Voor een open samenleving betogen

Dezer Dagen



Betogen voor de open samenleving
Meer dan een slogan


Jacques van Doorn als criticus
van zijn eigen ideologie, ten gronde,
dat verdient, 
Toen Paars op het toppunt van haar glorie was, begon men in navolging van Verhofstadt het discours van de "vijanden van de open samenleving" op scherp te zetten, waarbij men vooral conservatieve, Vlaamse identitairisten  visereerde. Maar de andere werkelijkheid drong zich op na de moord op Van Gogh; na de aanslagen op de Twin Towers, Atocha en Londen, ontstond een nieuw klimaat, waar men de activiteiten van moslimterroristen niet meer kon ontkennen. Maar over beweegredenen en bereidheid tot zelfopoffering bleef men stil.

Laat ons wel wezen, zoals de late negentiende eeuw met het vuur van anarchisten en nihilisten had om te gaan, zo staan wij voor de vraag hoe we het gedoe van die jihadi's dienen aan te pakken, lieden die totaal andere oogmerken lijken na te streven, afgezien van het feit dat onze post-industriële samenleving hen een gruwel zou wezen waar zo gauw mogelijk komaf mee dient gemaakt te worden. Daarom mijn pleidooi voor een betoging ten faveure van de open samenleving.

Neen, ik zal het niet in de eerste instantie hebben over de vijanden van de open samenleving hebben, al kan ik er ook moeilijk aan voorbij, dat sommige groepen echt wel snakken naar andere lucht, al kost die ons de vrijheid en kansen op welbevinden voor velen. Overigens denk ik niet dat men in gemoede zomaar kan spreken over vijanden van de open samenleving als men er zich geen rekenschap van geven kan wat dat dan zou betekenen, wat wij eraan hebben zouden, maar ook wat er in zo een open samenleving van ons verwacht zou kunnen worden.

1. Tony Judt en diens kritiek ten aanzien van Popper

De Chicago school of economics promootte in de jaren 1980 parallel aan de Reaganomics een discours waarbij de staat de oorzaak van alles was wat fout zou lopen. Maar wat dan fout liep, wat vandaag fout loopt, kan men niet zomaar uit de losse mouw schudden. Want het gaat om zoveel meer dan overheidsbeslag alleen, maar ook om het scheppen van mogelijkheden om de "ware vrijheid" te bereiken, zoals Johan De Witt die propageerde in de Nederlanden, zoals men in België in de achttiende en vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw zag, waarbij tegelijk verschillende mechanismen op gang kwamen, die gezamenlijk tot een grote welvaart hebben geleid en ondanks de oorlogen in delen van Europa tot samenlevingsvormen hebben geleid waarbij individuele ontwikkeling en sociale mobiliteit mogelijk bleken. Het kapitalistische marktsysteem en een liberale ethiek kwamen daarbij tot ontwikkeling.

Terecht wijst Tony Judt erop dat in het denken van Popper een redeneerfout zit, die zelf weer te maken heeft met de eigen observaties van Popper. Popper noemde de opgang van het socialisme in Oostenrijk, vooral na 1919 de oorzaak van de machtsgreep van het nationaal-socialisme en Judt brengt ons bij enkele realisaties van stedenbouw, waarbij hygiëne en voedselzekerheid ook hun plaats hadden. Popper echter vond dat alles alleen maar een cultuur waarin de misselijkmakende ziektekiemen van het nazisme welig konden bloeien en groeien. Judt meent dat Popper hiermee zelf zijn eigen concept van de open samenleving onder curatele plaatste. Zonder omwegen moet ik hier dan stellen dat mijn intellectuele parcours grondig verschilt van wat Judt heeft ondernomen, onder meer een onvoorwaardelijke keuze in diens jeugd voor links, voor socialisme ook. Dus, zal u concluderen dat Judt   het niet eens kon zijn met Popper, maar dat is wat te simpel, want Judt schreef kort na het werk "Denken over de Twintigste eeuw" een boek waarin hij het falen van Links in Europa "Ill fares the land" aan de orde stelde. Blijkbaar heeft men bij de SP-a of de Nederlandse SP dat boek nog niet begrepen, want dan zou men begrijpen dat de vermoeidheid, de geestelijke uitputting van het socialisme erin bestaat dat men niet meer de eigen uitgangspunten kon of wil linken aan de observeerbare maatschappelijke werkelijkheid.

Tony Judt staat dus voor een andere soort "Open Samenleving", waarbij hij de ideologische verkramptheid in hoofde van spraakmakende lieden, over onderwijs en media, over productie en de rol van de overheid van links en rechts hartsgrondig afwijst.

2. Het falen van ideologieën: Jacques A.A. van Doorn en Francis Fukuyama

Ideologische systemen hebben hun verdienste, omdat we er altijd weer wel een raamwerk in vinden om er onze eigen positie tegenover te bepalen, maar ze kunnen ook onze openheid en alertheid, tegenwoordigheid van geest in het gedrang brengen. De scherpe ideologiekritieken van Peter Sloterdijk hebben mij er alert voor gemaakt dat het systematische denken, waarbij we haast vanzelf denken aan het marxisme, zichzelf tegelijk onderuit haalt, in de mate dat de vrijheid die ze claimt vervolgens ook weer in het strakke kader van de nieuwe maatschappelijke ordening opgeeft, omdat iedereen zich binnen het systeem moet inschakelen, integreren, in naam van de gelijkheid.

Jacques van Doorn beschreef in het weinig ter sprake gebrachte essay "Duits socialisme: het falen van de Sociaal-democratie en de triomf van het Nationaal-socialisme" hoe het socialisme van Kautsky en omstanders nooit de link tussen natie en beweging, partij kon leggen en zeker na WO I zou dat voor gevolg hebben dat de arbeiders zich van de partij van Vaderlandsloze Gezellen zouden afkeren. Er zijn weinig sociologen die zo scherp de eigen beleden inzichten hebben onderzocht en - na jaren reflectie - van kritiek hebben voorzien. Maar dan was Jacques van Doorn als politiek ideoloog binnen de PVDA en in de academische wereld niet meer de autoriteit die hij was geweest. Het feit dat hij zijn essay alsnog liet publiceren, valt te vergelijken met de kritiek van Tony Judt in diens essay over het ziek geworden land. In beide gevallen blijken de ideologische veren afgelegd, maar zij zochten dan ook naar een nieuw discours. Sinds 1989 hebben de sociaal-democraten zelden de kracht gevonden het eigen bestel onder ogen te nemen en de sociaal-democratische tuin opnieuw aan te leggen, op grond van nieuw verworven inzichten.

Francis Fukuyama is vooral bekend omwille van zijn roemruchte essay "The end of history and the last man", maar ook daarvan blijven de analyses en kritiek steken bij de weerzin voor de aannames van de auteur. Fukuyama heeft later onder meer geschreven over het opbouwen van de staat en over de vraag waarom de neoconservatieven verkeerde wegen zijn opgegaan en zo de finaliteit van hun ideologie - die wortels heeft in een kring marxistisch georiënteerd denkers die uit Duitsland en Europa zijn gevlucht voor de nazi's en aan Amerikaanse universiteiten gingen werken. Nu, Strauss blijkt als tijdgenoot van Arendt, Carl Schmitt e.a. een belangwekkend oeuvre bij elkaar te hebben geschreven. Fukuyama zal hem wel met andere "studenten" hebben gevolgd, maar, schrijft in 2006, de neoconservatieven gingen foute paden op toen ze meenden de Amerikaanse visie in een unipolaire wereld overal konden opleggen. De oorlog in Irak  betekende het failliet van deze visie. Maar het neoconservativisme gaf tegelijk af op de staat als oplossing voor problemen, eerder vormde de staat het probleem en dus kan men het recept vooral bedenkelijk noemen: macht is een factor in menselijke relaties en binnen een samenleving. De rol van de staat in de samenleving gaat verder dan het uitoefenen van het opperste gezag, al mag men dat ook niet negeren.

3. Het politieke en de politieke praktijk: Hannah Arendt en Carl Schmitt

Al tijden vraag ik me af waarom politieke actie van burgers altijd met een grote argwaan wordt beschouwd door andere burgers, die politiek liefst zien als de zaak van een daartoe voorbestemde kaste. Deze komt niet meer tot stand door middel van affiliaties - al zou men, afgaande op de Vlaamse politiek soms wel eens tot andere besluiten moeten komen - maar via recrutering in georganiseerde partijen waar in principe een bepaalde ideologische stroming omgezet wordt in visie voor de overzienbare toekomst. De mensen die dit doen hebben doorgaans gelijkaardige opleidingen gekregen en spreken eenzelfde taal, gaan om met gelijkaardige heuristische methodes en komen dus tot gelijkaardige conclusies. Het liberalisme, Vlaams-Nationalisme, de christendemocratie en socialisme putten uit het personeel en alumni van dezelfde faculteiten en kunnen dus zonder problemen met elkaar van gedachten wisselen.

In die zin is de toegang tot politieke ambten in hoge mate opnieuw goed afgeschermd tegen nieuwkomers. Het tekent wel de politieke praktijk waarbij formele meningsverschillen een fundamentele consensus niet uitsluiten. Het betekent ook dat de discussie over de rol van de staat en over de praktijk van besluitvorming lang niet altijd en niet zo vaak als nodig ter discussie staan. N-VA beloofde de verandering en in een aantal opzichten lukt dat wel, maar het zal niet iedereen behagen als ik vaststel dat de fundamentele discussie, over het haperende gerecht - al moet hier wel vooral het probleem van de vervolging van misdaden van gemeenrecht en vervolgens een even urgent maar minder gearticuleerd probleem van ongelijke toegang tot het gerecht van grote spelers en "kleine garnalen" in burgerlijke betwistingen bekeken worden - niet leidt tot wezenlijke verbeteringen. Maar wat zou dan een verbetering zijn?

Strafrecht heeft te maken met daden die de rechten van burgers/fysieke personen aantasten maar ook gaat het uiteraard over fysieke en morele integriteit. In het strafrecht slagen advocaten er niet zelden dat de daders van ernstige vergrijpen uit de gevangenis te houden, zonder dat de slachtoffers er beter van worden. Maar grote betwistingen rond kapitaal en kapitaalgoederen, waarbij sterke partijen zowat hun zin lijken te doen, omdat ze zich niet meer gebonden weten aan de samenleving waar ze actief zijn, alleen aan hun aandeelhouderschap, draagt ertoe bij dat gelijke toegang tot het recht niet altijd meer mogelijk blijkt in praktijk.

De open samenleving waar o.a. Tony Judt, Hannah Arendt en in wezen ook Carl Schmitt het hadden - deze laatste overdacht net de werking van de macht en machtsverwerving en de gevolgen daarvan voor de rechtsstaat - kan de suprematie van geglobaliseerde bedrijven niet goed verdragen, zeker als die menen de rechtsregels te mogen overtreden omdat een boete niet zwaar weegt op de bedrijfsresultaten. Het is evenwel onmogelijk de ideeën van Arendt of Judt zomaar over te nemen: hun overwegingen en waarnemingen boeien wel, maar wij hebben na te denken voor de wereld vandaag. Daarbij zal men ook niet vergeten dat we dan nog moeten overwegen hoe dat voor de toekomst zal uitpakken en dus ook een zekere duurzaamheid voor ogen houden - Sloterdijk merkt op dat die voorzienbare toekomst steeds beperkter wordt.

In een open samenleving zal de overheid, mensen van vlees en bloed, bekleedt met een verkozen ambt of aangesteld om namens de staat aan wet- en regelgeving handen en voeten te geven, geen eenduidige rol hebben, maar zal het bevoegdheidsdebat altijd opnieuw gevoerd moeten worden. De politieke praktijk die voortvloeit uit de primauté van de politiek doet in wezen aan het politieke tekort, wanneer men meent dat politici - en de leidende ambtenaren - hun visie mogen ontwikkelen in de overtuiging dat de mensen het toch niet snappen of niet begrijpen. Een open samenleving accepteert a priori dat mensen wel degelijk wel hun eigen belang kennen, maar doorgaans ook begrijpen dat er gedeelde belangen bestaan.

4. Thomas Piketty, Tomas Sedlacek en de open samenleving

Het probleem dat Piketty aan de kaak stelde was de criante ongelijkheid in de samenleving in economische middelen die individuen ter beschikking hebben en de daaruit voortvloeiende gevolgen inzake cultuur of kansen. Tot op zekere hoogte kan men de opbouw van kapitalen in de samenleving door individuele personen betreuren, maar tegelijk blijft het bizar. In de zestiende eeuw kreeg de familie Turn und Taxis een uitverkoren monopolie, waaruit ze een eeuwenlange rente konden puren en veel macht en prestige. Maar de dienst die de familie leverde, het verzorgen van de post binnen het toenmalige Habsburgse gebied, inclusief dus ook delen van Polen en Tsjechië maar ook de Zuidelijke Nederlanden. Macht, prestige, adeltitels en economische zekerheid vormden de basis voor de positie van deze familie.

Andrew Carnegy, die berooid in de VS aankwam als 15 jarige, slaagde er in een gigantisch fortuin te verwerven door zijn geintegreerde trust op te bouwen en zo de industriële revolutie een nieuwe dimensie mee te geven. Maar deze Andrew Carnegie werd er zich van bewust dat hij zijn zonen en opvolgers niet met een gigantisch fortuin kon opzadelen, want dat zou hen hebben verstikt en hij stak dus gigantische bedragen in filantropische projecten, zoals de vredesbeweging of wetenschappelijk onderzoek rond WO I - in België geleid door Henri Pirenne. Hij deed dit uit vrije wil en ervan overtuigd dat men ongebreideld kapitaal mag accumuleren, maar het dan niet zomaar alleen aan de eigen familie mag nalaten maar ook voor doelen van algemeen nut moet ter beschikking stellen.

Terwijl iedereen Thomas Piketty achterna liep, kon men bij Thomas Sedlacek een andere benadering lezen, waarbij niet de toenemende fortuinen van enkelen ter sprake komen, maar het functioneren van een economisch bestel dat mensen niet in de knel neemt, niet fnuikt omdat ze armer zouden geweest zijn bij aanvang. De liberaal Sedlacek erkent de rol van de overheid in het maatschappelijke gebeuren en onderkent dat het economische niet de gehele samenleving zou sturen. De blinde hand? Het is een handig alibi om de machteloosheid van politici als een verheimelijkt taboe te laten voortleven. Politici hebben in de samenleving een grote verantwoordelijkheid, maar net niet, zegt Sedlacek, om mensen in hun ondernemingsdrang te stimuleren of te fnuiken.

Piketty kan niet anders dan erkennen dat de schuldeconomie die we kennen zowel voor staten als ondernemers vaak een handig middel blijkt om hun eigen activiteiten zo te financieren dat de lusten beperkt zijn maar de risico's breed uitgesmeerd. Sedlacak meent dan weer dat de overheid wel degelijk met financiële beperkingen moet leven, maar ook dat die beperkingen verantwoord moeten worden, want politici handelen niet voorbij goed en kwaad.

5. John Wiliams, Augustus en de zelfbeperking

De open samenleving heeft als krachtige motor het vermogen van mensen hun geluk zelf, naar eigen inzichten maar binnen het kader van de wet vorm te geven. Men moet daarom niet per se jurist aan Harvard te worden, maar naarmate de mogelijkheden van artificiële intelligentie toenemen, zullen bepaalde jobs wellicht anders vervuld worden, door machines. Daardoor wordt een grondslag voor fundamentele kansen wel onder de voeten van laag- of niet geschoolden weg geslagen, maar tegelijk zou men door een nieuwe balans te vinden tussen kwaliteit en kwantiteit wel mensen met goede handen aan het lijf aan de slag kunnen krijgen. De liberalisering van de markten in Europa heeft men volkomen ten onrechte gezien als een hefboom om productvereisten op te leggen die vooral de grote producenten als Unilever en co ten goede kwamen en ten koste gingen van de ambachtelijke productiemethodes, in naam van de voedselveiligheid en de vooruitgang.

Augustus komt in de roman van John Wiliams tot het inzicht dat hij aan "de mensen" niet moet uitleggen hoe zij moeten leven. Mensen hebben doorgaans een eigen wijsheid, al is die misschien niet per se zo gesofistikeerd als die van experten. Wetenschappelijke inzichten wijst men daarom niet af, wel de gedachte dat men zomaar mensen tot een bepaalde levenswijze mag dwingen, omdat we nu eenmaal oud moeten worden. Zou men zo niet de neiging tot zelfbeschikking herleiden tot het recht op euthanasie en zelfdoding? Wiliams laat zien dat mensen de vele afwegingen die te maken vallen ernstig moet nemen, want een open, dynamische samenleving impliceert nu eenmaal dat mensen vanuit hun unieke situatie en uniciteit anders in het leven staan. Natuurlijk, de grenzen zijn altijd degene die we als het strafrecht erkennen. Maar mensen dwingen gezond te leven zou voor een aantal bedrijven wel eens zeer schadelijk kunnen uitpakken, niet alleen voor tabaksbedrijven en producenten van brandewijnen.

John Williams wilde zo het individu beschermen tegen de toenemende macht en het vermogen van de moderne staat om personen in hun greep te krijgen en te onderwerpen aan steeds meer stringente regels. Of zoals Paul Frissen het stelt, het gaat om de erkenning dat men niet alle wederwaardigheden onder controle kan houden, maar ook dat mensen niet a priori de minst goede kiezen. Ook moet men hieraan toevoegen dat mensen niet enkel geen homines economici zijn, maar ook dat we in staat persoonlijke belangen op te geven - niet volkomen - om het voor derden op te nemen, de eigen familie, maar ook anonieme medemensen.

Envooi

Als ik dus niet veel op heb met een betoging tegen de angst, dan wens ik graag een betoog op te zetten voor de open samenleving. Niet helemaal in de zin zoals Karl Popper die voor ogen had staan, maar eerder zoals John Williams die schetste en ook Hannah Arendt voor ogen had staan. Men kan proberen dat in slogans te vertalen, maar dan loopt men het risico de kluit alweer te belazeren. Een open samenleving heeft een open einde en geen specifiek doel. Elk beleid dat gericht is op een specifiek doel, zal dat open einde in het gedrang brengen. Vrijheden van het individu laten toe dat mensen daartoe hun bijdrage leveren en dat men niet de andere met fysiek of moreel geweld probeert onder controle te krijgen. Terrorisme impliceert dus dat men zich buiten de wet stelt, maar als het zo is dat de overheid ervoor moet zorgen dat via politiediensten en justitie terreur uitgebannen wordt, dan is het aan burgers om de overheid zelf onder controle te houden. Het marxistische adagio: hou u bezig met de politiek of de politiek vermorzelt u, heeft dus wel betekenis. Alleen, het wedervaren van Venezuela en de machtsdromen van Podemosc.q. Pablo Iglesias in Spanje, maar ook van Recht en Rechtvaardigheid in Polen, laten zien dat burgers best mee waken over het onvindbare midden.

 Deze term van Aristoteles verwijst naar een deugdenleer en de gedachte dat mensen er een gepaste trots uit kunnen putten het goede leven vorm te geven, maar voor zover ik het begrepen heb, zijn er maar weinig mensen die ten allen tijde het juiste midden vinden, integendeel, dat midden blijkt net vaak onvindbaar. Maar het streven op zich en de reflectie, het denken (en willen) in de zin die Arendt eraan gaf, laat ons toe enige verdienste te vinden in dat streven. De open samenleving zou men dus kunnen zien als de maatschappelijke vorm van die deugdenleer. Of, zoals Thomas Sedlacek het stelde, ons economisch handelen, ipso facto het politieke handelen is nooit neutraal in termen van goed en kwaad. Het vergt evenwel grondige afwegingen en doordacht handelen, wil men aan kwaadwillige inzichten geen handen en voeten geven, maar ook wie goed wil, kan derden of de samenleving schaden. Toch ben ik niet de mening toegedaan dat mensen a priori tot het kwade geneigd zijn. Een ingreep als abortus kan in een aantal gevallen, niet alleen verkrachting, een aangewezen oplossing wezen, als men vervolgens het meisje of de vrouw in kwestie blijft ondersteunen. Mensen kunnen kwalijke daden verrichten maar uiteindelijk toch terug tot het betere leven komen, maar er zijn grenzen, zoals terrorisme. En toch, hoe mensen daarvan af te brengen vallen, als er ze ervoor gekozen hebben, vergt precies inzicht in een democratisch-aristocratische deugdenleer.

Bart Haers.



dit stuk zal een vervolg krijgen... 

Reacties

Populaire berichten