Geschiedenis in het onderwijs? Wat baat het?



Reflectie


Geschiedenis op school
Saai, saai of net leuk

Doek van Pieter Paul Rubens over een verhaal
van Titus Livius in diens geschiedenis van de Stad Rome.
De roof van de Sabijnse Maagden? Historisch staat
het niet vast, weten we het niet, maar het laat zien
hoe verhalen functioneren. 
Een historisch weetje: voor 1958, 1960 was geschiedenisonderwijs, zoals alle onderwijs nog altijd een voorrecht, al deden meer ouders dan we nu bedenken inspanningen om hun kinderen naar school te sturen, liefst naar het college om Latijn te leren. Alleen wie ASO volgde, toen heette dat nog humaniora kreeg echt grondig onderwijs in geschiedenis. Wat de kwaliteit van dat onderwijs dan kon zijn, bijvoorbeeld in de Katholieke scholen? Ik zou er maar niet al te zeer op neerkijken en bovendien, vergeten we niet dat de studenten in die tijd, toen waren humanioraleerlingen nog studenten en sprak men de docenten aan als professor, in andere vakken voortdurend met geschiedenis te maken kregen, want Cicero lezen of Goethe, Victor Hugo of Chateaubriand, men kwam met een ander, eerder heden in contact.

In een mailgesprek kreeg ik deze week de vraag wat iemand zal zeggen waarom een veertien, vijftienjarige geschiedenis zou moeten leren, het is toch alles voorbij. De vraag is volkomen legitiem, want ook al zit men nu in de situatie dat vrijwel iedereen ASO of TSO volgt en vaak iets te verstouwen krijgt dat op geschiedenisonderwijs moet lijken, mag weten waarom die omgang met het verleden waardevol kan zijn. "Waarom geschiedenis studeren?", die vraag kregen we in de zesde Latijnse te verwerken bij mijnheer Herman Van Bostraeten. Schitterende lessen om de humaniora mee aan te vangen. Ook het wat en hoe kwamen aan bod, met voorbeelden en met andere eerdere abstracte overwegingen die ons wel eens op een dwaalspoor leken te brengen, maar ons begrip van wat het verleden is, wel stevig aanjoeg. Dat we intussen ook nog een begin van antropologie meekregen en de geschiedenis van de soort, dus, u raadt het wel, expliciet de evolutietheorie gepresenteerd kregen, mag een blijk zijn van de kwaliteit van het onderwijs toen. Dat een jaar later de leraar die ons Romeinse geschiedenis moet bijgrengen, er een zootje van maakt van data en namen, zonder verdere samenhang dan de vaststelling dat het Romeinse geschiedenis was, vond ik wel een opdoffer, maar goed, we waren verwend geworden.

Methodologie van de geschiedenis meegeven aan de jonge dame, kan een saaie bedoening lijken, maar men zal begrijpen dat als ik voor een klas staande zou zeggen dat de roof van de Sabijnse maagden een historisch feit is, zonder de bron, Titus Livius - schilderij van Rubens - , te vermelden en zonder met de leerlingen eens te onderzoeken of dat ene fragment betrouwbaar is om het gegeven voor een feit te houden, noch de geschiedenis noch die leerlingen een dienst bewijzen zou. Het gaat dan opeens niet meer over Romeinse Geschiedenis, maar om de kwestie die onze verre voorzaten altijd bekommerde, namelijk hoe vermijdt men zichzelf in de vernieling te rijden door zich voortdurend binnen dezelfde kleine kring van verwanten voor te planten, kinderen te verwekken. Omgekeerd kan men dan ook uitleggen hoe tot in de twintigste eeuw koninklijke en hoogadellijke kringen, maar ook burgerlijke families altijd in eigen families voor procreatie zorgden en hoe dit kon leiden tot uitsterven van dynastieën. Aldus kan men naar aanleiding van een gebeurtenis uit een mythisch verleden, verteld door een auteur zeven eeuwen later een aantal menselijke fenomenen voorstellen.

Maar wat is zo een puberend meisje daar nu mee? Niet direct nuttig, dat klopt, maar daar gaat het in onderwijs niet om, want het resultaat van goed onderricht is niet dat men eenvormige kennis voortbrengt. Zo een meisje dat al even seksuele prikkels zal ervaren, komt dan in één moeite tot de vaststelling dat vroeger vrouwen niet per se zelf hun keuzes konden maken. Het zou dan ook van een opmerkelijke vernieuwing van het historisch onderwijs getuigen als men meer aandacht had voor de inbreng van vrouwen in de samenlevingen toen, of het nu de middeleeuwen of de nieuwe tijden waren. Ook jongens zijn daarmee gebaat denk ik. Maar wordt Kenau, de vrouw die in Haarlem mee de verdediging van de stad opnam tijdens het beleg in 1573 en zo in de legende terecht is gekomen en een icoon van het wrokkige manwijf is geworden, terwijl ze wellicht best wist wat voor de onderneming van wijlen haar man van belangrijk was en voor de stad, maar ook dat sommige regenten - in de dop - niet de moed hadden het nodige te doen, vandaag in onze Vlaamse scholen te berde gebracht? Ik dacht het niet.

De kennis die studie van de geschiedenis oplevert, zegt men niet zelden, heeft geen praktisch nut, want men kan er niet veel mee aanvangen. Toch merkt men dezer dagen dat als men over de EU spreekt het historische proces waarin de Unie tot stand is gekomen, volkomen over het hoofd wordt gezien of naar eigen inzicht en nut wordt gekneed. Wie na 12 jaar het leerplichtonderwijs verlaat, heeft het recht beter te begrijpen hoe Konrad Adenauer, Charles de Gaule en Paul-Henri Spaak hun rol gespeeld hebben maar ook anderen, zoals Max Kohnstam, Jean Monet en Robert Schuman... Men kan dan ineens ook het begrip soevereiniteit bijbrengen, waarvoor de basis al gelegd is bij de studie van de zestiende eeuw, toen Jean Bodin zijn bijdragen over dat begrip neerschreef en ook kan man de rol van Hugo de Groot in zaken van volkerenrecht, oorlog en vrede aan de orde stellen. En misschien ook nog iets meekrijgen over de Conventie van Genève en de erbij horende akkoorden en hoe die tot stand zijn gekomen.

Moet onderricht over de geschiedenis dan niet wat meer chronologisch opgebouwd worden? Uiteraard wel, maar al heeft het niet veel zin alle Merovingische vorsten te memoriseren, toch kan het geen kwaad te proberen begrijpen hoe in die schemerige periode aan het einde van het West-Romeinse tijd en de ontwikkeling van een nieuwe samenleving en nieuwe machtsevenwichten vanaf de late 8ste eeuw, macht versplinterd kon raken, de handel stil leek te zijn gevallen en mensen meer in kleine dorpen gingen wonen. Maar er waren ook andere evoluties bezig, zoals de bouw van kloosters, die, zoals men het vroeger zo fraai noemde, lichtpunten in de duistere middeleeuwen zouden geweest zijn. Dat onder Karel de Grote (747/748 - 814) kerk en staat gingen samenwerken om de samenleving te stabiliseren, het gezag te herstellen en nieuwe wetgeving uit te vaardigen, mag men best onder de aandacht brengen. Waarom dan? Wel, ik denk dat men in de primitieve omstandigheden waarin Karolus Magnus en zijn omgeving, die bijna een Tafel Ronde vormden en zich wel eens inbeeldden opvolgers van de grote Romeinse keizers te zijn, vooral dan van de betere vorsten, zich ook met filosofie gingen inlaten en nadachten over macht, dat alles laat toe een antropologie van de macht te presenteren. De strijd tussen Karel de Grote en zijn broer Karloman mag men niet vergeten, net als de problemen in verband met de opvolging van de keizer, die eerst dacht alles te moeten verdelen maar uiteindelijk bleef er maar een opvolger over. Verdun? Meersen? Die hadden met de opvolging met Louis le Débonnaire/de Vrome te maken.

Macht is dezer dagen een ondergeschoven kind van de geschiedenis waarover men zelden spreekt en bijvoorbeeld de geschiedenis van de Graven van Vlaanderen laat dan weer zien hoe die graven aan de ene kant machtiger werden maar naarmate de ridderschap aan belang verloor kon de graaf steeds minder aan de wil van de steden voorbij, wat tot langdurige conflicten kon leiden. De slag om de Gulden sporen (11 juli 1302) wordt door historici als Marc Reynebeau afgedaan als een mythe, want hij spreekt over de roman van Hendrik Conscience, die ook over de moord op Karel de Goede, graaf van Vlaanderen een roman schreef en daarbij de bal pas echt volkomen verkeerd sloeg. Dat wil zeggen, de zoon van een Fransman schreef over de moord alsof  het om een bevrijdingsoorlog van een volk aan de kusten van Vlaanderen ging, de Kerels van Vlaanderen. Pas met het bronnenonderzoek onder impuls van Henri Pirenne zou blijken dat de Erembalden inderdaad weg gezet zouden kunnen worden als usurpators van de grafelijke macht. Tegelijk had die clan inderdaad ertoe bijgedragen dat Vlaanderen rond 1100 - 1130 tot een van de best bestuurde vorstendommen in Europa maakte. Men heeft de gewoonte aangenomen de geschiedschrijvers, zeker de wetenschappelijke, academische historici weg te zetten als lieden die bezeten zijn van feiten en behept met acribie ertoe geneigd de meest onnozele weetjes op te delven. Pirenne heeft als historicus in Gent inderdaad een school gesticht en hoewel veel van zijn inzichten door later onderzoek zijn aangescherpt en ook zijn weerlegd, zal dezer dagen voor het onderwijs geen bron van inzicht meer zijn. Maar waarom zou men niet, zoals Herman van Bostraeten het deed, jongelui bijbrengen hoe men tot geschiedschrijving komt, hoe feiten en gebeurtenissen tot ons zijn gekomen en waarom sommige feiten overdreven aandacht krijgen of figuren overdreven in het zonnetje staan, terwijl andere ten onrecht vergeten raakten. De toeschouwer bepaalt dus mee het relaas van de feiten.

Zo kan men ook bijbrengen dat we voor bepaalde periodes over bedroevend weinig bronnen beschikken, zoals de periode van de val van Rome - 410 of 476 pcn oftewel na christus - tot zo ongeveer de twaalfde eeuw, toen bronnen van juridische aard, van administratieve aard steeds meer bewaard werden en ons toelaten meer facetten van dat verleden te onderzoeken en zo het antropologische inzicht versterken. Voor de studie zal blijken dat men op zeker ogenblik met een overdaad van bronnen zal beschikken, die overigens niet altijd grondig genoeg op hun belang en betekenis onderzocht werden of worden. Ook kan het zijn, zoals men weet dat het moeilijk is de eigen blinde vlekken bij het onderzoek goed onder ogen te zien.

Toch zal men die jongeren proberen warm te maken voor wat gedegen onderzoek vermag en er tegelijk ook al eens de frivole, vrolijke kant van laten zien. Valt het dan niemand op dat we vandaag zeer moraliserend naar de geschiedenis kijken,  te vuur en te zwaar claimen dat Leopold II een schandalige viespeuk was en vooral een despoot in zijn kolonie. Zelden geeft men zich de moeite mee te geven hoe het eraan toe is gegaan in 1883 in Berlijn en hoe de Europese grootmachten elkaar dit gebied niet gunden. Wie was Leopold II? Hoe zal men hem presenteren? En vooral, mag men de regering van de vorst afwijzend wel echt voorbijgaan aan wat zich tijdens zijn regeringsperiode en leven in dit land en Europa heeft afgespeeld?

Jongeren mogen geschiedenis studeren en krijgen dat best door bekwame en bevlogen historici aangeboden. Wat ze ermee aanvangen, zal men niet kunnen beheersen, maar historisch denken laat toe te begrijpen dat de tijd waarin we nu leven, niet zomaar uit de lucht is komen vallen, de samenleving, de cultuur - al moet hier de innerlijke verscheidenheid, soms verscheurdheid wel onder ogen zien - het product is van het verleden in al zijn aanvankelijke onoverzichtelijkheid - die dus door de studie van geschiedenis overzichtelijker wordt en toegankelijker, maar dus ook van het handelen in recentere periodes.

Tot slot nog deze gedachte, er bestond in Nederland een grote traditie van historische romans, die in Vlaanderen weinig antwoorden heeft gekregen, waarbij auteurs als Cor Bruyn, Anne de Vries, Theun de Vries en Jaap ter Haar mij onmiddellijk te binnen schieten. Ook W.H.F. Visser schreef een monumentale geschiedenis van Nederland voor kinderen en jongeren die wel goed leest, maar het lijkt verloren in bibliotheken. Natuurlijk, ik las een zoveelste druk uit 1972, toch zou men perfect de aanpak van het boek kunnen hernemen. Deze tijd kent ook verdienstelijke auteurs, zoals Nelleke Noordervliet die via romans en essays het verleden, een bepaalde tijd tot leven proberen te wekken. Het valt op dat in het publieke domein gedegen essays over historische vraagstukken zelden het belang krijgen die ze verdienen. De studie van Johan Dambruyne over de opstand van Gent in 1538 - 1540 maar ook de nasleep ervan blijven in het gemeenschappelijke debat totaal buiten beeld. Kan men werkelijk de mythe van de stroppendragers verkiezen boven gedegen onderzoek publiek toegankelijk maken?

Maar nog eens, waarom zou het moeten, geschiedenis in het onderwijs? Het kan, mag en brengt veel bij, zich met geschiedenis en geschiedschrijving in te laten. Maar wat er van belang is, wat het onderwijs betreft is dat leerlingen en studenten zich niet enkel met de feiten mogen inlaten, maar ook hoe we ertoe komen bepaalde historische gebeurtenissen te onderzoeken en tot resultaten komen. Dat men data en persoonsnamen moet blokken? Ik denk dat als men er enigszins mee bezig is data gemakkelijker vastgezet worden in het geheugen, maar men kan geschiedenisonderwijs ook wel zien als het bouwen van een geheugenpaleis, waarbij data en feiten, personen en geografische geschiedenis samen een verhaal gaan vormen. Oh ja, of beter, oh neen, geschiedenis is niet altijd een verhaal van rationeel handelen, dat ware te gemakkelijk. Of nog: historici onderzoeken waarom mensen doen wat ze doen en dat is niet altijd wat men zou verwachten. Geschiedschrijving beantwoordt niet per se aan een ideaal en dus zullen ook lessen geschiedenis wel eens blijk geven van de onvoorstelbare chaos die het leven is. Maar dat is niet het einde van het verhaal. De spanningen binnen een samenleving onderzoeken laat jongeren toe aan de weet te komen hoe kennis en inzichten, voortschrijdend inzicht in de afwikkeling van crises functioneren kan.

Maar het blijft een kennis die men als culturele bagage kan beschouwen, zelfs een vermogen zich in andere tijden in te leven. Dan komen we dicht bij de historische sensatie, zoals Huizinga het noemde: na grondig onderzoek kan men zo vertrouwd zijn met een gebeurtenis, met figuren dat een fibula, een foto of een ruïne meer wordt dan wat het objectief is, maar tegelijk ook meer kan vertellen dan men er objectief aan zou kunnen toekennen, zonder in speculeren te vervallen.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten