Kansen bieden belangrijk maar niet afdoende



Dezer Dagen




Kansen nemen - Kansen Grijpen
over discriminatie en ongelijkheid



Liesbeth Homans krijgt veel verwijten een harde
tante te zijn, als het over integratie gaat. Maar de
kritiek is niet altijd of volkomen terecht.
De moeilijkheid is dat zij instrumenten aanreikt,
maar dat het de administratie is en meer nog
actoren op het terrein zijn die het waarmaken
van die kansen begeleiden. Doen die het zo
ondermaats? Daar heb ik geen zicht op,
of beter, het zou moeilijk te meten zijn. Dat
er mislukkingen zijn, valt te noteren, maar
ook zijn er successen. 
Het wordt eenzaam in de Wetstraat 16, las ik, maar ik vrees dat mensen zich wel eens eenzaam gaan voelen in dat geweld van wederzijds wantrouwen en vooral van voortdurend rondzoemende verwijten omdat de anderen er verkeerde denkbeelden op nahouden. Men moet niet de geest van Mei '68 proberen te vernietigen, want burgers hebben toen noch later er de extreme vormen van omarmd en al helemaal niet gekozen voor een omverwerping van het bestel. Er was strijd, voor Leuven Vlaams geweest, er was de democratisering van de universiteit, maar vooral begonnen mensen te profiteren van sterk stijgende inkomens en gingen al eens uit eten, op vakantie, kochten een auto en vonden een huis met een tuin. Niet iedereen, dat spreekt, maar als men de kaart van een dorp in 1958 legt naast een kaart van nu, dat ziet men geografisch hoe het allemaal tot op het niveau van de gemeenten een gigantische transformatie betekende: de kolenkachel verdween, de antennes op de daken kwamen en gingen, de mobiliteit nam gigantisch toe, sommigen bleven in eigen streek, dorp, maar velen verlieten die kleine kring.

Ik hoorde dit meisje op de radio en bedacht
dat inderdaad de omstandigheden ertoe doen.
Theoretische modellen hebben hun belang,
maar willen mensen de gegeven kansen
aannemen, dan is er veel voor nodig opdat
het lukken zou. 
Vandaag beijverd men zich om dat alles af te schilderen als foute boel en zeggen politici en experten dat al die wijken best niet langer uitgebreid worden. Natuurlijk kan men de lintbebouwing betreuren, maar het was wel een deal tussen grondeigenaren en de overheid om die gronden langs de steenwegen te mogen aansnijden en bebouwen. Mensen waren blij en trots dat ze erin slaagden hun eigendom en huis te verwerven, maar intussen vinden we dat banaal, vervelend en gewoon foute boel. Ook het verschijnsel van baanwinkels kan veel verteld worden, maar het blijft een feit, denk ik, dat er inderdaad niet altijd veel gepland is en indien wel, dan werd er met de gewestplannen nog een en ander mispeuterd. Nu kan men niet zeggen dat alleen (lokale) potentaten er profijt van trokken.

Het zou dus intellectueel eerlijker zijn mocht men die evolutie niet zomaar verketteren, maar proberen tot goed overleg te komen en vanuit het beleid en de opinievorming niet voortdurend mensen verketteren, die ook hun bijdrage leverden aan het vele goede dat tot stand kwam. Ook zorgde de overheid voor sportcentra en -infrastructuur, voor bibliotheken en culturele centra. Dat men dit nu onnodige uitgaven noemt, terwijl de hele cultuursector ook economisch een bijdrage levert aan het BBP en daadwerkelijk ook vaak exportproducten levert. De groep mensen die eertijds podia bouwde op Torhout en Werchter werd een internationaal bedrijf. Of de financiering van de cultuursector alleen van de overheid kan of moet komen, blijft een ander verhaal. Feit is ook dat men gedurende jaren de kunstverzamelaar als een bourgeois maar vooral als een sjacheraar gin presenteren. In "De navel van Daphne" legt Maarten Doorman uit dat de afgelopen decennia op een of andere manier het begrip kunst is uitgehold en dat mensen als Damian Hirst of Jan Fabre zich beroepen op hun autonomie en de autonomie van de kunst, maar tegelijk, met steun van een hele sector van hun werken en performances zakelijke projecten hebben gemaakt.

De rotsen op de dijk van Oostende zorgden voor veel commotie, maar wie het niet begreep was volgens de maker een beotiër of een verzuurde blanke man. Nu, ik vond en vindt het vooral weinig inspirerend, want als ik fraaie rotsen wil zien, ga ik naar Normandië of naar Tregastel in Bretagne, toch? Enfin, ik hou van kunst, maar kan niet altijd accepteren wat mij als zodanig voorschotelt, omdat ik het te gemakkelijk vindt of het concept op naar mijn onbescheiden mening zinloos vindt. Maar dan nog valt er nog veel te genieten, want er worden mooie dingen gemaakt, waarbij mooi niet verwijst naar schoonheid in Platoonse zin.

Om maar te zeggen, vond ik lang de kloof tussen de elites en "het volk" overtrokken, dan denk ik dat er in de samenleving inderdaad wel eilanden en archipellen bestaan en dat we niet altijd meer zien hoe al die soms zeer besloten kringen nog met elkaar kunnen of willen omgaan. In verband met discriminatie of racisme ziet men wel vaker dat de ene discriminatie en racisme als oorzaak van alles ziet, terwijl anderen net menen dat ze het recht hebben hun eigen wereld te blijven. Overigens, racisme lijkt alleen maar helder, want per slot van rekening is het ook zo dat we in deze wereld ook eigen voorkeuren mogen koesteren en onze eigen leefwereld scheppen.

Bestaat racisme? Jawel, want het kan niet anders dat mensen zich een oordeel vormen over zichzelf en anderen en dat dit op grond van ervaringen of ervaringen van horen zeggen kan uitlopen op de zeer foute gedachte dat iemand die niet van hier is, hier niet zou kunnen aarden of niet een aardige persoon kan zijn. Maar men moet ook niet geloven dat het om nobele wilden gaat, want ze zijn niet wild of onbeschaafd, maar sommige zoeken graag de weg van de minste weerstand om hun doelen te bereiken. Maar er is niet altijd sprake van racisme als mensen vrezen dat die andere hun leefwereld zou kunnen binnendringen, wat overigens niet per se fout hoeft uit te pakken, dat wil zeggen, met haat en afkeer.

Het samenleven als project en het werken aan de toekomst gebeurt echter niet in een abstracte ruimte of in een transcendente bestaansvorm. Het volk is niet zomaar een volk, maar vormt samen, binnen de grenzen van een territorium ook een gemeenschap en het is niet zo, denk ik, dat men die grenzen daarom als ondoordringbaar kan voorstellen. Tussen de Republiek der Verenigde Provinciën en de Spaanse Nederlanden, werd vaak gezegd dat de grenzen vanaf 1585 ondoordringbaar zou zijn geweest. Voor handelswaar legde men voor de doorvaart op de Schelde weliswaar hoge tollen op, maar handelaren in het Noorden probeerden ook hier wel zaken te doen. De wereld is eenvoudig als we een bepaalde situatie aannemelijk vinden en alle afwijkingen ervan afschuiven als niet significant.

Onze wereld is complex en we kunnen proberen dat in kaart te brengen, maar finaal is het altijd nog altijd maar een afbeelding van die werkelijkheid. Dat we in het onderwijs abstract leren denken is zeer belangrijk en noodzakelijk, dat we soms vergeten dat die abstracties de werkelijkheid kunnen verhullen evenzeer. Vooral termen als rechtvaardigheid en gelijkheid lenen zich tot simplismen, die het werkelijke leven niet verdraagt.

Nog geen maand geleden zegde men dat Charles Michel populair was in Vlaanderen, nu zou hij alleen staan. Denkt een commentator werkelijk dat de premier, dat ministers niet beseffen dat de situatie grondig gewijzigd is maar ook dat wij burgers dat best kunnen begrijpen. De betoging van de vakbond was vooral politiek, maar tegelijk merkt men dat mensen die spelletjes moe zijn en dat het niet bijdraagt tot een nieuw project dat we kunnen delen.

Maar het is ook we zo dat de politiek en zeker administraties ook opmerkzaam moeten zijn voor het feit dat mensen menen dat die niet ten dienste staan van het bestel, niet alleen dus ten dienste van elk van ons persoonlijk. Hoeveel oog hebben we dan wel voldoende voor omgevingsfactoren, vraag ik me wel eens af, die ons niet persoonlijk ten goede komen, maar wel per slot van rekening ook mij enig comfort blijken te bieden? Het is wellicht de moeilijkste kwestie in het actuele debat: wat doet de overheid in de samenleving en waarom lijken we chagrijnig om, terwijl we moeten vaststellen dat een aantal instellingen toch wel betekenis hebben, zoals justitiehuizen? Oh ja, er iets met de aanbestedingen voor enkelbanden, om de boeven die niet in de cel te hoeven houden, wat we dan weer soft vinden. De overheid verzekerd onze veiligheid, zorgt dat rechtbanken onafhankelijk recht kunnen spreken en vervolgens dat die vonnissen uitvoering krijgen. Er valt veel op af te dingen, dat is waar, dat wil zeggen al 35 jaar probeert men de werking van de rechtbanken te verbeteren, maar het wil maar niet lukken. Alleen, het hangt af van de werkingsgebieden, want zowel inzake financiële zaken als inzake zware criminaliteit blijkt het wel eens mis te lopen, omwille van procedures en formalistische akkefietjes. Advocaten zeggen dan dat wij moeten opletten, want als procedurefouten niet opgemerkt worden, dat wordt de rechtsstaat aangetast. Misschien moeten die advocaten ook oog hebben voor enige proportionaliteit.

Onvrede met de eigen situatie of met de wereld die niet aan onze eisen voldoet, omwille van een gebrek aan inzicht van beleidmakers en de uitvoerders ervan, lijkt vandaag door te gaan voor kritiek en dat ondermijnt wel eens de mogelijkheid om ook als gezamenlijkheid tot iets te komen. Nuits Debout? Het zal wel van een ouder wordend mens komen, maar wie zegt dat we op de Place de La Republique per se meer inzicht zouden hebben dan in het Franse Parlement? Goed, de regering en de president in Frankrijk hebben veel vertrouwen verloren, niet enkel degene die nu de functies bekleden, maar de functies zelfs staan niet meer hoog aangeschreven, al kent men de president koninklijke waardigheid toe.

Het fenomeen van de instantkritiek dezer dagen, het schieten op alles wat beweegt, maakt het ontwikkelen van beleid bijzonder kwetsbaar, bovendien, we schreven het al vaker, houden critici niet altijd rekening met het feit dat hun alternatieven nu net nog iets minder rekening houden met wat we ongewenste neveneffecten noemen. Mij kwam ter ore dat men eraan denkt dat men de federale wetenschappelijke instellingen in twee naamloze vennootschappen wil onderbrengen, het KMI en onder meer het Rijksarchief, maar ook het patrimonium van de musea in het Jubelpark... Oh ja, men kan het dan beter uitbaten, klinkt het. Wat zal men aanvangen met de archieven? Die zijn het formele bewijs van wat de overheid administratief verzet en hoe dat in concrete bevoegdheidsdomeinen in het werk is gegaan en gaat. Archieven hebben ook een culturele betekenis, maar zijn dus vooral de attestering van overheidshandelen of van het handelen van ondernemingen. Men kan dat niet overlaten aan de markt want het is een taak van de overheid, alleen ziet men er het nut niet meer van in. Toen de Muur viel, wilden archivarissen van de Bondsrepubliek voor de archieven van de Stasi bewaar- en vernietigingslijsten opstellen, terwijl voor de Oost-Duitse betrokkenen elk stuk, dossier betrekking had op concrete mensen die het recht hadden hun dossier te kennen. Joachim Gauck heeft met anderen de globale bewaring bevochten en de snelle ontsluiting, zodat inderdaad pijnlijke zaken aan het licht kwamen, maar ook mensen hun eigen verhaal konden reconstrueren.

Laten we dus maar omzichtigheid aan de dag leggen, want als we dat patrimonium, zoals ook de erfenis van Dexia, de oude kunstverzameling van het Gemeentekrediet, bijna in de boedel was terecht gekomen, zou men als overheid, als parlement en regering geen greep meer hebben op dat patrimonium, de Breugels, Rubens, Spiliaerts. Dat heeft ook te maken met kansen grijpen, kansen bieden. De overheid, zeker politici kunnen niet altijd tot in detail alles in de vingers hebben, maar het zou een onzalige idee zijn het patrimonium van de Koninklijke musea uit het openbaar bezit te halen, want dat zou heel wat verarming veroorzaken. En ja, via scholen en media kan men dat patrimonium maar beter ontsluiten. Jongeren liggen er niet wakker van, maar het kan hen inzichten brengen, bij hen kiemen leggen als ze er al eens mee in contact komen. In die zin zou men de openbare omroep - zonder in saaie didactische morose te vervallen - onze cultuur in al zijn facetten te presenteren, dus ook de kunst, de geschiedenis, de taalontwikkeling en zoveel meer, inclusief de filosofische reflectie dus.

Niet iedereen die de kansen grijpen wil, krijgt overigens de kans dat succesvol te doen. Want er zijn mensen aan de poort die sommige ambities graag fnuiken. Kwaliteit eerst, roept men dan, maar soms, moet ik vaststellen, blijkt dat begrip voor interpretatie vatbaar. Ben ik het oneens met Pohlmann en anderen dat men een Gramsciaanse revolutie nodig heeft om de geest van Mei'68 te verdrijven, dan denk ik dat zowel de geest van Oosterlinck en die van Luc Huyse best wat meer weerwerk zouden krijgen. Iterum censeo spiritum rebelionis conservandum sit. (Opnieuw meen ik dat de rebelse geest bewaren moet).

Gezeur over hardheid van rechts en de softe menslievendheid van links kan men maar beter toetsen aan de werkelijkheid. Bovendien ontwikkelen in beide stromingen - als die al homogeen zijn - mensen en groepen hun inzichten doorgaans middels vergelijkbare academische, wetenschappelijke methodes en dus blijkt er per slot van rekening weinig verschil op te zitten. In die zin zou men mij toch eens moeten uitleggen waarom men Gesinnungsethik en Verantwortungsethik als tegengesteld en nooit verbonden met elkaar kan zien. Het ene gaat over de overtuiging dat men dingen moet doen omdat men ervan overtuigd is dat ze intrinsiek goed zijn, maar als men niet waakt over de aangewende middelen om het goede goed doel te bereiken, dan richt men schade aan. Ik heb begrepen uit de lectuur van Weber dat hij beide vormen van ethiek wel onderscheiden moet, maar niet dat dit betekenen dat men het ene kan kiezen zonder het andere. Wat men wil bereiken wordt dan bijgestuurd door wat de wijze waarop men dat doen kan, ingeeft en dan blijken niet alle middelen geheiligd. Wie voor het ene kiest en het andere afwijst, komt vanzelf in een totalitaire modus terecht. Ook de pragmatiek die de Verantwortungsethik suggereert kan leiden tot bureaucratische, technocratische  xcessen. In die zin blijft het debat over het onderwijs te vaak vooral een kwestie van een overtuigingsethiek, waarbij de verantwoording van de realisatie bijna onmogelijk is gebleken. Wie dus zegt dat men kansen geven wil, zal diegene die kansen krijgt ook helpen die te grijpen en vooral niet kansloos afserveren. Maar die de kansen krijgt moet ook gesteund worden, edoch, niet gepamperd. Huiswerk maken? Studeren? Dat hoort er toch ook bij. Maar kansen geven betekent ook dat men mensen vertrouwen zal geven, maar ook voldoende autonomie. Zou het kunnen dat in deze het vinden van redenen om iemand vertrouwen te geven door vooroordelen ingeperkt wordt, dan zal men toch niet onmiddellijk in discriminatie en in slachtofferschap argumenten vinden om het te laten schieten.  

Bart Haers  



Reacties

Populaire berichten