Management in de zorg en werkdruk



Dezer Dagen


Mensen en cijfers
Management & zorg



In de GGZ bestaat de tendens om residentiële
zorg af te bouwen en daar valt een en ander
voor te zeggen, maar kloppen alle
aannames wel? In de zorg komen
vele vragen vaak samen en blijkt het
handig als men plots met een handige term kan
uitpakken. Op het terrein moeten
mensen, bijvoorbeeld ouders en
zorgverleners wel samenwerken, of zijn
het de kinderen die voor ouders
opkomen? Meestal laat
wederzijdse redelijkheid goede resultaten
zien. 
Het gaat erom, zegt men mij, dat druk op zorgverleners steeds groter wordt, maar ook dat door de aanpak van de cijfers gemeenten in Nederland en organisaties in Vlaanderen botsen op de grenzen van hun mogelijkheden, al lijkt daar wel eens een bizarre keuze aan ten grondslag ligt. Hoeveel doelen kan men zinvol combineren zonder mensen in problemen te brengen? 

In Nederland ontnemen de gemeenten die nu de zorg moeten beheren mensen die veel zorg best kunnen gebruiken, willen ze nog langer in hun huis blijven, de nodige ondersteuning, terwijl ook in de sector van de residentiële zorg serieus is gesneden. Ook de organisaties die de zorg organiseren staan onder druk, gaan onderuit omdat de financiering de zorgvraag negeert en gemeenten druk uitoefenen via lastenboeken en veiling van diensten. De zorg werd er onderworpen aan managementpraktijken die voor de zorgbehoevenden niet zo goed uitkomt, desastreus uitpakt zelfs. Al maanden zie je ze aan de tafels van Nieuwsuur en Pauw langs komen, oudere mensen die niet meer de zorg krijgen die ze al hadden toegewezen gekregen. Zorgbehoevende mensen hebben vaak ook enige nood aan sociaal contact. Ook bij ons zien we dat de thuisverpleging meer en meer geregisseerd wordt op basis van de te verlenen zorg, niet van de nabijheid van de zorgverlener.

Dat men geen geld moet weggooien, spreekt voor zich, zodat kostenbewustzijn best niet genegeerd wordt. Maar men merkt in verschillende sectoren van de zorg toenemende druk om te presteren, maar omdat het welbevinden van de cliënt niet altijd bevorderd wordt als mensen die hen poetshulp of andere ondersteuning geven onder tijdsdruk komen of niet goed omkunnen met het feit dat er meer dan de toegemeten tijd en zorg nodig is.

Nog eens, de middelen zijn niet onuitputtelijk en begrijpelijk is dan ook dat men de kosten moet beheersen. Overheadkosten beperken helpt enigszins, maar de moeilijkheid is dat men verschillende zaken tegelijk wil bereiken, zoals voor ouderen de mogelijkheid om langer thuis te blijven, maar bijvoorbeeld mensen in de GGZ om niet naar de residentiële zorg te moeten, om nog te zwijgen van de zorg in de sector van mentaal gehandicapten.

De zorg voor mensen met medische problemen, handicaps en/of de gevolgen van het vorderen der jaren draagt neemt dat snel toe en dat draagt ertoe bij dat we kritisch tegen de medische en andere zorgvormen aankijken. Men moet daarbij ook de vrijwillige bijstand rekenen van mensen die er welbevinden uit putten mensen bij te staan, maar de kost voor de samenleving staat in de begrotingen van welzijn, volksgezondheid en in de allocatie van middelen door allerlei andere instanties. Wie hier blind voor is, kan het probleem van het management van deze zorg niet goed omschrijven: met beschikbare middelen mensen omringen die zorg nodig hebben. De perfectie zal men niet bereiken, want men kan niet vaststellen wat dat zou zijn, maar toch, klanttevredenheid kan een goede indicatie bieden.

Het morele uitgangspunt, dat we mensen  met een (grote) zorgvraag niet aan hun lot mogen overlaten, zal niemand betwisten, maar het blijft opvallend dat we de geschiedenis van de twintigste eeuw op dit punt niet geschreven krijgen. Niet enkel Nazi-Duitsland vond dat gekken en mentaal gehandicapten die zorg niet mochten krijgen, want ze verzwakten het Herrenvolk en zeker in oorlogstijd was de kost voor de verzorging te hoog, ook voor mensen die zelf wilden zorgen voor hun bloedjes of voor hun broer of zus met een psychiatrisch probleem. Ook elders paste men eugenetische praktijken toe, zoals in Zweden en de VS, waar men mensen die erfelijk belast waren verhinderde zich voort te planten, onder meer via onvrijwillige sterilisatie. Men kan deze praktijken moreel laakbaar achten, anderen zullen erop wijzen dat men zo onnodig lijden kan voorkomen. Toch zal men vooral opmerken dat nieuwe medische mogelijkheden weliswaar toelaten bepaalde aandoeningen of tekorten te voorkomen zoals het syndroom van Down, downers dus, maar tegelijk zorgt de mogelijkheid om kinderen bij vroeggeboorte erdoor te halen,           ervoor dat nieuwe problemen, pathologieën kunnen opduiken. Hoe de balans uitpakt, krijg ik niet geheel helder, want zijn statistieken die niet zo gauw aan de orde komen. Wel is het zo dat de invoering van het M-decreet laat zien dat er dezer dagen veel kinderen zijn met allerlei "problematieken" en de zorg van ouders hen de beste kansen te bieden goed op te groeien, brengt het reguliere onderwijs wel eens in het gedrang omdat hier tegengestelde belangen in conflict kunnen komen, mag men evenmin vergeten, want getalenteerde kinderen kunnen zo zorg tekort komen.

Het debat over zorg blijkt dus ook weer aan te geven dat we ons moeten buigen over vragen of we mensen met zorgnoden helpen, een kwestie van Gesinnungsethik, maar ook zullen afvragen hoe we dat zullen realiseren, Verantwortungsethik en dan kan men niet anders het goede doel goed te vatten en vervolgens na te gaan en blijven nadenken over de in te zetten middelen en mensen. Maar dit is in de eerste plaats een debat van publieke orde en vervolgens, een zaak van mensen op het terrein. In de strijd om middelen om die zorg te verlenen, in de verschillende werkvormen en sectoren, spelen managers van organisaties overigens de verschillende benaderingen wel behoorlijk goed uit. Management op het niveau van organisatie is dus van node, maar de kwestie zou dan moeten zijn, denk ik, of dat management moet zorgen dat de opdracht van de organisatie zo gesmeerd mogelijk kan verlopen en mensen die zorg krijgen niet de indruk krijgen dat ze slechts kruimels toegeworpen krijgen.

Beweren dat het voor politici en voor de organisatie in bijvoorbeeld de geestelijke gezondheidszorg eenvoudig is om helder af te lijnen of men meer dan wel minder residentiële zorg, dus bedden en handen aan het bed nodig heeft, gaat voorbij aan de vraag of residentiële zorg per se negatief uitpakken zou voor patiënten. Uiteraard komen ook de inbreng van psychologen, van psychotherapeuten dan in beeld en zal de vraag wanneer men mensen terug naar de samenleving kan brengen, een overwogen antwoord moeten krijgen, waarbij de vraag dan komt hoe men dat zal doen, opdat de problemen van voorheen niet zomaar terug aan het licht komen en mensen in gevaar kan brengen.

Ook ten aanzien van ouders van kinderen met een handicap zal men zich afvragen hoe men die mensen, die heus veel op zich nemen en vaak verborgen kosten dragen, en ook wel door een aantal fiscale en andere voorzieningen ondersteuning krijgen, door managementoverwegingen in de koude zal zetten en zo de al grote druk nog verder vergroten, terwijl het draagvermogen niet oneindig is... maar als die ouders overleden zijn of zelf hulp en zorg behoeven, dan staan er, als het goed is, weer anderen klaar, zus(sen) en broers. Het blijkt in het debat over de organisatie van de samenleving altijd wel ergens op de achtergrond mee te spelen en er gaat geld in om, dus merkt men wel eens dat de zorg voor sommige condottiere die overheidstaken met graagte waarnemen en menen er nog een zoete slag mee te slaan. Het management staat dan niet meer de opdracht van de organisatie ten dienste maar dat van bewindhebbers. Dat men een goede wedde mag verdienen, ook als manager in de zorg spreekt voor zich, dat het soms aan mensen op het terrein kan ontbreken, blijkt ook. Maar bij een management dat gericht is op de eigen rol zal men zien dat het nog het welbevinden van het personeel noch dat van de aan de organisatie toegewezen zorgbehoevende mensen.

Het begrip professionalisme overigens, dat men graag inroept, kan omschreven worden in algemene termen, maar elke zorgvorm heeft eigen vormen van professionalisme en daar gaat het minder om. Als men verneemt dat in sommige werkvormen in de geestelijke gezondheidszorg mensen soms langdurig boven hun draagvermogen moeten gaan, dan begrijpt men ook dat men van overheidswege een zekere meerkost zal moeten aanvaarden, wil men mensen met duidelijke zorgvragen niet aan hun lot overlaten. Professionalisme kan dan overigens niet enkel begrepen worden als objectiviteit voorwendend alleen gestroomlijnde processen aanvaarden, want personen met een zorgvraag kunnen grote vooruitgang boeken in de ene sector en in andere zal de zorg alleen toenemen, wegens veroudering van de patiënt.

Wie dus eerder naar cijfers kijkt, dan naar mensen, zoals in de sector wel eens gehoord wordt, schept niet enkel voor de eigen organisatie een probleem, maar ook voor de sector, want de ontevredenheid van het personeel en van de cliënten zorgt voor reuring. Het zou ook goed overwogen moeten worden of elk veranderingstraject echt tot verbeteringen leidt. Het belang van goed overleg kan in een aantal gevallen onnodige druk wegnemen, maar dat vergt ook dat bijvoorbeeld het management meer overlaat aan de mensen die bij de zorg direct betrokken zijn.

Tot slot zal niemand ontkennen dat de boekhouding van organisaties in de zorg op orde moet zijn en dat dus het financiële plaatje in het oog gehouden moet worden. Aanvaardt men dit eenmaal als een evidentie, dan zal men toch kunnen bereiken dat verpleegkundigen of andere zorgkundigen niet alle regie uit de handen gehaald wordt. Cijfers negeren of miskennen helpt niet, maar die dienen toch alleen om te zien of de organisatie haar functie naar best vermogen vervult en tegelijk dat het welbevinden van cliënten of patiënten ermee gediend is, maar evengoed of het personeel er ook wel bij vaart. De tijd van de witte woede ligt achter ons, maar dat belet niet, dat er wel degelijk nagedacht wordt over strakkere regie van bovenaf, niet a priori van de politieke overheid, maar vanuit theoretische aannames over goed management.


Bart Haers  

Dit stuk komt voort uit gesprekken met mensen in de zorg en ervaringen op verschillende momenten. De zorg van Herman de Dijn zoemen mee op de achtergrond, zoals die verschenen in het maandblad Streven. Ook deze link kan u raadplegen om de argumentatie in het debat te situeren en interpreteren. 

http://aardewerk.be/wordpress/?page_id=655

Reacties

Populaire berichten