Superdiversiteit en humaniora


Dezer Dagen


Superdiversiteit
over democratisch-aristocratische deugden



Een publiek debat over waarden, cultuur
en samenleving kan wel degelijk. Ad Verbrugge
en journaliste Clairy Polak bewijzen dat het kan.
Tenzij de staatssecretaris er nu ook iets op
gevonden heeft dit te laten afvoeren. 
Cruciaal in het dat over terrorisme door mensen van bij ons, autochtonen en mensen met een migratie-achtergrond - tot voor enige tijd kon men onbeschroomd spreken over allochtonen, maar dat woord werd begraven, wegens te belastend, vooral gaat om sociale en economische parameters en uiteraard de weinig zeggende term superdiversiteit.  Zullen we dan maar doorgaan en superdiversiteit een deugd noemen? Het is een vaststelling als andere, dat mensen uit alle des heren landen hier terecht komen, sommige landen zenden vele zonen en dochters hierheen, uit andere landen komen enkelingen, sommige zijn geschoolde expats, anders zijn gelokt door verhalen van familie die hier lang leven, tot drie generaties. Men stelt superdiversiteit tegenover homogene samenlevingen en acht het ene een ideaal en het andere problematisch, terwijl in beginsel regio's vrij homogeen zijn samengesteld en mensen pas gaan migreren als er aan de horizon nieuwe perspectieven lonken, die hemels lijken, vergeleken bij de thuissituatie.

De open samenleving heeft geen uitstaans met de herkomst van de bewoners, want hoewel de bevolking van de VS behoorlijk divers was en het bij momenten niet zeker was of het een Engelstalige gemeenschap dominant zou blijven, bleek in een aantal opzichten de melting pot tot homogeniteit inzake taal en enkele andere concepten over burgerschap en zelfredzaamheid te leiden. Wie uit Oekraïne en andere verplichte leefgebieden voor joodse gemeenschappen in tsaristisch Rusland in de VS aankwam, werd via het aannemen van een nieuwe, niet langer een jiddische naam een Amerikaan en de afstand die men nam tot het oude Europa mag ook onze aandacht krijgen. De VSA is hyperdivers in haar totaliteit, maar verrassend homogeen als men concentraties van bevolkingsgroepen gaat bekijken. Superdiversiteit is een gevolg van zowel globalisatie als van migraties overheen alle 's heren wegen, vanuit China, het Midden-Oosten, Latijns-Amerika naar welvarende gebieden in de wereld, waar een aangename rust en vrede heersen.

Maar moet superdiversiteit dan een hindernis blijken of blijven? Als we beleidsbrieven nagaan de afgelopen decennia dan stelt men vaak een blinde vlak vast, want men zegt tegen communautarisme te zijn gekant, maar hyperdiversiteit onderkennen, impliceert willens nillens het bestaan lokale gemeenschappen met een eigen cultuur, taal, normen en waarden die in de ambiante samenleving niet erkend of zelfs aanvaard worden. Dat, zegt men dan, moet veranderen, maar als de autochtonen dat niet willen? Als wij graag met ons lief in het openbare zwembad vertier zoeken? Als wij eraan denken onze oude schrijvers eer te bewijzen of, hoe kan het anders, onze stambomen fraai ingelijst boven de haardsteen te hangen? Dat mag niet, zegt men ons, want dan bevestigd men een identiteit.

Maar als die stamboom nu een uitdrukking vormt van vermeende en erkende uitmuntendheid van generaties boeren, molenaars, smeden, slagers die vervolgens artsen, legisten en soms wel eens (tijdelijk) priester werden? De gedachte dat we onze eigen geschiedenis niet meer hoeven te kennen of mogen kennen, roept vragen op. Als ik in Gent rondstruin en ik passeer aan het voormalige Rijksarchief, het Gerard Duivelsteen, of ik betreed de Sint-Pietersabdij, het voormalige marsveld, het Sint-Pietersplein, waar ooit  Sint-Pietersdorp op de Blandijn moet hebben gestaan, vanaf de zevende eeuw, dan ben ik bezig met de geschiedenis van een plaats. Ook het Franse theater, c.q. de Opera of het begijnhof zijn plaatsen waar ik als persoon niet per se veel mee heb, maar die wel deel vormen van een traditie waar ik uit ben voortgekomen. De gedachte dat de mensenrechten die we sinds de Amerikaanse en de Franse revolutie zijn gaan formuleren, zowel de negatieve rechten als de positieve, vanzelfsprekend universeel zijn, vormt dat een struikelsteen in het debat: wie dezer dagen de universaliteit van de rechten van de mens ter discussie stelt, doet dat vaak vanuit een onbestemd cultuurrelativisme, maar vaak stelt men dan tegelijk dat sommige volkeren minder met de universaliteit van die rechten hoeven op te hebben dan andere: de Franse revolutie gold voor iedereen, de aanspraken van de Universele Verklaring voor de rechten van de mensen worden soms door de verdedigers ervan minder universeel, als ze mensen met een migratieachtergrond zouden kunnen discrimineren.

1. Regressieve cultuur

Het klinkt hard, maar zonder te claimen dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens werkelijk voor iedereen even zwaar moet wegen, kan ik er niet omheen dat we zelf voeling moeten houden met de verdere ontwikkeling van die rechten. Hierover schreef Peter Sloterdijk zijn weinig besproken essay "De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd", maar niet alleen sprak men er zelden over, ook moet men zich bij de lectuur wel snel door de bladzijden hebben geworsteld. Over hoe mijn recensie zal klinken, denk ik vooralsnog na, maar de lectuur, hopelijk wel aandachtig en alert, brengt licht de  actuele, contemporaine kwesties; zou men Sloterdijk eerder van oplettendheid dan van doemdenken moeten verdenken, dan blijken recensenten vooral zijn obstinate neiging tot moeilijk taalgebruik in de verf te zetten, terwijl het boek zeldzaam helder blijkt. En dit, het gaat om alertheid voor de tekenen van de tijd.

Wat ik als regressieve cultuur voorstel, zou men ook als infantiele consumentenattitude kunnen beschouwen. Het kan inderdaad ook gaan om een vooruitvallen in de tijd, zonder dat we nog weten waarheen we vallen. Regressief is die cultuur in de mate dat men zich niet meer lijkt te willen begeven op het terrein van de hermeneutiek en nog minder van de heuristiek. Al menen we dan dat alles al gezegd is, hoe het gezegd werd, blijkt dezer dagen niet meer aan de orde en hoe variaties ons kunnen bezoeken nog minder. Regressieve cultuur impliceert niet veel anders dan dat we het maken van onderscheiden terzijde schuiven, dat iets waar of is of fout en dat daarmee de kous af is. Bovendien hoeven we ons niet te bekreunen over wat onze plaats is in de tijd. Wat telt is dat we hier slechts eenmaal in het ondermaanse bevinden en dat we er alles uit dienen te halen. Tegelijk worden we doodgeslagen met allerlei berichten over nakende apocalypsen - het meervoud ligt in de verschillende mogelijkheden van een grande finale voor onze bestaansvorm op collectief vlak, het einde van de blauwe planeet of het einde van (menselijk) leven op de mensenplaneet - maar dan ligt de schuld nog wel buiten ons om, terwijl we verwijzen naar Armageddon om de menselijke bereidheid die eindtijd, het allerlaatste te bereiken. Ook hier doet zich een cultuurregressie voor.

2. Acceptatie van waarden

Die regressie overigens doet zich vaak voor als een verder sofistekeren van inzichten die tegelijk niet langer gegrond blijken in de observeerbare wereld om ons heen. Hyper- of superdiversiteit is er een van. De vorm waarin we samenleven sinds de oude tijd, de Griekse poleis of de Romeinse municipia, de middeleeuwse steden vertoonden tegelijk sporen van homogeniteit, bijvoorbeeld inzake taal, gewoonten, levensbeschouwing, maar ook grote diversiteit, bijvoorbeeld in de mate dat de steden "buitenpoorters" kenden en "metoikoi". Diversiteit is een gevolg van globalisering die - uiteraard - geen evolutie is van de afgelopen dertig jaar, maar blijkt altijd weer aan de gang geweest te zijn, maar dan kijken we niet enkel naar Europa, maar we denken liever dat we vanouds in ons dorp bleven. Alleen al het feit dat die dorpen zelf vaak uitbreidden, niet zelden het geboorteoverschot zagen vertrekken, waar de steden hun eigen dynamiek uit haalden. Men kwam uit de bergen, zoals de heer Platter en na een lange zwerftocht wordt men burger in Bazel.  

De acceptatie van waarden gaat er net niet om dat we voorstellen zomaar aannemen, ook en vooral als we de achterliggende gedachten niet zien of niet snappen. Acceptatie betekent net dat men doordacht en in dialoog inzichten kan delen, ook als die soms eigen particuliere belangen (tijdelijk) in het gedrang kunnen brengen. Vergelijk het met een scoutspatrouille die op stap is in de Jura of Thüringen en tegen de avond moet zorgen dat alle tentjes opgesteld raken, dat er een veilig kampvuur is en dat er eten is: elk heeft zijn taak en al zou men liever iets anders doen, dan nog moet men eerst die taak volbrengen, wetende dat daarna wellicht nog een beetje overblijft. Maar toch kan die taak niet als opgelegd aanzien worden. Uitgerekend het nazisme slaagde er volgens Jacques A.A. van Doorn in mensen zover te krijgen dat ze motu proprio aan de slag gingen voor het algemeen. Meer nog, de jonge Hans Scholl werd enthousiast lid van de HJ en vaandrig van zijn eenheid. Edoch, in al zijn enthousiasme ontwierp hij een eigen vlag en zongen ze behalve de liederen van het liedboek van de HJ eigen liederen. Algauw vond men dat er wel over en de jonge Scholl mocht het verder vergeten bij de Hitlerjugend. Hij zou als arts in opleiding in Stalingrad opereren en werd zich vervolgens bewust van de onvoorstelbaar ploertigheid van de oorlog en van het nazisme. Men kan nu zeggen dat hij pas laat wijs werd, maar hij en anderen, zijn zus onder meer lieten het niet bij onderling betwisten van de situatie, maar gingen met pamfletten aan de slag. Die dropten ze in eerste instantie niet om het even waar, maar per trein reisden leden van de groep de Witte Roos naar toonaangevende figuren om hen op te roepen komaf te maken met de nazi's en de bende misdadigers, Hitler en zijn club van leiders dus.  Het vijfde traktaat zou in handen van de Engelse geheime diensten terecht komen, die het zouden afdrukken en vanuit vliegtuigen droppen in Duitsland. Heeft de Witte Roos weinig bereikt? Ze zijn de rechtvaardigen die tegen een bewind in actie gekomen zijn en hebben het met de dood betaald.

3. Waarheidsvinding en waarheid spreken

Niet iedereen kan "de feiten"op dezelfde manier lezen, dat weten we maar tegelijk mogen we ons niet aan de vaststelling onttrekken dat sommige voorstellen in strijd zijn met wat we als mensen als juist ervaren. "Gij zult niet doden", was al voor Socrates een heilig principe, maar hij argumenteerde dat door te zeggen dat niemand met de moordenaar in zichzelf zou kunnen leven. Arendt breidde dat Kantiaans uit en vond dat verantwoordelijkheid verder moet reiken, maar dat kan alleen als we ons oordeelsvermogen ontwikkelen. Zou dat het vermaledijde geweten van de katholieken van vroeger zijn? Ik heb goede mensen gekend die wisten dat ze maar een beperkt ontwikkeld geweten hadden en toch goede mensen bleken, terwijl anderen zich lieten voorstaan op hun geweten en de scherpte van hun inzichten en mensen zonder scrupules naar de goot en de mestvaalt verwezen. Alleen Job kan daar vegeteren en overleven.

Het was Michel Foucault die ons duidelijk maakte dat we niet zomaar naar waarheid kunnen spreken als het erop aan komt, als die waarheid spreken ons iets kosten kan. Nu goed, wat is waarheid? Het gaat hier wellicht niet om de eeuwige waarheid van wat de rede ons leert over de grote dingen, de fysische fenomenen zoals de zwaartekracht of de elektromagnetische kracht, de wetten van de Thermodynamica... die zijn alle belangwekkend genoeg, zoals ook het Standaardmodel van de deeltjesfysica, zoals Martin Veltman mee opstelde. Maar over het Higgsdeeltje wist de man, Nobelprijswinnaar, niet met zekerheid iets te zeggen, tot het werd geobserveerd in het Cern.

Waarheid in het contingente bestaan is van een andere orde en veel moeilijker in absolute termen te gieten. Alleen weigeren we dat te aanvaarden en hopen we ook in ons dagelijkse bestaan die zekerheden te vinden en te onderkennen, wat neerkomt een grote aandrang tot beheersing, c.q. van onze medemensen. Stirner heeft de uiterste consequentie getrokken van het autonome bestaan als individu gekozen, maar dat werd dan vervolgens doorgaans afgewezen, omdat het niet meer menselijk zou zijn.

Waarheid spreken in menselijke aangelegenheden zal gebeuren aan de hand van grote principes, aannames  maar tegelijk altijd rekening houden met het incommensurabele, niet alleen als onpeilbaarheid of onmeetbaarheid, maar ook dat men niet altijd kan voortgaan op wat men ziet.

De volkstribuun, aldus Peter Sloterdijk, Napoleon of Morales, zij hebben hun sprong voorwaarts gemaakt, maar alleen zij weten hoe zeer ze zich in het onbekende wagen. Lenin wist dit duivels goed, maar in de discussies achteraf over de Russische Revolutie werd die gok van Lenin als een gouden greep voorgesteld. Men kan daarin, in dat blinde improviseren vooruit een gebrek aan aandacht zien voor wat mensen ervan zullen ondervinden. Incommensurabel is dan zowel de val van Lenin, de val vooruit, met aan het einde de Nieuwe Economische Politiek om toch zijn burgers, ingezetenen nog van voldoende voedsel te kunnen voorzien, maar improvisatie was dat ook en in die zin wisten noch Lenin noch de Russen wat er volgen zou en dat het voorbeelden eindigde met een vroegtijdige dood, vormt een van de facetten van de Russische Revolutie, die wel aandacht kregen, maar in de eindafrekening als kleinmenselijk geneuzel werden/worden beschouwd.  Gaat het om gokken gaat en om vooruit vallen, dan heeft de waarheid uiteraard weinig aantrekkelijks voor partij, partijleiding en burgers, maar hoeft men die ook niet meer te spreken.

4. Versus nivellering

Gedurende decennia werden lieden die de onderwijshervorming niet in het hart droegen op het hart gedrukt dat men de democratisering van het onderwijs zou versterken en finaal realiseren dat iedereen een diploma zou halen. Maar behalve dat doel was er nog een ander, het vermijden dat jonge kinderen en teenagers trauma's zouden oplopen in hun onderwijsloopbaan en vervolgens werd ook nog eens het leergezag van het onderwijzend personeel, bevlogen leraren v/m doorgaans, onder het tapijt geveegd. Ook ouders deden en doen hier graag aan mee, lieden uit de betere middenklasse met een iet of wat tegenstribbelend zoontje of dochtertje, maar meestal dus de jongens die zich niet zomaar in het gareel laten dwingen.

Echter, als men deze evoluties ook eens op gang brengt in tijden van "superdiversiteit" en bovendien vanuit de terechte vaststelling vertrekt dat onderwijs altijd ook een zekere standaardisering met zich heeft gebracht in het leven van de alumni, dan weet men ook dat het pas de meest getalenteerde alumni zijn geweest die het bestel op scherp konden zetten. Ware democratisering kan er dus alleen maar komen als men mensen alle kansen geeft op goed onderwijs en in hun richting zo ver mogelijk laat evolueren. Wat eruit voort zal komen, kan men niet altijd voorspellen, omdat sommige alumni zich zullen nestelen in hun verworven privilegies, andere zullen van die douceurs net gebruik maken om zelf vorm en richting aan hun leven te geven, maar een enkeling zal de boel eens goed op stelten zetten. Ter correctie dient hier wel aangegeven dat onderwijs pas echt ging democratisering als er voldoende nood aan geschoolde hoofden en handen was. In het UK ziet men dat pogingen tot verder gaande democratisering via onder meer grammar schools afgewisseld werd met terugvallen op old boys netwerken van Oxford en Camebridge. Zelfs de Britse premier David Cameron stelde dat een paar jaar geleden nog met enige zorg vast. In Vlaanderen moet men vaststellen dat het spanningsveld tussen democratisering, dat wil zeggen betaalbare toegang en kwaliteitsonderwijs lange tijd verzekerd werd door het bestaan van een vrij star netwerk, het Vrij onderwijs, katholiek van snit, dat bepaalde standaarden niet los wilde laten. Een doorn in het oog van de onderwijshervormers, maar het trojaanse paard is al lang binnen gedrongen in het bestel van dat vrij onderwijs, de pedagogen die werden opgeleid door precies de onderwijshervormingsgezinde professoren.

Nederland worstelt met een falend onderwijssysteem, waartegen onder meer de filosoof Ad Verbrugge zich verzet. Toch krijgen we daarover hier te lande weinig over te horen, net als andere initiatieven verstoren die de vlotte beïnvloeding van vooral de bewindhebbers in onderwijsland. Men vindt immers dat democratisering niet langer betekent dat jongeren de kans krijgen het beste van zichzelf te geven. Wie niet studeert, wrocht, oefent moet ook een kans krijgen. Dat is tegen het zere been van Peter Sloterdijk getrapt, maar ik denk dat velen zijn inzicht kunnen volgen dat democratisering niet a priori tot de opstand der horden hoeft te leiden. Of beter, Hermann Hesse beschreef in "Het Kralenspel" een provincie die volkomen meritocratisch functioneerde, maar binnen een zeer enge scoop, namelijk het leren hanteren van alle menselijke kennis, van wiskunde tot muziek om steeds nieuwe spelen op te zetten. Buiten de provincie Kastalië vierde de vulgariteit en onwetendheid hoogtij en de gastleerling Peter Designori zou in zijn confrontaties met Jozef Knecht, die later Magister Ludi zou worden, die onwereldsheid te berde brengen. Het slot van het verhaal is dat Knecht inderdaad de provincie en zijn hoge ambt verlaat om in de wereld zijn kennis - meer dan het spel, maar precies het bewustzijn van grotere samenhangen en tegelijk nieuwsgierigheid naar nieuwe kennis - te delen met de wat stuurloze en rebelse Designori junior. Het gaat er inderdaad niet om dat leerlingen stampen, blokken, maar doorheen hun vormingsjaren zelf de honger en nieuwsgierigheid zelf gaan oppakken en er zelf mee aan de slag gaan. Het is een waarde, vrees ik, die voor de publieke van weinig belang mag heten.
5. Adel van de geest

Waar we dus op zouden kunnen inzetten, zonder in het steriele verhaal van het Kralenspel te vervallen - iets wat het oogmerk was van Hermann Hesse, die absoluut die provincie Kastalië niet verdedigde - blijkt erin te bestaan dat we zoiets als erkennen als "adel van de geest", die te verwerven valt in de school als leven, maar ook in de studie als zodanig. Wie gruwt van de gedachte dat er een "adel van de geest" zou bestaan, in mijn jonge jaren mocht ik enkele mensen ontmoeten die zelf niet heel erg geschoold waren, op hun manier blijk geven van een geestelijke adel, zonder zich op schöngeisterij of zelfs als een gevoelige ziel te laten kennen. Paul Verhaeghe heeft meer dan een punt als hij de meritocratische cultuur in onze samenleving vooral als een beperking ervaart, omdat de verdienste vaak niet solide blijkt en gezocht moet worden in een bepaalde vorm van wetenschap bedrijven. In de sport ziet men ook vormen van verdienste, die niet altijd de naam waard zijn. Het gaat dan niet enkel om fraude, om doping, maar ook om algemeen aanvaard inzicht dat sporters alleen met zichzelf bezig mogen zijn. Ook in de kunsten...

Het punt is dan - uiteraard - dat niemand bij machte is een definitie van "aristocratie" te geven, aristocratie als adel van de geest, als een vorm van levensvervulling die zich niet inlaat met een verblijf in de wolken, in een fraai ingericht appartement, maar in het leven inter homines maar ook niet opgeslokt door de wereld en de mensen: Hanna Arendt meets Desiderius Erasmus. Derhalve denk ik dan, zijn er ook geen vastgelegde criteria: men ziet het als een men zo een vrouw of man ontmoet die zich tot opdracht heeft gesteld een goed mens te worden, hoge toppen weet te scheren en toch op een gezonde manier bescheiden blijft. Niet bescheidenheid als onderwerping of nederigheid tegenover mensen, maar wel begrijpen dat men hoogstens kan bijdragen aan een beter leven door niet te menen dat men alle kennis in pacht heeft.

We leven in een woelige tijd, woeliger dan bijvoorbeeld de jaren zeventig of tachtig waren, toen ook veel gebeurde, maar ver van ons bed. Tegelijk ziet men dat de laatste eeuw de cultuurpessimisten het schone weer maakten, zij die vonden dat de wereld erop achteruit zou zijn gegaan. Ik denk dat sinds de uitbreiding van het onderwijs en zelfs de verplichting van minimaal basisonderwijs te volgen, onze samenlevingen erop vooruit zijn gegaan. Maar onderwijshervormingen bedreigen dat in de mate dat jongeren de indruk krijgen dat succes afhangt van hun vermogen het spel hard te spelen.

Tegelijk merkt men dat de media en zelfs wetenschappelijke pagina's of uitzendingen van openbare omroepen eerder kiezen voor vulgaire opvattingen of voor een eenzijdige kijk op wat wetenschappen zouden zijn. Heb ik met anderen, onder andere Susan Neiman niet zoveel op met evolutionaire psychologie of dito biologie, dan komt dat voort uit de vaststelling dat mensen doorheen de tijden inderdaad vaak andere keuzes maakten dan wat men dan op egocentrische drijfveren zou doen. Altruïsme bestaat niet? Al veertig jaar geleden werd dat al meegedeeld en wij hadden maar te kiezen.

Wil men aanvaarden mensen altijd een zekere onvoorspelbaarheid in hun gedrag aan de dag zullen leggen, op vele vlakken, maar lang niet altijd alleen uit zelfzucht, dan zal men ook begrijpen dat jonge en ouder wordende mensen best ook wel eens nobele keuzes kunnen maken, of gewoon - zonder hypocrisie - galant en welwillend kunnen blijken. Alle doemdenken ten spijt, blijven we zien dat het jonge volkje - vaak zonder zich te verliezen in modieuze filantropische activiteiten - wel degelijk in het dagelijkse leven heel voorkomend blijkt en mensen met respect behandelen wil. Democratie hoeft toch niet per se te leiden tot vulgariteit, tot blinde zelfzucht. Laten we duidelijk zijn, wat ik vernam van mensen die in het communistische systeem zijn opgegroeid en wat men ook hoort over China, het communisme brengt ook niet per se nobele zielen voort, wel integendeel, men diende vooral voor zichzelf te zorgen. Alleen, de cultuurpsychologische invloed op personen van het communisme in de voormalige DDR zal men niet onderzoeken, terwijl bijvoorbeeld Eugen Ruge daar in de roman "Bij afnemend licht" wel aangrijpend verslag van heeft gebracht.  

Pleidooi voor humaniora

Wat ik met deze gedachten probeer duidelijk te maken is dat we de afgelopen jaren in de politiek en de media een beeld hebben opgedrongen gekregen dat alles behalve optimistisch stemt. Tinneke Beeckman vond al terecht gronden en argumenten om de gedachte dat terroristen uit Molenbeek en omgeving daartoe kwamen om sociaal-economische redenen niet voetstoots aan te nemen. Er zijn ampel instellingen die zich bezig houden met het bestrijden van de armoede, er zijn er weinig die publiek als opdracht hebben mensen bij te staan om beter mens te worden.

De gedachte dat mensen geboren worden omdat ze nu eenmaal verwekt werden zonder dat er hinderpalen werden opgeworpen, anticonceptieve praktijken dus of abortus, betekent nog niet dat een kind zomaar wild en voor galg en rad zou opgroeien. Kinderen krijgen een zending mee, zou men denken, die verder reikt dan het overleven en zich voort te planten. In het spoor van een zekere neiging vanuit een wetenschappelijke acceptatie, werd dit als een onzinnige gedachte weg gezet. Het kan inderdaad alleen als een act van geloof in het kind gezien worden, dat men het een missie mee wenst te geven. Alleen al de gedachte doet sommige mensen in een bulderlach uitbarsten. Ainsi soit-il. Het zou al helpen als we ouders die deze gedachte schragen niet onmiddellijk als onwetend afwijzen, als we de bekommernissen van Theodore Dalrymple zouden erkennen zonder zijn cultuurpessimisme over te nemen. Spraakbepalende opinieboeren merken niet, stel ik telkens veer vast, dat mensen hun loze praatjes beu zijn. De keuze voor het vrij onderwijs in Vlaanderen blijkt daar de meeste uitdrukking van te zijn, maar ook in de aandacht voor naschoolse vorming via het DKO of particulier kunstonderwijs getuigt er ook van. Edoch, ook hier geeft de democratisering tot vormen van nivellering aanleiding die zowel het onderwijzend personeel, de musici die er graag les geven en mensen die graag zien dat hun kinderen leren omgaan met muziek en schoonheid moedeloos hebben gemaakt. Oh ja, men betreurt dat mensen uit achtergestelde milieus er niet toe komen. Bestaan er wel correcte analyses van de inschrijvingen in het DKO? Ook moet gezegd dat intens sport beoefenen, vooral in disciplines die niet direct tot het grote geld leiden zeer vormend blijken voor jongeren. Het debat over excellentie moet niet gevoerd worden, wel hoe we mensen opnieuw de humaniora zullen aanbieden. Weigeren mag inderdaad. En ja, dan hoeft superdiversiteit geen probleem te wezen, domweg omdat we begrijpen dat we van andere mensen niet zomaar de maat hoeven te nemen: wie zijn de winnaars van de dag, de Week? De vraag luidt eerder: wie maakt iets, soms ondanks ongemakken iets van het eigen leven en laat anderen ook het beste van zichzelf geven?


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten