Geschiedenisonderwijs: cui prodest?



Reflectie


Geschiedenis bestuderen
& adstrueren
cultuur begrijpen of onderkennen.


Wie leest nog Tacitus? Of het
"kletswijf" Suetonius? In het onderwijs
komt men er welhaast niet meer toe.
Maar ook bronnen en studies in andere
talen blijven vaak onbesproken,
zoals Heder of "Le siècle de Louis XIV",
waarin hij niet de wil en geest van een
man laat herleven, maar wat
in die eeuw door zovelen werden
bedacht en bevonden, want voor hem
was de 17de eeuw de meest
verlichte van alle. 
Ik hoorde dat er in het Vlaams parlement gesproken wordt over de eindtermen en ik zag Roger Standaert, prof. em. aan de KU Leuven spreken over de eindtermen en hoe die aan de ene kant een einddoel zijn en anderzijds een nastrevenswaardig doel horen te zijn. Intussen woedt in het licht van de oorlogsvluchtelingen uit Syrië en Irak en de vragen over een al dan niet dreigende islamisering van Europa een heetgebakerd debat over onze cultuur.

Zowel Links als Rechts vergissen zich als het over onze cultuur buigen en er het belang van willen weergeven, al vergissen ze zich zeer selectief, want links vergeet graag dat de leuze van de Franse Revolutie of de revolutie van 1870 in Frankrijk niet eenduidig waren, terwijl rechts denkt dat de belangrijkste prioriteit - wat zou een prioriteit anders zijn - dat men de toestand bevriezen zou, ook op het vlak van cultuur in brede zin. Dat is nu net nog minder mogelijk dan het handhaven van het klimaat over zeer lange periodes, omdat het klimaat altijd naar evenwichten streeft, maar er nooit toe komt, door accidenten zoals aardbevingen en inslagen van hemelrotsen en gewoon omwille van de dynamica van luchtstromen zelf. Culturen evolueren anders, waarbij endogene en exogene factoren hun rol hebben, maar de uitkomsten niet altijd vooraf te bepalen vallen.

Geschiedenis geeft het relaas van een wedervaren waarin we naar een zekere regelmaat kunnen zoeken.  Dat wil zeggen dat we niet alleen naar microgeschiedenis zoeken, maar naar evoluties over langere termijn, zoals demografische evoluties, naar levensverwachting, voor zover de bronnen dat toelaten en naar migratiestromen. Ook het klimaat vormt zo een evolutie die zich op langere termijn laat aflezen en gebeurtenissen als misoogsten of juist nieuwe teelten kunnen verklaren. Deze evoluties over lange termijn  beinvloeden ook het leven van mensen in hun dagelijkse doen en laten, zullen ertoe bijdragen dat gewoonten faliekant uitpakken of net tijdig gewijzigd worden, kortom of er al dan niet adequate oplossingen gevonden worden.

Een pak mensen die over het verleden spreken, zien het ongeluk, de ziekte, de niet opgeloste problemen of de foute machtsverhoudingen in een vroege(re) samenleving. Men verklaart dan de Franse Revolutie uit de onvrede van het volk, van het arme volk met de bestaande fiscale voorrechten voor de aristocratie, maar hoe die adel er dan zou uitzien, hoe zij met hun macht omgaan en of zij alleen maar leven op het zweet van de arme slaven en lijfeigenen. Er is al voldoende lang ampel materiaal dat het beeld van het Ancien Régime in Frankrijk veel meer accuraat beschrijft, opdat men daar nog bij stil zou hoeven te staan. En precies, dan spreekt men alleen over het ancien régime in Frankrijk, want hoe het in de Zuidelijke Nederlanden, de Verenigde Provinciën of de Duitse landen, Pruisen en andere evolueerde, daar komt men nauwelijks of niet aan toe. Groot-Brittannië, dat in de late 18de eeuw steeds meer het voortouw zal nemen, kennen we slechts van enkele namen, nauwelijks houdt men zich bezig met de maatschappelijke, politieke evoluties.

Hoe vaak krijgen leerlingen nog te horen dat het ambachtswezen alleen maar een verderfelijk systeem van uitbuiting zou zijn geweest, terwijl de geschiedenis van organisatie van grotere industrie zoals de textiel in Vlaanderen of van kleine neringen veel meer facetten laat zien zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het ook niet a priori op uitbuiting gericht was. Aansluitend speelt mee dat steden in de Middeleeuwen en Nieuwe Tijden vaak een eigen statuur en statuut in het bestel wisten te verwerven, gebaseerd op autonomie en hoe dat binnen de steden dan weer tot scherpe machtsconflicten kon leiden, zoals Macchiavelli onder meer in de Discorsi heeft beschreven. In zijn reden over de 10 eerste boeken van Titus Livius toonde de auteur zich een opvallend scherp observator van de geschiedenis en van de eigen tijd. Het valt dan ook te betreuren dat men leraren geschiedenis niet de ruimte biedt leerlingen en studenten met de ideeëngeschiedenis van andere tijden vertrouwd te maken.

Dat komt, zeggen minder geduldige experten dan, omdat men met geschiedenisonderricht beoogt dat die leerling met het behalen van het einddiploma in staat is zinnige dingen te zeggen over de verschillende facetten van tijd, zoals relatieve tijd of cyclische tijd. Over steden en rurale samenlevingen gaat het en als we de eindtermen goed bekijken, dan zien we dat zowat alles aangeraakt wordt waar leraren geschiedenis het over zouden moeten hebben. Het klinkt ook bijna alles waardenvrij en toch, met die eindtermen kan men weinig aanvatten, omdat men de indruk ontstaat dat men zoveel moet behandelen en dan nog expliciet, dat een eigen benadering van de leraar m/v erbij verdwijnt. Nu is geschiedenis bij uitstek een discipline die zich zowel leent tot een verhalende benadering als tot een onderzoekende reeks van oefeningen en men kan beter beide benaderingen zien als complementair eerder danelkaar uitsluitend.

Geschiedenis adstrueren blijft ook altijd een creatief proces, net omdat  men niet zo exhaustief alles kan brengen en al evenmin als een reeks lemmata die men juxtaposeert, c.q. er waren lutheranen, wederdopers, calvinisten en Jansenisten, Stevenisten en nog wel wat andere afwijkende meningen binnen en buiten de RKK, zonder dat de ontwikkelingsgeschiedenis van het Lutheranisme maar ook de verdere evolutie aan de orde komt. Men kan geen sluitende, universele en onwrikbare definitie geven van het geloof en de geloofspraktijk noch van de maatschappelijke organisatie van het Calvinisme, waarbij het ene bestel een meerderheidsreligie impliceert of er het gevolg van is, terwijl de andere net een eerder verdoken bestaan in de heuvels en bergen van het Centraal massief, maar ook in de Alsace-Lorraine en ook rond La Rochelle overleefden, ondanks het intrekken van het edict van Nantes. Maar in de 18de eeuw zouden de Jansenisten in het Franse politieke leven een grotere invloed uitoefenen en hoewel men de opvattingen van de Jansenisten - die op het punt van de genadeleer aansluiting vinden bij het Calvinisme en ook conservatief mogen heten - eerder als antimodern opvat, hebben de clubs en groepen binnen het Jansenisme en daarbuiten merkwaardig genoeg het politieke aardig opgeschut en Louis XV tot initiatieven aangezet.

Anderzijds zien we dat in de Noordelijke Nederlanden tijdens de 17de eeuw, met economische hoogbloei, een grote immigratie uit de buurlanden, maar ook uit Zweden bijvoorbeeld, zoveel evoluties kende waardoor de samenleving aardig veranderde. Natuurlijk begon men ook het planten van kolonie en voerde men oorlog. Maar even bepalend voor de maatschappelijke evolutie was de strijd tussen de rekkelijke protestantse elites en het meer op de letter gerichte strikte obediëntie die tot de terechtstelling van Oldenbarnevelt aanleiding gaf, tot gedoe over de juiste interpretatie - de synode van Dordrecht in 1618 bepaalde dat rekkelijke opvattingen over de genadeleer niet mochten uitgedragen worden, dat wil zeggen dat men vasthield aan de nota van "sola fide", alleen door de genade van God en niet door de (christelijke) werken kan men het paradijs betreden. Daar kwamen dan nog een de aanhangers van Descartes en vervolgens de collegianten, vaak maar niet automatisch aanhangers van Spinoza doorheen fietsen. De productie van drukwerken groeide in de Nederlanden sterk zodat ook in de 18de eeuw de ideeënstrijd maar dan met andere namen gevoerd werd.

Uiteraard, wat we hier te berde brengen zijn ook alweer ingedikte en gereduceerde voorstellingen van zaken, maar het mag duidelijk zijn dat een leraar inderdaad ruimte moet hebben, zoals de eindtermen ook stipuleren zelf de vorm te kiezen waarin een aantal vragen over wat geschiedenis zou kunnen zijn en hoe men er voldoende van aan de weet komen kan, aan de orde komen. Men kan bepaalde teksten ter lezing aanbieden, maar men zal tegelijk begrijpen dat een oppervlakkige lezing van de beroemde of beruchte "Acte/Plakkaat van Verlatinghe" eerder de inzichten zal vertroebelen dan verlichten. Het probleem is dat men dan eerst of bij het lezen een aantal eerdere fasen van de opstand, een aantal aannames over het koningschap in de vingers moet hebben om de draagwijdte van bepaalde sententies te vatten. Heel duidelijk was dit ook niet voor de deelnemers aan de toenmalige Staten-Generaal, want heeft eerst nog eerst een vorst gezocht, om vervolgens op grond van de Deductie van Vrancken die in 1588 door de Staten-Generaal werd uitgevaardigd en de organisatie van een nieuwe staat sui generis diende te legitimeren.

Wat we hier dus proberen uit te werken, of beter wat beter aan de hand van een paar gebeurtenissen en bronnen aan te dragen valt, zal voor studenten in de tweede of derde graad van het Secondair onderwijs wellicht niet zo boeiend lijken, tenzij men er net in slaagt goed de aanloop tot de opstand te beschrijven alsook de evolutie van het politieke denken en de endemische conflicten tussen steden onderling maar ook tussen steden en de vorst in de Nederlanden. Het verhaal zou dus evengoed in een kort bestek verteld kunnen worden of meer uitgebreid behandeld, waar ook nevenintriges hun betekenis krijgen. Hetzelfde kan gezegd worden van andere evoluties en fenomenen, waarbij het in wezen niet uitmaakt of men vertrekt vanuit een microhistorisch gebeuren of van een evolutie die meerdere eeuwen overspant en tegelijk in de uitwerking voortdurend het leven van individuele mensen en groepen zal bepalen. De ontwikkeling van publieke administraties vanaf de 11de eeuw of de humanisering van het recht sinds Cluny en de uitbouw van een kerkelijke justitie komen in de eindtermen niet expliciet aan bod. Toch kan men zo evoluties schetsen die mee hebben bijgedragen tot onze waarden en normen.


Edoch, we zouden schromelijk tekort schieten als we niet ook recentere geschiedschrijving te berde zouden brengen. In het nakijken van de eindtermen valt me op dat bijvoorbeeld de evolutie van de IJzeren Eeuw, de negentiende eeuw toen de staalindustrie de samenleving geheel zou transformeren en van een rurale maatschappij met steden zou omtoveren in een stedelijke samenleving met groene ruimten, waar de landbouw nog even lijkt stand te houden. Het kapitalisme als economisch systeem? Wel komt en  kwam het marxisme vaak uitgebreid aan bod, maar het denken van Adam Smith, van John Stuart Mill en latere liberale denkers blijft doorgaans aangestipt.

Het kolonialisme wil men dan wel uitgebreid behandelen, maar ik heb de indruk dat in dat geval de beschuldigingen ten aanzien van de koloniale machten belangrijker zijn dan het verwerven van inzichten over het waarom van de koloniale ondernemingen. In Vlaanderen zal men in het onderwijs weinig of iets (meer) vernemen over de Boerenoorlogen, die een etappe vormden voor de Britten bij het opzet het Afrikaanse continent van Zuid tot Noord, van de Kaap tot Caïro te beheersen. De verwerving van wat later de Congo is genoemd vormde daar een cruciaal onderdeel van, maar de conferentie van Berlijn moet dan te berde gebracht worden, met alle geopolitieke lagen en listen waarmee men elkaar beduvelde.

Overigens, reeds Adam Smith vond dat het Verenigd Koninkrijk heel wat economische boni misliep door koloniale exploitatie te verkiezen boven onafhankelijkheid van die nieuwe gebieden, maar sinds 1814 waren de Britten heer en meester over de Oceanen en dat wilden ze geweten hebben. De opstand in India in 1857, begonnen door de Sepoy, de Indische soldaten in dienst van de Britse regering zou het bestuur over het Indische subcontinent uitbreiden, al bleef de impliciete acceptatie van lokale vorsten behouden. Overigens, als we naar de Britse koloniale organisatie kijken, dan merkt men grote verschillen in aanpak, al naar gelang men er meer eigen volk kon onderbrengen, zoals in Canada of Australië dan wel meer op lokale bestuurlijke tradities kon steunen.

Wat dan met de geschiedenis van de 20ste eeuw. Men kan noch mag het zo voorstellen alsof de geschiedenis van de 20ste eeuw slechts voor een lezing vatbaar zou zijn. Er is sprake van veranderingen, van revoluties en van vooruitgang, maar of men dat zomaar in een paar lessen kan uitleggen. De periode 1870 - 1914 blijft cruciaal voor het begrijpen van de organisatie van de natiestaten in Europa, ook voor de kolonisatie en koloniale oorlogen, waarbij men aan de ene kant dezer dagen gemakkelijk de stem van de tijdgenoten over het hoofd ziet of hen onbewust nabrauwen zal. Men kan moeilijker een grotere tegenstelling vaststellen in de visie op WO I dan die van respectievelijk Sofie de Schaepdrijver en die van Christopher Clark, vooral dus wat de politiek van Frankrijk ten bate van Servië is geweest en hoe Duitsland daar tot het laatste toe terughoudend heeft geageerd en gereageerd. De Schaepdrijver houdt vast aan de lezing dat Duitsland al vroeg aanstuurde op oorlog - onder meer met het gekende voorbeeld betreffende de bouw van een fonkelnieuwe oorlogsvloot, maar de Britten deden niet onder - terwijl zij de politiek van Frankrijk ten aanzien van Habsburg en dat met de omweg via Servië onbesproken laat. Daarbij geeft ze - net als vele anderen - de indruk dat ze zonder meer instemt met de idee dat Habsburg, de Dubbelmonarchie uitgewoond was en op instorten zou hebben gestaan. Daar valt veel voor te zeggen, maar evengoed veel tegenin te brengen. Toch blijft vooral De Schaepdrijver - in documentaires over WO I - beweren dat de oorlog door Duitsland is aangestookt en dat de oorlog vooral in het Westen is uitgevochten. Die oorlog vond plaats aan vele fronten en laat een complex gebeuren zien. Waarom zou men dat niet centraal stellen? Staat het begrip "Alleinschuld" in de Eindtermen?

Men zou kunnen zeggen dat men de naoorlogse geschiedenis, na 1945, waarin op het oog weinig gebeurde niet zo heel veel aandacht zou moeten geven, maar het lijkt me een vergissing.  De woordvoerders bij het voeden van de kritiek aan het adres van Europa, alsook de beate aanhangers zouden er goed aan doen het verhaal wat meer correct te brengen, waarbij de vele over- en afwegingen hun gewicht krijgen, zonder dat men een werkelijke consensus kan of mag veronderstellen  over hoe het nu verder moet. Het probleem vormt de verwarring die blijft hangen rond de strategie van de Founding Fathers. Zij kozen voor economische verweving van de Kolen- en staatindustrie van Duitsland en Frankrijk omdat men in 1950 niet kon accepteren dat er sprake zou zijn van een politieke unie om begrijpelijke redenen. Ook de Benelux was een poging oude demonen te temmen en ging over financiële en economische samenwerking, want oude demonen doken ook wel eens op.

 Maar die dient men ook te benoemen, want men kan niet, zoals Sophie De Schaepdrijver dat altijd weer presteert, blind blijven voor de interne ontwikkelingen in Frankrijk voor 1914, want ook daar tierde een vehement nationalisme, wel in naam van de revolutie, maar ook gericht op oude dromen, zoals Habsburg van de troon krijgen. Er valt in het debat weinig te horen over reacties in Frankrijk na het desaster van Sedan, waar le Petit Napoleon met zijn leger gevangen werd genomen en de andere gevolgen. Men verneemt weinig over de reacties op de Commune en hoe Frankrijk in 1889 probeerde de ellende te vergeten en vervolgens in de affaire Dreyfus terecht is gekomen, waar het nationalisme opnieuw werd gevoed. De strijd tegen Duitsland kon men niet direct winnen, maar tegen Habsburg kon men wel stoken.

Ook de vrede van Versailles vormt zo een heikel punt, dat de directe spiegel vormt van het probleem dat we net belicht hebben: Frankrijk wilde wraak, niet alleen voor  1914  maar zeer zeker ook voor 1870 en wilde de concurrent sinds eeuwen, de buur van altijd definitief buiten strijd stellen. Dit komt zeer zelden aan bod, wijl men de Franse vergelding die men aan de tafels in Versailles, Saint-Germain, Trianon... op tafel legde als gelegitimeerde eisen presenteert. Maar waarover gingen die verdragen? Juist, niet enkel Duitsland, maar ook Oostenrijk en Turkije dienden aan banden gelegd.

Onderwijs zaagt de geschiedenis soms zo door dat het niets aantrekkelijks meer heeft, dat weten we allemaal, ook al omdat men graag hapklare brokken voorschotelt, die dan moeten gelden als de geschiedenis. Waarom heeft men de aanpak die men een halve eeuw voorstond - en die soms wat doorschoot - nu helemaal van peper, zout en andere kruiden ontdaan. De kennis die men in zo een lessen moet meedragen is niet enkel een bepaalde lezing van de feiten als het over het koloniale verleden gaat, maar wel dat geschiedenis niet gebukt hoeft te gaan onder het "Vae victis", want we kunnen precies wel een en ander weten als we verslagen van de "winnaars" lezen of bekijken. Bovendien weet men hoe bijvoorbeeld Tacitus in zijn verhaal "de origine et situ Germanorum", waarbij verhaal staat voor het etnografische onderzoek en het betoog aan het adres van de Romeinen zich ernstig te bezinnen, onder meer naar aanleiding van de opstand van de Bataven.

Uiteraard geeft zo een referaat te denken, zeker voor historici, maar ik denk dat er niet zo heel veel zijn die zich nu nog met de context van zo een boek inlaten. Jonge studenten Latijn in het middelbaar komen nog zelden ver genoeg met woordenschat, grammatica en syntaxis om zo een geschrift aandachtig te kunnen lezen. Maar het geldt ook voor bronnen in andere talen en vooral geldt het voor inspanningen van historici om in een verleden een levendig heden op te duikelen, waarmee lezers, jongere en oudere iets kunnen aanvangen.

Het heeft ook wel een nut, wanneer geschiedenis goed aangebracht wordt, met zin voor complexiteit, met inzicht in de perspectiefverschuivingen en hoe men in dat andere heden bepaalde waarden hanteert, want soms gaat het om instrumentaliseren van wat goed is. Nadenken over macht in de samenleving en hoe mensen met elkaar omgaan kan men ook op andere manieren, maar de concrete verhalen uit andere tijden kunnen heel goed helpen te begrijpen dat we niet moeten wanhopen als de feitelijke toedracht van een gekende mythe anders blijkt na grondig onderzoek. Europa vecht al sinds 1453 tegen de Turken en soms waren de Ottomanen aan de winnende hand, soms Europese vorsten en legers. Over de belegeringen van Wenen, de toestanden op de Balkan werd noch wordt overdreven veel aandacht besteed. Matthias Storme heeft in een beknopt essay laten zien hoe in de moslimwereld de publieke administratie ondergeschikt is aan een hemels mandaat, maar nooit de overhand mag krijgen. Francis Fukuyama liet zien dat in meerdere islamitische politieke regimes in het verleden de publieke administratie en militaire functies in handen lagen van vreemden, waarbij alles werd gedaan opdat de staatsmacht niet gealliëneerd zou worden en in handen van families gepatrimonialiseerd.

De leraar voor de klas heeft inderdaad een hele scala van mogelijkheden om historische kennis en historisch denken onder de aandacht te brengen. De klassieke vraag "Cui prodest", moet men niet uit de weg gaan, maar als blijkt dat de machthebber iets doet dat tegen zijn belang ingaat, maar het land ten goede komt, als helden vallen aan de verkeerde kant, zoals in de Romeinse verhalenschat maar ook bij de Grieken het geval was, kan men nadenken over wat trouw, loyauteit en verraad dan betekenen. Men kan ook denken aan het beroemde conflict tussen de Franse koning Louis XV en Louis-François Bourbon-Conti, een van de grote aristocraten die nog vrij onafhankelijk kon ageren ten opzichte van de machthebbers. Hij ging voor in de strijd tegen de hervormingen, vooral fiscale, die kanselier Maupeou en Anne Robert Jacques Turgot en door de parlementen werd geleverd. Men moet zich goed bedenken dat dit conflict zich voordeed vijftien jaar voor de Franse Revolutie en dat die mijnheer Turgot in het denken over tax shifts en zo wel een en ander te melden had.

Ik ben dan ook de mening toegedaan dat men geschiedenis in het onderwijs zo moet adstrueren dat studenten niet de indruk krijgen dat ze afgeronde, definitieve resultaten voorgeschoteld krijgen, maar dat ze opgenomen worden in een denkproces, hoe efemeer dat bij jonge leerlingen nog is. Men heeft feitenkennis, data, persoonsnamen van node en evenzeer inzicht in processen die een hele era kan overspannen, zoals de ontwikkelingen van het recht, van eigendomstitels en hoe men de hand houdt aan de openbare orde. Maar geschiedenis begint niet bij de vaststelling dat de inquisitie een aanfluiting was van het recht zoals wij dat zien, wel bij de vaststelling dat het recht, ons bestel van de rechtsstaat, maar vorm krijgen kon via de onvrede over bestaande praktijken en dat de inquisitie er daarom een plaats in heeft als een enigszins falende vorm van rationele argumentatie van de waarheidsvinding. Het faalde, maar dat is des mensen. Het bracht nieuwe debatten op gang en heeft daarmee een belangrijke plaats in ons denken over het recht en de handhaving van de wet, de wetten en van de beperkingen ervan, de beperkingen die de overheid soms zou kunnen overwegen.

Bart Haers




  

Reacties

Populaire berichten