het droeg bij aan het vroegtijdige einde van Willem Clito's graaflijk loopbaan in Vlaanderen. Sinds de abdijen van de orde van Cluny met de godsvrede, de lokale vredes en de tijdelijke, regelmatig terugkomende vredes uitpakten werd particulier wapengeweld er heel wat minder op. Het is een van de baten die de christelijke instituties hebben gebracht en ze zijn later terecht overgenomen door wereldlijke overheden. In de VS heeft men van het Second Amendment gebruik gemaakt om wapendracht door burgers - tot in universiteiten toe - vrij te maken. Een goede gedachte in 1776 blijft dat niet doorheen de geschiedenis, omdat de omstandigheden veranderen, maar de aankoop van wapens blijft in de VS hoog en het aantal doden, door ongeluk of door bewust mikken evenzeer. Geen mens kan beweren dat hij of zij er bestand tegen is onder hoge druk tot geweld over te gaan, maar doorgaans wordt dat aardig getemperd. Maar als we gewoon zijn wapens bij de hand te hebben, wordt het nog moeilijker eraan te weerstaan. Een vreedzame samenleving bereikt men niet zo gemakkelijk, maar vergt van burgers heel wat, ook zelfbeperking. Kan men dat niet delen met mensen uit andere culturen en hoe moet dat dan?

Cultuur omvat veel, zo niet alles wat de mens uitricht, bedenkt, realiseert, aanneemt of leeft. Nadenken hierover kan dus nooit eenvoudig wezen en bepalen wat we ermee kunnen aanvangen is niet enkel een maatschappelijk, publiek en collectief gegeven, maar ook een zaak van individueel overwegen en aanvoelen. Zo zijn er nog wel meer kwesties die zich niet eenduidig laten duiden. Maar het betekent ook dat we over onze cultuur veel kunnen zeggen, maar dat het altijd afhankelijk is van onze eigen benadering. Normatief of descriptief, het maakt een wereld van verschil en neen, het is niet enkel rechts dat graag normatief over cultuur spreekt. Draagt cultuur bij tot welzijn? Is het alleen een vernis? Ik dacht het niet.


Bart Haers   

Reacties

Populaire berichten