pro rusteloos denken



Dezer Dagen



Rondom het midden
over de ideologische en levensbeschouwelijke Maginotlinie




Antonio Gramsci bepleitte dat men
niet enkel over sociaaleconomische
machtsmiddelen zou nadenken en
daarom dus ook de culturele
macht dienen te veroveren. Joachim
Pohlmann wil zo een revolutie in
Vlaanderen. Ik geloof eerder
dat men het conformisme aan
elke zijde dient te vermijden
maar dat is een persoonlijk
project voor elkeen die het wil. 
Verwarrende maar boeiende tijden, waar aan de ene kant de vermoeidheid van een te oude wereld niet te overwinnen lijkt en anderen zoeken naar manieren om de activa van die te oude wereld, die de onze is, maar dus vermoeid opnieuw op te frissen. Die activa zijn ook economische waarden, bedrijven, kennis, creativiteit, innovatieve kracht, maar het gaat ook om een handelsfonds, immateriële waarden, zaken die mee de Europese cultuur maken tot wat ze zijn. Maar er staan uiteraard ook passiva tegenover en daarover zijn de meningen wel heel verdeeld.

Zo een boekhoudkundige benadering heeft wel iets, om het debat over onze cultuur en onze toekomst te voeren, vooral omdat in het begrip handelsfonds, dat in wezen een poging is om een boekhoudkundige waarde toe te kennen die weergeeft wat een bedrijf of zelfs organisatie maakt nadat bij het verschil tussen het totaal van de passiva en de Activa die laatste nog een tekort vertoont. Bij de passiva gaat het dan om het eigen vermogen, het vermogen tot autofinanciering en de inbreng van derden, via leningen en obligaties, courante schulden ook. De aandeelhouderswaarde stijgt dus vanzelf als er een deel van de activa niet aan eigendommen, patenten en voorraden gelinkt kunnen worden. Ik hield er niet zo van dat men over de N.V. België sprak en spreekt, omdat een samenleving meer is dan een economisch gegeven.

De conclusie zou dan kunnen zijn dat ik de financieel-economische situatie van het land niet in rekening zou willen brengen, maar dan vergeet men dat het net aangewezen is de continuïteit van de onderneming te verzekeren en dat is de rol van de overheden als het over het land gaat. Overigens, een belangrijk deel van de activa van dit land is de publieke infrastructuur, maar bijvoorbeeld ook de toegang tot telecommunicatie, energie en watervoorzieningen, doch ook, de open ruimte, Hallerbos of het Leen, maar ook de polders, de kouters rond Tiegem en zoveel meer.

Het land is dus een complex geheel, dat uiteindelijk gedreven wordt door mensen en waarin mensen geborgenheid, veiligheid en stabiliteit vinden, die hen toelaat het onmogelijke - als ze dat willen - na te streven. Die mensen, wij dus, hebben inderdaad rechten en hebben rechten opgebouwd, maar ook dragen we bij, op vele manieren. Nuttigheid van mensen voorop stellen,  betekent dat we hun bestaan, dus ook ons eigen individuele zijn, bestaan onderwerpen aan voorwaarden, terwijl we op zeker moment geboren zijn en op een dag zullen sterven. Dat sommige mensen grote schade kunnen aanrichten, staat als een paal boven water, maar dat niet enkel notoire criminelen voor schade kunnen zorgen en veel leed, staat ook vast. Toch zijn we er niet voor te porren zomaar te menen dat we een vast stel van normen moeten naleven om goed te zijn, want, nogmaals zoek ik enige steun bij Bernard Mandeville, de wereld kan ook aan deugd, aan stabiliteit ten onder gaan en laten we er toch maar eens toe komen vast te stellen dat goede mensen, niet mensen die zich graag als gutmensch presenteren, ook buitenbeentjes kunnen zijn, al weet de buitenwereld lang niet altijd hoe veel goeds sommige mensen wel aanrichten.

Toen ik las dat in Maldegem per ongeluk een kist met kogels met het oud ijzer was meegegeven, omdat men niet wist wat er in gezeten had, want het was een erfenis van de politiehervorming, bedacht ik mij dat er zoveel kogels niet gebruikt waren geworden, zodat dit symbool kan staan voor het feit dat de politie niet zo heel vaak gebruik moet maken van haar vuurkracht. Dat zou ons optimistisch moeten stemmen. Ook het feit dat grote steden melden dat er minder criminele daden zijn vastgesteld het afgelopen jaar, moet ons met enige tevredenheid vervullen, al zal er altijd nog wel geweld zijn, binnenshuis soms, buitenshuis ook. Maar er zijn ook venijnige vormen van geweld, die mensen met de hulp van de bestaande wetgeving uitoefenen, door hun rechten tegen derden disproportioneel te laten gelden. Ook Hans Achterhuis stelt vast dat geweld structureel zou zijn afgenomen de afgenomen eeuwen en zeker de laatste tientallen jaren.

Om het anders voor te stellen, zowel Flikken, de Gentse reeks, Flikken Maastricht en Witse, ze laten Gent, Maastricht en Halle overstroomd worden door een aantal misdrijven van allerlei aard en voortkomend uit allerlei motieven, terwijl dan blijkt dat die plaatsen nooit in diezelfde periode werkelijk zoveel misdaad beleefd hebben. In die zin is opeenvolging van schietpartijen en andere gewelddaden tussen bendes in Nederland wel onze aandacht zou moeten krijgen. Natuurlijk, in Gent was er op zeker ogenblik sprake van een verkrachter van het Citadelpark en ook Halle kende wel enkele gevallen van geweldsmisdrijven, Maastricht zat verwikkeld in de kwalijke gevolgen van het drugstoerisme. Neen, we zijn geen engelen, maar we kunnen niet ontkennen dat in deze contreien het geweld tussen burgers de afgelopen honderd jaar aardig terug gedrongen is en er een zekere mate van beschaafd gedrag aan het licht is getreden. Opgemerkt moet worden dat als er in Duitsland, Italië en andere landen tijdens het Interbellum zo snel mensen bereid gevonden werden om in naam van het regime een vrijbrief te vinden om wel gewelddadig op te treden, dan heeft dat onder meer te maken met de deemstering van waarden tijdens en na WO I.

Discussies over de vraag waarom jongeren hier te lande zo gemakkelijk zouden radicaliseren willen sommigen hier en van hier wijten aan onze arrogante eigendunk en aan vormen van expliciet racisme die we niet zouden zien. Anderzijds, als men de problematische opvoedingsvormen bij jongeren van Magrebbijnse families als algemeen zou laten gelden, dan ziet men ook, kan men niet voorbij aan het feit dat vele van die mensen - hoeveel het er zijn, zal men niet gemakkelijk uitmeten - ook een rustig, veilig leven zoeken, waarbij ze een aantal religieuze voedselgebruiken blijven onderhouden. Als het dan over de relatie tussen mannen en vrouwen gaat, wordt de discussie nog scherper, want eigenheid respecteren zou betekenen dat we vrouwen de keuze moeten laten een sluier of hoofddoek te laten dragen. Dan wordt de discussie ook lastig omdat ze niet enkel gaat over de hoofddoek, noch over de vermeende schending van het principe van gelijkheid van man en vrouw.

Kan het zo zijn dat we hier een discussie te voeren valt over hoe we een bepaald gedrag herleiden tot enkele primaire oorzaken en bijvoorbeeld niet voldoende oog hebben voor wat mensen drijven kan. Beter nog, dat we hen niet begrijpen als ze in het dragen van een hoofddoek een manier vinden om hun bekering in de diepte te vertolken. Terwijl die vrouwen vaak tegelijk assertief blijken en zich ook deels conformeren aan de wensen van anderen, vervat in (oude) kledingvoorschriften, of die al dan niet primair religieus van herkomst zijn, net om vrijer in het hoofd te blijven en in hun handelen en denken niet te zeer geconfronteerd te worden met nare opmerkingen.

We hebben vastgesteld dat de integratie van mensen met een migratieachtergrond niet geslaagd kan heten, omdat er met een deel van hen vooralsnog geen land te bezeilen valt. Maar soms heb ik de indruk dat we al te snel de gemaakte fouten willen goedmaken en daarbij al eens middelen aanwenden en een doel nastreven dat ook niet wenselijk is.

Dat de immigratie niet tot een gelukkige integratie heeft geleid, mag niet geheel verbazen, want we hadden nooit gedacht dat onze mooie cultureel homogene samenlevingen, waarbij de Franse als voorbeeld kan gelden, op de proef zou worden gesteld door het grote aantal immigranten, die bovendien in een snel veranderende context niet meer konden blijven werken waar ze voor uitgenodigd waren: de zware staalindustrie, de mijnen, de textielindustrie. Die hebben we gedelocaliseerd en plots waren we verbaasd dat die mensen hier bleven en dus ja, misschien liever hier dan in Marokko leefden.

De pijnen van onze samenleving lijken overdonderend en we kunnen er geen weg mee, omdat we wanhopig zoeken naar een middeltje, een pilletje om ze in een keer op te lossen. Dat is er niet. Er is ook niet altijd veel welwillendheid, ook niet in de Vlaams-Vlaamse discussie, waarbij links en rechts vooral elkaar verwijten softies respectievelijk rabauwen  te zijn. Men kan ook een failed state krijgen als men niet probeert ook de tijd haar werk te laten doen en problemen benoemend te beseffen dat men mensen ook de kans moet geven zelf tot inzichten te komen.

Als we het over het radicalisme hebben en de processen die er mee te maken hebben, blijft het interessant naar een fenomeen als Bekering in de diepte of Innerlijke bekering te kijken. Bekering in de diepte? Over de wijze waarop in de Middeleeuwen het bekeringsproces verliep en hoe mensen dat oppikten heeft men zelden uitgebreid onderzoek gedaan, omdat men ervan uit leek te gaan dat de rondtrekkende missionarissen, als ze al geen martelaren werden algauw succes oogsten en vervolgens vrij snel de mensen tot het ware geloof konden brengen. Ludo Milis was de mening toegedaan dat dit proces toch wel enkele eeuwen in beslag genomen moet hebben, waarbij hij vaststelde dat men de uitwerking van bijvoorbeeld de capitularia die Karel de Grote uitgaf, over doopformules, over de zondagsrust en de feestdagen - die wel eens herhaald werden - wel een aanvang maakten, maar dat het bleef bij zich conformeren in het uiterlijke gedrag.

In een volgende fase werd dan het innerlijke gedrag aangesproken, maar ook hier ging het nog om het conformeren en dan speelde zich dat nog af in kringen die vaak met geestelijken te maken hadden. Het gaat erom dat men zelf ook gaat hechten aan zaken als de zondagsrust of de vasten, dat men de penitenties, die de boetepredikers uitspraken, oplegden, onder meer veel vasten en vele malen de psalmen lezen of reciteren in het Latijn, vooral binnen klerikale milieus opgeldt maken. Het boeteboek van Burchardt van Worms - Corrector sive medicus vormt een deel van de Decreti Burgardi, een eerste bron van canoniek recht - werd ons voorgelegd, althans, passages eruit om ons te laten zien hoe de kerk tegen bepaalde handelingen aankeek, onder meer de ejaculatio nocturna, uiteraard een onvrijwillige daad, waarbij andere boeken minder coulance aan de dag legden.

Pas met de organisatie van de oorbiecht kon men ten diepste tot de ziel en het leven van gelovigen doordringen, maar uit de artikelen en de gedachtewisselingen heb ik begrepen dat prof. dr. Ludo Milis meende dat ook hier de mechanismen eerst in selecte milieus werden beoefend en pas later breed gingen. Het grote succes - wat heet - van de oorbiecht, die vanaf 1215, Lateranen IV, verplichtend werd gesteld zou men daarom wellicht pas in de laatmoderne tijden en vooral in de tijden van grote volkskerk, die van het Rijke Roomsche leven kunnen situeren, waar ook vormen van scurpuleus religieus gedrag vaker voor ging komen maar ook gedrag dat door de religieuze leer werd voorgesteld, beinvloed werd. In Vlaanderen betekende dat dus dat na het herstel van de oude bisdommen en grote vrijheid van de kerk, vanaf 1832 -1836 in de bisdommen bewust uitgebouwd. Even snel zou dat bereik vanaf 1960 weer gaan afkalven om nu te mogen vaststellen dat de biechtpraktijk nagenoeg teruggekeerd is naar de kringen van priesters en zeer vrome mensen. Wij, de echte leken, wisten al gauw dat het allemaal niet zoveel betekende, kan men vaststellen. Er zijn weinig systemen zo probaat gebleken om mensen emotioneel aan zich te binden en dat voor het leven van de betrokken persoon via de regelmatige oorbiecht op de voet te volgen en via het intieme gesprek te sturen. Dat dit verregaande indoctrinatie mag heten, zal ik niet ontkennen, want het was nog meer dan dat, de praktijk van de oorbiecht had juist dit als doel. Maar  Felix Timmermans laat in Boerenpsalm ook wel zien dat Boer Wortel er wel raad mee weet om toch zijn Pasen te houden en niet bj zijn vriend de pastoor te moeten gaan biechten over zijn zondige gedachten tegenover zijn schoondochter, wiens man dood is verklaard..., wat overigens net aantoont hoe Timmermans zich bewust was van de grote invloed van die praktijken voor personen. Duidelijk is mij niet of Timmermans, die zocht naar moderne vormen van katholiek leven, het ermee eens was dat die invloed op personen, gelovigen zo groot was of kon zijn. Omtrent anticonceptie en gezinsplanning was dat al voor 1960 al niet meer zo stevig door de gelovigen ondersteund.

We denken hieraan terug omdat onze samenleving vele vormen van zeer strakke overtuigingen kent, maar waar het vaak wel ook om grote emotionele betrokkenheid gaat, maar die bekering in de diepte, die mensen ten diepste tot een vroom en aan de kerkelijke leer trouw gedrag kon bewegen, lijkt daarbij afwezig. Behalve bij de Jihadisten en volgens velen ook de Salafisten, maar hoewel geleerden fatwa's uitspreken, lijkt het mij onduidelijk of die fatwa ook altijd een persoonlijke toetsing kent, dan wel of het alleen bij sociale controle blijft.

Jonge kerels die een vrouw, een lerares geen hand willen geven, is dat nu uiterlijk gedrag of geeft het blijk van die grote verinnerlijking van de waarden van de Islam? Ik weet het niet en kan er dus geen zinnig antwoord op geven of men hen dat uit het hoofd kan praten. Zal men binnen de Islam deviante meningen niet dulden? Opgemerkt moet worden dat in kringen van joodse mensen een vrouw niet in verlegenheid zal brengen door een hand te reiken, maar kan een vrouw daar wel toe uitnodigen. Of is de Islam minder eensgezind en zijn er zelfs binnen de Soenitische respectievelijk de Sji'itische leer interpretatiestromingen te onderscheiden? Als er dan sprake is van radicaliseren, dan gaat het om de interpretatie van de bronteksten en wordt de traditie van interpretatie weg geveegd. In Europa hebben we met de bronteksten, Het oude en het Nieuwe testament vaak minder binding dan met de traditie van wat de predikers zelf ervan hebben opgestoken en ons, leken, doorgegeven. Maar er zijn ook bewegingen, die in de VS krachtdadig de neoconservatieve stromingen in de Republikeinse partij ondersteunen en vaak ook zeer stevig in de bres staan voor het ongeboren leven - maar ook niet van het Second Amendment afwillen, met alle gevolgen voor wel geboren leven - die net vooral de letterlijke teksten van het Oude en Nieuwe Testament met grote vaardigheid weten te verbinden tot een strak mens- en wereldbeeld, waaraan niet te tornen valt.

In "Goden Breken" heeft Marc De Kesel erop gewezen dat wie teksten zo een status geeft, die ertoe leiden dat men latere interpretaties, van theologen en dan vooral ook enkele filosofen, zoals Thomas van Aquino, wel moet afwijzen, het moeilijk maakt met de teksten zelf voor deze tijd een zinvolle dialoog aan te gaan. Meer nog, wie de tekst zelf als een afgod gaat vereren, kan de werkelijkheid dezer dagen niet meer onderkennen. Jehova's die bloedtransfusie weigeren voor zichzelf en voor hun kinderen, beroepen zich op de bijbel, maar ik denk niet dat er veel katholieken zijn die het gebruik van de anticonceptieve pil nog als zonde beschouwen.

Processen van radicaliseren zag men ook bij jongeren die bij Opus Dei terecht kwamen, maar al die lieden, mannen en vrouwen, die plots een bekering doormaakten, hadden ook vaak een superieure glimlach gekregen en konden zich niet meer storen aan het warrelingen dezer dagen. Overigens, ook mensen die plots dachten de geschriften van Karl Marx, Lenin en Mao te begrijpen kregen plots die zelfzekere air van alwetendheid over zich, vooral als ze zich bekwaamd hadden in de typische discussievormen waarbij men op elke tegenwerping wel wist wat te antwoorden. Telkens ik de kans krijg teksten te lezen van Ludo Abicht of een keer met hem spreek, valt wel diens helderheid van denken op, maar hij straalt niet die zelfzekerheid, dat superieure uit dat sommige filosofen, gestaald in het marxisme wel dragen, of in het rationalisme.

Marc de Kesel nu hechtte er dan ook aan in zijn essay "Goden Breken", te wijzen op het expliciet moderne van die benaderingen van de bijbelteksten, maar ook van de Islam. De Moslimbroederschap, zo blijkt overigens beriep zich op een duidelijke originalistische lezing van de Koran maar duidelijk is dat het Koranisme - de Islam met de Koran maar zonder de Hadith - kan men ook als een moderne ontwikkeling zien en tegelijk als afwijzing van Westerse invloed op de Islam. Zo verwarrend is het allemaal dus weer, maar het laat wel toe te begrijpen dat we mensen niet zomaar van geloof kunnen afbrengen. Vooral als van discriminatie een oorzaak van hun uitzichtloosheid wordt gemaakt, ziet men de neiging de om zich in allerlei radicale stromingen een veilige haven te zoeken de reden van het radicalisme, terwijl ik niet kan aannemen dat dit voor iedereen het geval zal zijn.

Zoals men merkt is mijn visie op moderniteit niet eenduidig en zie er niet uitsluitend een bron van weldaden en zegeningen in, al is er al te veel dat ik zeer waarderen kan. Het kenmerkende aan de moderniteit en a fortiori aan de Verlichting is dat niet de antwoorden en besluiten van belang zijn, maar precies de mogelijkheden om telkens opnieuw op eigen gezag de vragen opnieuw te onderzoeken en soms tot van de grondstroom afwijkende inzichten te komen. Door aan de Verlichting het karakter te geven van een bron van zekerheden, van onweerlegbare wijsheden, ontkent men het avontuurlijke karakter ervan. Mag ik me daarbij ook beroepen op de lezing van Ignaas Devisch over zijn nieuwe essay, Rusteloosheid, een pleidooi voor mateloosheid, dan denk ik dat zeker Sloterdijk die visie op de Nieuwe tijd wel zal kunnen billijken. Is die het er helemaal mee eens? Ook niet. Ook Tinneke Beeckman lijkt in haar aperçu van de Verlichting eerder het onderzoek en het denken zonder absolute zekerheid van de juistheid van de antwoorden voorop te stellen en bijvoorbeeld te begrijpen dat men wel eens bereid zou moeten wezen zekere aannames opnieuw op de helling te zetten, al was het maar om te checken of de benadering wel zo onfeilbaar en gestaald tegen kritiek zou zijn als men wil aannemen.

Een treffend voorbeeld van verschuivingen in minstens de methode vormt een uitlating van Joachim Pohlmann, de woordvoerder van Bart de Wever, die een Gramsciaanse revolutie tegen de geest van Mei '68 aangekondigd heeft. Nu heb ik ook wel bedenkingen bij sommige evoluties - de wijze waarop Lieven Boeve, de baas van het katholiek onderwijs die zijn scholen aanzet voorop te lopen op de hervormingsplannen van de Regering Bourgeois-Crevits, berust nu net op aannames die in de nadagen van Mei '68 zijn ontwikkeld - maar toch denk ik dat men veel van wat bereikt werd sinds het einde van de oorlog, wel ter harte kan nemen, zoals de grotere vrijheid voor elkeen over het eigen leven te beschikken. Maar het gaat om een verzet tegen een tijdsgeest, die van Provo en Actie Tomaat, die de oude vormen wilden doen verdwijnen. Dat ze daarbij over lijken gingen, ook van belovende acteurs en actrices, moet men dan niet vergeten. Wil Pohlmann de vermeende hegemonie van de linkse kerk op intellectueel vlak doorbreken of overnemen, dan denk ik dat hij er zou van doordrongen kunnen zijn dat dit cultuurmarxisme zeker bestaat, maar lang niet zoveel macht heeft, als sommigen graag voorwenden, zowel die ze denken te hebben als zij die ze hardnekkig bestrijden. Na de oude kerk ziet men dat ook de nieuwe kerk de eigen macht overschat. Ware vrijzinnigen hechten er niet aan, denk ik, negeren zelfs bij voorkeur dat fenomeen. 

In die uitspraak van Pohlmann klinkt een schril radicalisme door, want een deel van de geest van de jaren zestig was er een van rusteloosheid, ook intellectueel die men wel koesteren moet en sinds mij duidelijk werd wat de Kulturkampf van Bismarck inhield, moet ik vaststellen dat het niet de beste manier is om mensen tot denken aan te zetten. Anderzijds mag men evenmin vergeten dat een zekere dualisering in het debat vaak ook mooie resultaten kan afwerpen, maar dan dient men ideeën te "bestrijden" en niet de mensen die ze uitdragen willen terugdringen of vernietigen. Het gaat dus om het toepassen van een begin van dialectiek.

Een van de pijnen van deze tijd is de drang naar eenduidigheid, zekerheid en onbetwistbaarheid en dat is nu net wat Links en Rechts delen, wat Complotdenkers en Jihadisten met elkaar delen en ook Trump geeft er blijk van. Het antwoord zoeken in een eigen zeker en onbetwistbaar denkkader kan comfortabel aanvoelen, het laat niet langer toe buiten die schema's de wereld en mensen te observeren. Zo kon ik dus dit stuk aanvangen met een poging via een boekhoudkundige benadering naar onze samenleving te kijken om te zien dat via dat bijzondere surplus, het handelsfonds, de immateriële waarden in de bedrijfsvoering onder ogen te zien. Wat het precies inhoudt, valt niet a priori te berekenen, maar de inzet van de personeelsleden zal ook voor iets tellen. Ook voor de samenleving geldt dat de klassieke boekhoudkundige oefening over de staat van het land een soort handelsfonds impliceert, waar de niet toe te wijzen activa in opgenomen zijn. Het welbevinden enerzijds, maar er kan ook een passief handelsfonds aan het licht komen, als de kwalen waaraan de samenleving groter worden dan de weldaden en zegeningen, maar staat men dan niet op de rand van een Gramsciaanse revolutie?

De balans van de Verlichting? Dat is dus meer dan enkele mantra's, maar hoe belangrijk het ook is dat men de gelijkheid van burgers voor de wet erkent en de gelijkheid van man en vrouw onderschrijft, men mag dan ook niet de baten van individuele vrijheid uit het oog verliezen en het vermogen ook, als het goed is, kritisch te bejegenen.
                                                                              
Bart Haers



Reacties

Populaire berichten