Overdonderd door een voordracht



Kleinbeeld


Vertellen over een dichter
Emile Verhaeren, het dorp en de stad

Koen Stassijns, Verhaeren/Veerman.
 Bloemlezing en vertaling door
Koen Stassijns.
Uitgeverij Lannoo
2016. 348 pp. 29,90 €
Kent u het schilderij van Theo van Rijsselberghe waar we Emile Verhaeren zien voorlezen uit eigen werk voor een keur van Franstalige schrijvers? Telkens als ik het zie, ben ik mij ervan bewust dat deze literaire cultuur wellicht nog moeilijk te beleven valt, al zijn er salons waar men wel eens een glimp van die sensatie kunnen ervaren. Het is de dichter en performer Koen Stassijns, die niet te beroerd is in Verhaeren een fellow travellor te vinden, iemand ook in wiens voetsporen hij, Stassijns getreden lijkt te hebben, al was het maar de aanraking met de Societas Jesu - maar dat overkwam wel meer mensen - en ook de morele dwang een deftig vak te leren, rechten dus.

Die avond had ik voor ik mij naar boekhandel De Reyghere begaf iets gegeten in een bistro in Brugge en was ik - gezien de afwezigheid van enig cliënteel - in gesprek geraakt met de zaalverantwoordelijke en de chef over de gang van zaken. Het restaurantwezen gaat mij namelijk ter harte, al was het maar om van tijd tot tijd vlug even iets te gebruiken. De aanslagen in Brugge? Ze leiden tot afzeggingen van verblijven, maar ook tot het afsluiten van het belfort en het vermijden van grote massa's. Veiligheid? Net wat u zegt, maar ook dit: we moeten niet beweren dat het ons in onze gewoonten niet mag raken, terwijl de overheden vervolgens een hele hoop gewoonten terzijde schuiven. Overigens, bedacht ik, terwijl ik langs het belfort naar de Markt wandelde, dat niemand ons verteld had men in Brugge gevaar zou lopen slachtoffer te worden ener aanslag op lijf en leden. Deze horecamensen die hun werk met graagte doen, lieten mij begrijpen dat mijn behartigen van de belangen van het restaurantwezen en van de bruine kroegen echt niet overbodig is. Het goede leven speelt zich ook daar af, toch vreest men blijkbaar dat we bij elk restaurantbezoek bedreigd kunnen worden in onze fysieke integriteit. Misschien zijn er cowboys in het horecabedrijf, maar tegelijk begrijpt men toch dat restaurants zich geen fouten kunnen veroorloven. Het FAVV? Het is nodig, maar zij kennen zichzelf een bovenmatig belang toe, met dank aan de wetgever.

In de vertellementen van Koen Stassijns komen de jezuïeten eraan te pas die hem uit zijn bucolische leven aan de Scheldebocht halen en hem de weg opjagen ad maiorem dei gloriam. Plus est en vous! waar we allemaal wel eens horen over spreken, terwijl het inderdaad zowel stimulerend als frusterend kan werken. Maar als Stassijns vertelt over een gedicht van Verhaeren, over een van de dochters van de koster in Sint-Amands en vervolgens een eigen Beatrice opvoert, dan komen associaties vanzelf. Ik denk dat we hier de kern van het jongelingenbestaan ten toon gespreid zagen: het verlangen naar een meisjesboezem en bevallige armbewegingen in de ruwe wereld van het college en het internaat. Voor ons moet zo een internaatsleven ontoegankelijk blijken met lange trimesters vanwege de afstanden maar waar een jongeman ook vanzelf een grote eenzaamheid, een zekere drang tot conformisme en verder ook wel enige zelfzucht moet ontwikkeld hebben. In een grote groep je mannetje staan, het blijft lastig en toch, helemaal negatief hoeft dat niet uit te pakken.

Net als Georges Rodenbach, zijn leeftijdgenoot, was Verhaeren geacht rechten te studeren, maar hij heeft het niet helemaal waar gemaakt, of liever, van zijn advocatuur bracht hij niet veel terecht. Tja, het is een mooi beroep, advocaat of magistraat zijn, maar toch, het kan ook tot een zekere dorheid leiden en blijkbaar hadden noch Rodenbach noch Verhaeren daar zin in. Die dorheid, dames en heren, ligt niet in de omgang met de wetteksten maar wel in het spel met de procedures en het zorgen voor de eigen plaats op het tableau, voor advocaten dan. Maar er zijn wel meer juristen bekend met een dichtersaartje, zoals   Eddy van Vliet en wellicht zijn er nog wel advocaten, psychiaters, ingenieurs die wel eens een gedicht plegen. Ook Koen Stassijns kende eerder een ander leven, als ondernemer. Het bevestigt alleen maar mijn vermoeden dat welk beroep of leven men ook heeft, het nooit beletten kan dat men zich aan taal, aan gezang en aan de vormvastheid van een gedicht wil wagen. Is het altijd goed? Ik denk dat men daar vandaag, zeker wat gedichten betreft, niet zomaar over oordelen kan. Feit is dat hedendaagse dichters het vaak moeilijk hebben nog iets te vertellen dat niet al door anderen verteld is. Dat kan dan ook geen criterium zijn voor goede of slechte poëzie. De inventies zijn inderdaad vaak al benomen, be- en verwerkt, maar elke tijd heeft een eigen toonzetting en soms kan die gedateerdheid net een voorwaarde voor het tijdloze zijn.

Koen Stassijns bracht ons zijn verhalen en vertalingen van gedichten met verve. "Le Passeur d'eau" las ik voor het eerst aan de oevers van de Saône, in Lyon, waar ik een boekje vond met gedichten van Verhaeren, dat ik vervolgens weg schonk. Ook Les Villes tentaculaires heeft mij weten te raken. Niet omdat ik vergat dat Boon sprak over de voorstad die groeide, maar omdat Verhaeren ons met de meerduidigheid van het gebeuren confronteerde. De moderniteit heeft al vroeg zekere weerstanden opgeroepen, zoals ook de dichter en psy Frederik van Eden liet zien in zijn commune Walden. Maar Verhaeren zocht de elite op, had contacten met de koning, Albert I en de kunstminnende Elisabeth.

Kortom, wil u eens kennis maken met Verhaeren, dan kan u het uitgebreide boek van Koen Stassijns bekijken, maar de jongere volger, Stassijns, moet iets van de oude Verhaeren hebben, de lef zichzelf te kijk te zetten en te spreken met veel emphase en in een soms barokke taal. Het is iets dat mij altijd treft, dat we graag zeggen dat mensen er het best in slagen hun boodschap over het voetlicht te krijgen als ze sober spreken en zonder veel stemverheffingen, maar dat we toch graag geboeid luisteren naar mensen die juist de soberheid aan hun laars lappen.

Ik denk dat het einde van Verhaeren ons moet boeien, niet het ongeval in Rouen, toen hij tussen het perron en de nog rijdende trein terecht is gekomen. Wie de geschiedenis van dit land overziet zal merken hoe in de wereldbrand van 1914 tot 1918, het bloederige eerste luik van een dertigjarige oorlog, mensen hun eerdere overtuigingen en waarderingen zagen wankelen. Verhaeren, de vriend van Stefan Zweig en Rainer Maria Rilke, voorheen zeer vertrouwd, heeft hen dan plots beladen met de zonden van de oorlog en de haat viel hen toe die Duitsland, Pruisen toekwam. In een beweging werd de kosmopoliet Verhaeren een uitgesproken belgicist en patriot. Wij kunnen dat niet zomaar naar onze maatstaven begrijpelijk maken, want na WO II zouden velen in België en Nederland Duitsland zien als de baarlijke duivel. Letten we wel op dat Zweig en Rilke wel Duits als moedertaal hadden, maar in het Habsburgse Rijk waren opgegroeid.

De lezing van Koen Stassijns kan ons ook hierom bekoren dat we alweer en nog maar eens met die bijzondere periode in verbanden brengen, er zelfs zoiets als een historische sensatie aan overhielden, al ligt dat dan vooral aan de vele dwarsverbindingen die tijdens het luisteren zich aan ons opdrongen, van de wandelingen die ikzelf maakte in Sint-Amands aan de Schelde en in "Buitenland", een nederzetting van Bornem dicht bij de Schelde, waar een politicus, Hugo Schiltz ons gedurende enige jaren een zaterdagmiddag samenbracht voor reflectie op de politieke actualiteit. Merk op, ook Schiltz is advocaat, bacalaureus in de filosofie en taalvaardig, schreef ooit ook wel gedichten, hield van de kunsten. Maar ook de Franse inslag wil ik niet verhelen: de intense omgang met Franse schrijvers heeft me andere werelden leren kennen, van Georges Rodenbach, Susanne Lilar en Georges Eeckhoud. Maar als August Vermeylen zich over de late levensjaren van Verhaeren uitliet, dan wel over diens interesse voor Vlaanderen en de Vlaamse cultuur. Verhaeren blijkt in die zin, optimistisch, Herderiaans over het samenleven van volkeren in verscheidenheid, maar vreedzaam en zonder veroveringsdrang. Dat Herder door sommige filosofen of sociologen dezer dagen afgeschilderd wordt als een voorloper van het nationalisme, zeker in de meest virulente vormen waarvan we afgelopen honderd jaar de excessen hebben gezien,  blijkt zelden voorwerp van discussie. Want Herder wilde - zelfs honderd jaar na de verdragen van Westfalen - niet zijn wereld niet tot die verschrikkelijke tijd terug voeren. Als antwoord formuleerde Herder een dubbel programma: staten moeten zichzelf kunnen verdedigen, maar niet zo dat ze geneigd zijn tot offensieve aanvallen en gaan uit van elkaars integriteit. Het tweede punt is dat elk land zich best uitmuntend mag vinden, maar tot superioriteitsgevoelens mag of kan dat niet leiden. Het is bepaald een irenische benadering, die volgens Martha Nussbaum zowel speels als vrouwelijk moet heten. Dit staat ver af van wat sommigen van Herder's visie, geformuleerd in zijn "Briefe zu Beförderung der Humanität" (1793 -1797) hebben willen maken: liefde voor het vaderland? Jawel, maar anderen hebben ook hun vaderland, een ander vaderland en dus kan men de ene liefde niet voor fout houden en de andere...

Martha Nussbaum heeft hiermee vooral onder de aandacht gebracht dat onze lezingen van teksten vaak nogal eenduidig uitpakken en vaak erop gericht zijn in de tekst het eigen gelijk te zoeken. Nu kan men zeggen dat ook ik bij Nussbaum een argument heb gezocht dat mij goed uitkomt. Na wat zoeken is dit boek van Herder wel te vinden gebleken en denk ik dat Herder inderdaad, gezien de omstandigheden een zeer moedige poging deed om de oorlogsdrang van zijn tijd, de Revolutionaire oorlogen tegen het Frankrijk van Robespierre en vervolgens het Directoire aan te klagen. Het boek is op het oog niet echt succesvol gebleken en moet sommigen ook als een vloek in de oren geklonken hebben. Maar aan het einde van de negentiende eeuw zien we wel dat mensen als Verhaeren, Zweig, Beernaert voor vrede gaan en een oorlog met de nieuwe wapentuigen vrezen. In welke mate Verhaeren weet had van de bemoeienissen van de voormalige Belgische regeringsleider, August Beernaert is mij niet bekend, maar dat wij er niet en nooit aan herinnerd worden Beernaert en vele anderen in Nederland, Europa dachten aan nieuwe internationale instellingen die de vrede en het humanisme dienden te bevorderen, vormt wat mij betreft een betreurenswaardige vorm van geheugenverlies. De vrede? Men kan erover spreken, maar het Vredespaleis in Den Haag mag dan vooral een getuige lijken van het falen van het concert der (Europese) naties, dat het hele project, met steun van Andrew Carnegie, Schot van origine, maar in de VS meer dan succesvol industrieel en filantroop, er gekomen is, mag men ook niet veronachtzamen. Vrede en veiligheid is sinds  1976 in onze woordenschat gekomen dankzij Helsinki en al wat dat programma heeft voortgebracht.

Dus, wanneer we de vredeswens van Verhaeren met Koen Stassijns in herinnering brengen, dan gaat het niet om luchtfietsen. Dat Emile Verhaeren in 1914 en 1915 als gevolg van de oorlog en op grond van de gedachte dat Duitsland België binnengevallen was, zijn virulente afkeer voor Pruisen en voor de Duitse cultuur heeft uitgeschreeuwd in betogen en artikelen, mag men ook niet negeren. Het feit dat in Versailles de "Alleinschuld" van Duitsland is bevestigd en dat nog 50 jaar later Duitse historici die Alleinschuld hebben onderbouwd, verhindert vaker dan nodig de ronduit agressieve politiek van Frankrijk tegen Duitsland en vooral Oostenrijk-Hongarije te zien.

De ontijdige dood van de dichter, op 27 november 2016 te Rouen, die net naast de Nobelprijs heeft gegrepen, die in 1911 naar Maeterlinck was gegaan, mag volgens Stassijns niet beletten dat we bij Verhaeren dan de eerste barsten zien in het straffe anti-Pruisische discours. Het zou wel eens interessant kunnen zijn, ook in deze tijden, die omslag goed te documenteren en te zien wat er allemaal in het denken van Verhaeren heeft gespeeld. De dichter die de moderniteit tegemoet zag en tegelijk vreesde dat het niet alleen succes, goud en bling bling zou brengen, heeft met zijn gedichten over de om zich heen grijpende stedelijkheid, toen ik het las, doen begrijpen dat reeds Verhaeren begreep dat de fysieke uitwas van de stedelijkheid, de voorsteden, onze aandacht vraagt, maar ook de mentale, culturele uitstraling van steden en stedelijkheid op mensen. De man die als kind in de bocht van de Schelde had willen blijven spelen, werd door steden als Parijs verleid, maar ook trok hij er weer weg. De bohème van zijn tijd trok ook graag naar woeste kustgebieden, naar de Corrèze en andere desolate streken, om er juist niet door de stad besmet de worden.

Vandaag hebben de steden opnieuw een tentaculaire afdruk op onze geest gelaten, waarbij onder anderen Richard Florida de stedelijkheid verheerlijkte als broedplaats van creativiteit en innovatie. Verhaeren zal het wel grappig gevonden dat politici in 2005 in Vlaanderen, dus met drie jaar vertraging met dat boek zijn gaan leuren. Zelf vonden we het getuigen van een onbehoorlijke aanmatigendheid dat men die ene schrijver op een voetstuk plaatste, Florida dus, terwijl andere denkers er niet toe deden.

Over de heldere uren, de uren van de middag en die van de avond, drie opmerkelijke bundels van Verhaeren, zullen we het nu niet meer hebben, maar dat lyriek echt over iets kan gaan, dat heb ik bij het lezen van die bundels, jaren her aangevoeld. Er zijn ook vandaag nog dichters, zoals Patrick Lateur, die zich niet met modieuze luchtigheid inlaten, maar precies vanuit hun vertaalwerk, zoals van "Le Passeur d'eau", De Veerman dus, begrepen hebben dat het om een veelzijdig spel gaat, maar wel afdoende ernstig gespeeld moet worden. Men kan overigens, zo bedenk ik mij, later, op weg naar huis, een dichter niet zomaar ouderwets, oubollig en gedateerd vinden, of liever, wie tot die gedachte komt, moet het wel zelf tot zich genomen hebben, de toon en prosodie, de gedachten en de verbeelding, de inventies van de oude dichters. Koen Stassijns doet in elk geval een boeiende poging om onze appetijt aan te scherpen en nieuwe oude gerechten te proeven aan te reiken, die al lang in bewaarbibliotheken vergelen.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten