Waarvan dromen jonge meisjes?



Kleinbeeld


Lotsbestemming vs
maakbaarheid

La Rêverie van Alfred Stevens (1883)
lijkt me wel een gepaste illustratie, al
kan geen mens bevroeden wat dit meisje dacht. 
Het ene sluit het andere uit, denken we steevast en dat maakt dat we ons niet kunnen tevredenstellen met wat het lot ons gebracht heeft. We moeten beter, sneller, sterker en alerter zijn dan we van moeder natuur hebben meegekregen. Het negatieve zelfbeeld waarmee vooral meisjes van 12, 13 jaar zouden opgezadeld worden zorgt voor enige discussie. Er is evenwel meer, want intussen woedt de grote discussie over abortus weer op een eigenaardig manier. Hoe verhouden lot en werkelijkheid zich tot elkaar?

Het zelfbeeld van jonge, puberende meisjes, wat moeten we daarmee? Kan dat een issue, een dingetje zijn? Voor die meisjes wel, ook voor hun ouders en soms voor hun omgeving, maar voor buitenstaanders? Worden die meisjes niet ontevreden met zichzelf, zo ontevreden dat ze verschrikkelijke denkbeelden gaan koesteren? Maar ook: gaat het niet voorbij, zoals in de jeugdjaren zoveel voorbij gaat?

Aan de ene kant heb je mensen die geloven in de maakbaarheid van het leven, aan de andere kant mensen die vinden dat je alsnog ook met waartoe het lot je voorbestemd heeft vrede kan hebben. Tenslotte hebben we het goed hier en krijgen kinderen ontiegelijk veel kansen. Hoho, alleen de kindjes uit de goede gezinnen, want de andere, die krijgen die kansen niet. Een meisje van 13, zoals bezongen in songs,  heeft het niet onder de markt, zegt men mij, want veel ervaring heb ik er niet mee. Maar het is wel een vraag die ons weer bij die oude vraag van nature en nurture doet aanbelanden. Zie ik in familieverband meisjes die hun moeilijke jaren achter de rug hebben, dan merk ik dat ze het vrij goed hebben met zichzelf, zich inspannen op allerlei manieren en geloven dat het geluk hen toelacht. Dat is iets van een andere orde, maar ze kregen dan ook een behoorlijke opvoeding en toegang tot vele vormen van cultuur.

Maakbaarheid evenwel roept bij mij vragen op, omdat het anders dan bij het begrip nurture over een resultaatsverbintenis lijkt te gaan. Nurture? Opvoeding dus in een brede zin, waarbij men het ook kan hebben over transmissie van tradities, van fatsoensnormen en van het omgaan op een beschaafde manier met de dingen, zegeningen en kwellingen des levens. Het gaat dus om een vorming en opvoeding die ons in staat stelt om te gaan met de wereld om ons heen. Zoals Peter Sloterdijk betoogt, vormt die transmissie tegelijk de bron van fouten in het kopieerproces. Die fouten kunnen best interessant blijken, maar kunnen mensen ook in enige vorm tot niet meer behorende tot de soort, niet enkel in biologische zin, maar dus ook in culturele zin, tot monsters maken.

Het lijden van de jonge Werther vond ik bij eerste lectuur niet zo beklijvend, maar naarmate de jaren van mijn leven toenamen, begon ik te begrijpen waarom Goethe het wel zo boeiend vond over zo een bijzondere relatie te schrijven en hoe Werther ervoor koos uit het leven te stappen, terwijl de volkswijsheid toch zegt dat er na Mieke nog wel andere kunnen komen. De enige en unieke geliefde, die niet wil of kan ingaan op 's mans aandringen, brengt de man in ongerede. Goethe heeft later nog wel verder nagedacht over het Taedium vitae, de levensmoeheid en er levensvreugde tegen in het geding gebracht, het verlangen naar de dood, maar werd finaal toch een kranige tachtiger (82 jaar oud werd hij) en overleefde daarmee uiteraard heel wat montere lieden uit zijn jeugd.

Nu is Goethe absoluut zelfbewust in die zin dat hij weet dat hij geen modelmens of gutmensch kan heten, wel door en door begaan met de mensen met wie hij uit vrije wil te maken heeft. Zijn moeder zal hij na zijn vertrek uit Frankfurt, nauwelijks nog opzoeken of uitnodigen, zonder dat er daarvoor redenen te vinden zijn. Wellicht, speculeer ik nu, vond Goethe, die na zijn opleiding tot jurist, die niet geheel succesvol was, dat zijn ouders, zijn moeder hem te zeer in een bepaalde positie wilde drukken. Eenmaal gearriveerd in Weimar, had hij de indruk dat hij zelf zijn weg had gemaakt. Overigens, met zijn werkgever, hertog Karel August, hertog van Weimar zou Goethe zowel als kunstenaar als in de gedaante van behoeder van de kunsten een goed leven hebben. Karel August trad op als politiek denkend vorst - verlicht absolutisme - en wist op zijn vorstendom een weldadige invloed uit te oefenen, waarbij zijn moeder en echtgenote hun invloed lieten gelden. Merk op dat de vader in diens opvoeding wegens voortijdig overlijden afwezig was, laten we niet na dat de zoon minder om Goethe en diens coterie gaf dan zijn vader en al meer met de vragen rond het nieuwe Duitsland bezig was.

We hebben het dus maar weer eens een keertje over oude heren, maar juist de rol van vrouwen in de omgeving van Goethe en Karel August, maar ook de figuren van daadkrachtige dames, zoals de Tsarina's Elisabeth en Catharina de Grote moeten ons wel interesseren. Ook andere dames hebben een stempel gedrukt, zoals de moeder van François I van Frankrijk, zijn echtgenote ook, of Madame de Pompadour, krijgen in de beeldvorming niet de plaats die hen toekomt.

Voor een deel, denk ik dan, komt het niet zo geflatteerde beeld van deze dames, die vaak hun succes eerder als een last, zij het postuum, te dragen kregen, waarbij de zwarte legende over hun onverschrokkenheid vaak erger woog dan hun geloof in eigen kunnen. Belle van Zuylen, die gespeend was van een talent voor onderwerping, Emilie du Châtelet, die de Principia Mathematicae  vertaalde en zo Newtons werk in Frankrijk publiek maakte, maar haar wellicht tot waardevol lid van een universiteit had gemaakt, mogen we toch niet vergeten. Ook Alette Jacobs, de arts die als eerste afstudeerde en zo voor een paar generaties de poorten van de universiteit weer afsloot voor dames, komt bij ons op, als we jongedames een riem onder het hart willen steken. Zij hadden ook wel hun zusters in Eva te weerstaan, die vonden dat vrouwen daar niet voor geschikt geacht werden. Vrouwen geven immers ook een zelfbeeld door, een aantal fatsoensnormen dragen ze vaak mee uit aan andere dames en beknotten zo zichzelf en hun dochters in hun mogelijkheden. Dat is nu natuurlijk niet meer zo aan de orde, denkt men, maar wellicht is dat de gemakkelijkste benadering.

Jonge meisjes hebben wel degelijk prestigemodellen voor ogen, maar die zitten in de sfeer van poppen en popachtige figuren, zodat hun zelfbeeld wel degelijk geënt wordt op wat de criticasters van de grote figuren voor ogen hadden staan. De stimulans van jongedames om iets van hun leven te maken, blijft ook dezer dagen achterwege in het debat. De kloof tussen het promoten van paarse en roze vrouwbeelden en de wens hen te doen kiezen voor opleidingen als ingenieur of arts - al valt het op dat vlak beter mee - blijft groot, te groot om ernstig een en ander af te wegen.

Natuurlijk, de psychologie van het jonge meisje dat haar lichaam voelt veranderen, blijft zo te zien een moeilijke en men kan hen dan wel willen sturen naar een positief zelfbeeld, de beeldvorming en de verhalen die ze horen, maakt het hen niet eenvoudig  zichzelf als goed of passend te zien. Vrouwen hebben daar al langer last van en gaven via een eigen cultuur van verhalen - evangeliën vanden spinrocke - waarin vrouwelijke geheimenissen werden doorgegeven en die minder maatschappijbevestigend waren dan men zou denken. Onderdanigheid voorwendend diende men vooral zelf de broek te dragen, lijkt in die eigen vrouwelijke cultuur wel degelijk aan de orde te zijn geweest.

In die zin is de maakbaarheid, dat uiteraard vooral niet om de traditie geven wil een totaal ander en uiteraard nieuw verhaal brengend, botst men op het materiaal, dat gekneed moet worden en naar een model gemaakt, blijft wat het is, soms uitmuntend, maar ook soms minder fraai, niet echt in het oog springend. Maar we weten dat lelijke eendjes ook wel eens fraaie zwanen worden. De idee dat maakbaarheid veronderstelt dat we mensen naar een volkomen schok- en schadevrij model zouden kunnen kneden, gaat voorbij aan de gedachte dat mensen vooralsnog geboren worden uit natuurlijke processen die volgen op al dan niet spontane copulatie tussen partners, een man en een vrouw, die elkaar al dan niet toevallig hebben gevonden.

In die zin is maakbaarheid minder nieuw dan men geneigd zou zijn aan te nemen, zoals het hofleven precies in de eeuw van de Verlichting te zien gaf. Niet alleen in Versailles, maar ook in andere hofsteden ziet men dat mensen zich aan bepaalde modellen dienen te conformeren. Het verschil is wel dat de maakbaarheid een suggestie van perfectie met zich draagt, die het voor mensen zoals we zijn, nogal ongemakkelijk maakt. Zoals we zijn, naaktgeboren, opgroeiend, met kleien en soms grotere schokken, zijn we nu eenmaal en wil men daar iets fundamenteels aan veranderen, als ouder, dan schiet men toch ook tekort. Ouderliefde is inderdaad niet altijd zo onvoorwaardelijk als men zou denken, men kan er het best mee leven dat kinderen anders zijn dan men gedacht had, al kan men ook wel eens de hand in eigen boezem steken, want heeft men zelf niet de boreling opgevoed tot wie ze later werden.

Nu zouden sommigen opnieuw een andere revolutionaire gedachte te koesteren, namelijk dat niet ouders maar instituties vanwege de staat de zorg voor de nieuwgeborenen op zich zou nemen. Socialisatie in gezinnen en in de kringen van bevriende gezinnen? Niet te vertrouwen. Dat, denk ik, maakt dat maakbaarheid ook iets alomvattend in gedachten meedraagt en ik vraag me of dat zo een goede, wenselijke resultaten zou afwerpen. Meer nog, komen de aanhangers van maakbaarheid niet uit bij de gedachte van Rousseau dat men elke opname in de samenleving, elke vorm van nurture moet afwijzen, wegens corrumperend en perverterend voor de goede wilde die we in potentie zijn. De maakbaarheid wil dat zo te zien vermijden. Wijl nurture uitgaat van de gedachte dat men een dorp nodig heeft om een mens te vormen. zal men er niet omheen kunnen dat maakbaarheid vooral refereert aan strikt persoonlijke uitrusting om het als individu te maken.

Het is dan ook mijn overtuiging dat men jongedames, zo rond hun 13de vooral niet de indruk geven moet dat ze niet voldoen, maar tegelijk meegeven dat er nog een weg te gaan is. Het zelfbeeld is een ding, zich gedragen weten door familie, vrienden en vriendinnen en leren goed samen te leven, heeft zowel een individuele, persoonlijke dimensie als de oude idee dat mensen leren door te leven, door met anderen om te gaan. En ja, ergens zal er ook sprake moeten zijn van een deugdenleer, die niet op onderworpenheid gericht kan zijn, wel integendeel. Die a priori dualiteit, ambiguïteit accepteren is voor ouders dezer dagen al heel wat, voor de bloedjes van kinderen niet minder. De vraag blijft dan ook nog: à quoi rêve la jeune fille?


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten