Erasmus en de Turkenkrijg



Dezer Dagen


Europa op de klippen
Politiek debat ontbeert sérieux



Desiderius Erasmus, De Turkenkrijg,
2005. 95 pp. 13,50 €
Wat we beleven, hoor ik ten overvloede, is de genadeslag voor de hybris van de Europese hoge omes, hun geloof dat ze het evident bij het rechte eind hebben, ook als de bevolking hen niet volgt. De hybris ook dat ze van 28 soevereine staten iets als een politieke eenheid kunnen maken. Europa vaart recht op de klippen af, uit het roer gelopen en in de greep van een perfecte storm? Het klinkt aardig en we zullen pas later weten, vernemen hoe het echt gegaan is.

Het klopt natuurlijk dat de soevereiniteit de kern vormt van de Europese geschiedenis sinds 1648, toen de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Provinciën erkend werd door de Europese mogendheden, niet een vorstelijk hoofd, zoals te doen gebruikelijk. Overigens ook Venetië had met haar eigensoortig bestuur van doge en tienmannen een aardig voorschot op het Republikeinse gedachtegoed geincasseerd. Soevereiniteit van een natie werd daarmee los getornd van de idee die in de zestiende eeuw opgeld had gedaan, dat een vorst, c.q. de Franse Koning, maar in wezen elke vorst zich van soezerein tot soeverein kon verpoppen. De soezerein was het hoofd van de feodale piramide, maar in de praktijk bleek die soms leenplichtig aan een of meerdere leenmannen en het was Jean Bodin die de koning aan de nadelige gevolgen van de mogelijke ondergeschiktheid kon onttrekken. Bovendien stelde het bestaande bestel, met vrije steden die de lagere en niet zelden ook hogere justitie in handen hadden de macht en autoriteit van de koning voor een uitdaging. Het was zaak dat de vorst boven die lokale verhoudingen zou staan: het absolute gezag vormde een modernisering van het staatsgezag, in de mate dat de overheid niet meer ondergeschikt mocht zijn aan groepsbelangen. In die zin kan men ook stellen dat het absolutisme nooit echt volmaakt vorm heeft gekregen, zelfs niet onder Filips II, die heel wat tegenstand kreeg, in Spanje maar ook en zeker in de Nederlanden. Maar ook François I of Louis XIV konden het niet echt claimen, al kijken we graag vol bewondering naar het beeld dat ze hebben nagelaten. Voltaire was een van de eerste die begreep dat men niet enkel de vorst moet eren maar de mensen, mannen die hun stempel op een era drukten. Als men het boek van Voltaire als een eerbewijs wil zien voor de zonnekoning, dan was het er een met tal van weerhaken.

In het Verenigd Koninkrijk werden net als in Frankrijk en dat naar het voorbeeld van de pausen rechtsgeleerden ingehuurd om hun posities en vooral hun aanspraken op macht te formuleren. Opmerkelijk is dat bijvoorbeeld de Girondijnen, over wie nog zelden gesproken werd of wordt meenden dat de koning als constitutioneel vorst geen werkelijke macht hoefde uit te oefenen, maar de aanwezigheid van de vorst zou het staatsgezag grotere legitimiteit verlenen. In wezen wilden de Girondijnen vooral dat de staat een zaak was van burgers die er hun schouders onder zetten, niet van een vorst, maar evenmin van volksmenners. Het wordt evenwel moeilijk deze verliezers van de geschiedenis en de geschiedschrijving goed in te schatten.

In wezen steunden de liberalen die in 1848 in België hun partij een statuut en structuur gaven diezelfde idee. De partij is een zaak van de leden en niet van de top, maar dat was 1848. Voor de mandaten moet men het wel doen, want zonder mandaten kan men niet veel bereiken, maar toch, die klassieke liberalen wisten dat een staat goede structuren van node had, opdat mensen in zekerheid en veiligheid hun ding zouden kunnen doen. Daarom ook steunden zij, met de katholieken een heel programma van Belgisch patriottisme, waaraan de Vlaamse Beweging later het hare zou ontlenen. Het standbeeld van Breydel en De Koninck
kwam er op vraag van de (liberale) burgers, Franstalige en Nederlandstalige, toen nog Vlaamse. Ook het beeld van Simon Stevin behoort tot die heraldiek en dan zwijgen nog over Ambiorix in Tongeren en de Beelden aan de Brusselse Kleine Zavel.

Het behoort tot de mythologie van een staat, waaraan we de afgelopen decennia veel hebben afgedongen, deels terecht, maar ook deels, moet men toch inzien ten koste van de idee van soevereiniteit. Dat laatste lag aan het bestaan van de Vlaamse Beweging zelf ten grondslag, waarbij opgemerkt moet worden dat Franstalig België dit als een aanslag zag en is blijven zien op haar "rechtmatige" positie in het land dat België heet. Maar ook in Vlaanderen hebben we gemerkt hoe pogingen om tot een gedeeld verhaal te komen, werden afgeblokt, deels omdat we met het inroepen van zoiets als nationaal burgerschap, een burger zijn van een gedeelde unie, van gedeelde belangengemeenschap mensen zouden uitsluiten. Maar dat intussen mensen die hun wieg in Marokko of Turkije hadden staan ook Vlamingen werden, al werden ze niet aanvaard, mag men toch niet uit het oog verliezen.

Het punt is dat met die identiteit ook een wezenlijk facet van de soevereiniteit in een republiek - weze het een constitutionele monarchie - op de helling komt te staan, omdat een algemeen belang bestieren moeilijk gaat als er niet ook een begin is van identificatie met  dat project. Europa heeft op dat vlak een ernstig en moeilijk op te lossen probleem: voor velen lijkt er, westelijk noch oostelijk van de Oder-Neisse veel om ons mee te identificeren. Lijkt, want het volstaat de onderscheiden literaire tradities, de schilderkunst en bouwkunst, maar vooral de tuin die Europa is, goed onder ogen te zien om te bemerken dat meer dan elders in de wereld gedeelde inzichten aan die Europese identiteit ten grondslag liggen. Maar men dingt ook buiten Tsjechië af op de verdienste van Vaclav Havel, men probeert de leider van de opstanden in Gdansk, Lech Walesa te bezoedelen door hem in de rol van een voormalige tipgever van de staatsveiligheid te duwen. Evenzo zal men opmerken dat Victor Orban wel de Hongaarse identiteit lijkt te promoten, maar in wezen de identificatie van de Hongaren als deel van Europa, ook al in een ver en schimmig verleden, toen Habsburg oorlogen voerde tegen de Turken, bemoeilijkt. Homogenisme, de drang van een staat een samenvallen met de natie en de eenheid van taal, van opvattingen aan te scherpen, verdraait de werkelijkheid niet weinig.   

We hebben met dit alles de evolutie in een paar lidstaten bekeken, we zouden ook over Spanje veel kunnen zeggen of Italië onder de loep nemen, feit is dat we moeten vaststellen dat in de populaire media graag enkel eigenschappen van de eigen natie op de voorgrond treden en dat de geschiedschrijving nu vaker dan dertig jaar geleden meer op de eigen natie gericht is, zodat voor lezers - zeker als ze geen andere talen beheersen de onmogelijkheid zich voordoet een gunstige vergelijkende benadering te ontwikkelen.

 Daarmee kan men alleen bedoelen, wil ik alleen aangeven dat we onze Europese geschiedenis vooral zien als een sommatie van nationale geschiedenissen, niet als een verhaal waarin de verschillende historische evoluties met elkaar interageren. Dat de aankomst van Willem III in London aan de ene kant de Bill of Rights met zich bracht, maar aan de andere kant bestuurspraktijken en handelsondernemingen naar Hollands voorbeeld, heeft onder Niall Fergusson beschreven, maar dat Holland zelf veel van de eigenaardigheden inzake bestuur aan de tradities in Vlaanderen en Brabant ontleende, ondanks eeuwen van onderlinge concurrentie, of net daarom. Wat Thierry Baudet dus verwacht van herstel van de Nederlandse soevereiniteit, bijna een eeuw na Versailles, kan niemand ernstig nemen. Tegelijk denk ik dat men er in Europa goed aan doet niet te vergeten dat er in de zeventiende eeuw zeer geleerde lieden waren, die niet per se alles in de lingua Franca, het Latijn wilden uitgedrukt zien. Adriaan Koerbagh, die bovendien het rechtswezen uitleggen wilde aan den volke, aan de kleine luiden, was zo iemand, maar hij moest zijn vrijmoedigheid bekopen met gevangenschap en vroegtijdige dood.

Er werd vaak gesteggeld over subsidiariteit, waarbij men ons vertelde dat Europa moet doen wat niet op lokaal vlak of op het niveau van de lidstaten geregeld kan worden. Daar valt veel voor te zeggen, maar precies door alle aandacht op het economische project te richten, heeft men Europa ook schade toegebracht, want men ging zich aan regelneverij te buiten, waarbij wel gezegd moet worden dat er correspondenten waren die er wel eens een paar onzinnige regels zelf bij verzonnen. Wie overigens zette niet enkel de Commissie ertoe aan bepaalde regels in te voeren, want het zijn overigens enkel grote bedrijven die hun invloed laten gelden, ook lobby's die pleiten voor gezonder leven, voor meer natuur, zelfs niet enkel in Europa. Die beïnvloeding kan niet echt kwaad, wel als hoge ambtenaren en EU-parlementairen er te gemakkelijk het oor toe lenen.

Men kan beweren dat Europa, de EU aan onze welvaart heeft geknabbeld en dat komt mij bizar voor. De ontwikkeling van de digitale Umwelt die we nu kennen heeft ons heel wat gebracht, maar tegelijk ziet men dat het werkzame leven erdoor zeer veranderd is. Veel van die vernieuwingen hebben ons ook mogelijkheden en toch lijken we die gewoon evident te vinden. Ook de ontwikkeling van biotechnologie kan men moeilijk terzijde schuiven, terwijl dat nu ook aanleiding blijkt te geven tot nieuwe medicijnen, die zeer duur en toch werkzaam blijken, beter en zonder nefaste bijwerkingen. Europa kon hier standaarden helpen sturen die het goedkoper maken om van al die ICT gebruik te maken.

Het klinkt wel eens doldwaas en redeloos onze tijd als een goede omgeving te zien, als een moment waarop men wel zou willen leven als men bijvoorbeeld 100 jaar geleden bij de Somme aan het vechten was of, ook mogelijk, in jeugdige overmoed in de omgeving van Petersburg, Leningrad probeerde de stad te veroveren en niet merkte dat men aan de achterdeur troepen en voedselvoorraden binnenbracht. We, zij konden dit niet voorzien, zegt men mij dan? Deze tijd kon men zelfs veertig jaar geleden nauwelijks bevroeden: de val van de muur, het einde van het Sovjet-bestel, het oeverloze zelfvertrouwen van Neoconservatieven en Neoliberalen, had men niet in de gaten. Maar de uitkomsten zijn niet altijd wat we ervan verwacht hadden, ook al omdat sommige van die wensen overspannen waren, omdat we ons beroesden aan het feit dat een nieuwe tijd kwam, maar we deden intussen gewoon verder.

Het probleem was en is dat we Europa niet wilden zien als een constructie sui generis. De verwachtingen in Europa waren én hooggespannen en geringschattend. Dat betekent dat we nu nog steeds schroomvol over ons Europeaan zijn durven te spreken. Het kolonialisme, imperialisme, uitbuiting van arbeiders, onrechtmatige oorlogen,  dat alles maakt ook de Europese geschiedenis tot wat die is, maar evengoed kan verwijzen naar de kunsten, de ontwikkeling van de wetenschappen en de moed, de lef, oude tradities niet voor lief te nemen, maar toch, toch vergeten we dat Erasmus een brief schreef over de oorlog tegen de Turken, dat Europa tot aan de Karpaten en Budapest bedreigd werd. De oorlog moest gevoerd, zegde Erasmus en tegelijk koesterde hij voorbehoud bij de aanpak en de uitkomst.

Die openheid van Erasmus, van Montaigne en ook van Blaise Pascal, Voltaire, dient men in rekening te brengen, waarna men niet nalaten zal zich te buigen over de Herders en Heines van deze wereld, om uit te komen bij Hume en Adam Smith, John Stuart Mill en alle lacunes die deze cataloog laat liggen. Geloven in Europa hoeft niet, maar het helpt wel als we van onze ongerijmde samengaan met 500 miljoen medeburgers iets van de toekomst willen maken. De politieke structuren zijn er niet voor de politici, wel voor de burgers.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten