Hamlet en Entropie: meer dan STEM



Dezer Dagen


STEM en humaniora
Angst achterop te geraken inzake...



In 2009 verscheen dit boekje
en ik schreef er toen al over:
Hamlet en de methode van
Plaatsbepaling. In het actuele
debat hebben die overwegingen
van de wiskundige en filosoof
Jean Paul Van Bendegem hun
plaats 
Een van de domeinen waar populisme onverwacht hoogtij viert, blijft het onderwijs, de hervormingen en dan vooral aandacht voor wetenschappen, techniek en wiskunde. Intussen leest men al eens berichten dat leerlingen schoolmoe worden omdat ze teveel hogere wiskunde ingelepeld krijgen. Een kandidate voor de wiskunde-olympiade krijgt in de media dan ook weer enige aandacht, maar andere vormen van kennis en vaardigheid, met talen blijven schromelijk onderbelicht. Oh ja, een partijvoorzitter wil dat leerlingen geschiedenis of biologie in een andere taal geadstrueerd krijgen. Vreemde toestanden en inderdaad, vormen van populisme.

Er zijn genoeg historici, denkt een mens die zouden moeten of kunnen weten hoe in de afgelopen vijf à zeshonderd jaar techniek, onderwijs en wiskunde vaak niet in een zin gebruikt werden. De vrije kunsten, artes liberales, hadden te maken met het studeren om het studeren, om een wereld te leren begrijpen vanuit een wel zeer theoretisch kader. Intussen evolueerde de wiskunde, door toedoen van mensen als Descartes, Leibniz, Newton en Blaise Pascal en vele andere zodat de wiskunde een eigen en nieuw gezicht kreeg. Ook mevrouw Emilie de Chatelêt had zo haar inbreng. Kennis ontwikkelen verliep niet altijd via de universiteit en tot en met Darwin zag men vrije geesten hun eigen ongebonden wegen gaan, buiten de academische cultuur. Dezer dagen kan het voorvallen, denk ik, dat de geschiedenis van de wetenschappen en van de ontwikkeling van inzichten niemand nog lijkt te beroeren. De kat van Schrödinger? Dat is toch altijd al zo geweest, maar dat valt nog te bezien; ligt de nadruk op het ontdekken van een natuurkundige omstandigheid of op het feit dat een bepaalde evolutie ertoe leidde dat iemand de zaak inderdaad kan beschrijven. Simon Stevin is een voorbeeld van praktische wetenschappelijke en technologische inzichten, rekenkunde ook, zoals zijn boekje met renteberekeningen om mensen tegen woeker te beschermen.

Stevin bedacht ook de clootkrans om te bewijzen dat het perpetuum mobile niet kan bestaan, een gedachtenexperiment, waar men niet altijd veel aandacht aan besteed heeft, wat doorgaans, ondanks de aandacht voor STEM, altijd weer opvalt, dat men noch in de brede media noch in het onderwijs, fundamentele inzichten niet altijd met de nodige zorg aandraagt. Het valt op dat men ook de andere redenen waarom een perpetuum mobile niet kan bestaan, zelden uitgelegd krijgt. De wet van behoud van energie, de eerste hoofdwet helpt ook al dit begrijpelijk te maken en ook de tweede Hoofdwet, over entropie, draagt doorslaggevende argumenten aan. Jean Paul van Bendegem schreef dan ook niet voor niets een essay onder de titel Hamlet en Entropie. Toch blijkt dat voor de openbare omroep geen aanleiding te zijn geweest om rond dat thema iets te brengen. Ook de printmedia hebben aan dat boekje niet al te veel aandacht besteed.

Wat krijgen we au fond aan literatuur gepresenteerd? De klassieken? Ga weg, dat is verstofte onzin. Zou het? Men kan om het even welk boek, om het even welke roman herleiden tot iets dat geen belang heeft. Mijn verzuchting is onder meer dat men in een roman figuren wil zien die niet  alleen blijk geven van ongeluk, van tristesse en misère, maar zoals Stefan Brijs deed in de Engelenmaker, Annelies Verbeke in Vissen Redden en Dertig dagen, dat figuren, zowel de protagonisten als de andere figuren samen een werkelijkheid weergeven die des mensen is, maar die ook het contingente recht doen. Maar het mag niet melig worden of overbelichting van moed en andere deugden.

Valt het moeilijk aan te geven wat men verwacht van literatuur, dan is het nog moeilijker de vooruitgang van de wetenschappen in kaart te brengen, aan te geven waar we staan, wat mogelijk is en wat dan goed zou zijn voor u, voor mij, voor ons allen. Vooruitgang bereiken is een goed ding, maar hoe bepaalt men dat. Is een elektrische auto die ons rijdt een goede zaak? Het niets doen promoten als vooruitgang, zoals ook Alicja Gescinska schreef, de luiheid promoten kan men doen door alles wat arbeid, menselijke activiteit uitsluit, als vooruitgang voor te stellen, maar het maakt uit dat we de ondruk krijgen dat we hier niet teveel te doen hebben.

Betekenis geven aan koken, kookkunst en lekker eten bereiden, het zal wel, maar het gaat om meer dan het bereiden van onze dagelijkse behoefte op een aangename manier. Het gaat om zoveel meer, zoals alle activiteit, het werken in de tuin, eventueel het gidsen in de stad heeft niet een economisch nut, maar kan wel het leven aangenamer maken. Nu, als je met een tablet of smartphone door de stad loopt, dan wordt je ook gegidst, maar je kan geen vragen stellen, vooral niet als die buiten het kader van de tour vallen.

Het kan bizar lijken, maar ik denk wel eens dat we vergeten dat denken over de dingen van belang is, niet omdat het nuttig is, niet omdat het iets zal opbrengen, maar zoals arbeid, werkzaamheid ook van belang is, voor een persoon. In het economische debat over jobs ontbreekt het aan perspectief, omdat men de economische waarde van arbeid zo hoog inschat, terwijl, als men de afgelopen eeuwen bekijkt, vaak mensen erbovenuit bleken te komen, die net dingen deden die economisch maar een beperkte meerwaarde leken te hebben. De economische waarde van de molens van Simon Stevin of van de "de Humani Fabrica corporis libri septem" kan men niet afrekenen aan de prijs die de werken nu opgeplakt krijgen, maar zijn bijzonder omwille van het meticuleuze werk dat erin gekropen is.

In het werken aan de vooruitgang zit een agenda die we misschien met meer aandacht moeten onderzoeken, namelijk of het uitstoten van (ongeschoolde) arbeid niet ook donkere zijden te zien geeft, mensen het vermogen ontzeggen zou zich uit te drukken, zich aan iets te wijden. De vooruitgang zou, aldus reeds Kant ook ons welbevinden moeten optimaliseren en door de factor arbeid te zien of in termen van uitbuiting - de tegenstanders van het kapitalisme - of van overdreven aandacht  voor het systeem, zoals de aanhangers van het neoliberalisme betogen, sluit niet enkel de individuele factor als betekenisvol uit, maar ook en nog meer geeft het te denken over de mogelijkheid dat arbeid een zinvolle activiteit kan zijn. Merken we toch even op dat lijden an sich geen zin heeft, maar lijden in een levensverhaal en in functie van een hoger doel, wel zinvol kan zijn. Maar zelfs een hoger doel zegt niet alles, het kan gewoon om de levensvreugde gaan, waarbij het lijden er ook is, hoe onaangenaam ook.

Figuren zoals Darwin en anderen die er niet van hoefden te leven, hebben me van deze gedachte diep doordrongen, terwijl het ook wel zo was dat men vormen van uitbuiting wel niet voor lief moet nemen, maar tijdens mijn vakantiejobs merkte ik dat werknemers niet enkel hun arbeid en eventueel inzet verhuren, maar ook mee willen gaan in het verhaal van het bedrijf een succes te maken. Precies dat schreef ook Jacques A.A. Van Doorn, die het falen van de SPD onder meer toeschreef aan het onbegrip ten aanzien van de beroepsfierheid van de werknemers bij Krupp en Thyssen, waar de theoretici van de partij geen oog voor hadden.  Natuurlijk heeft de oorlog en het verlies aan economische slagkracht, veroorzaakt door het Verdrag van Versailles verder bijgedragen aan de woede om het welvaartsverlies, maar het was na 1925 mogelijk en denkbaar dat Duitsland er geleidelijk bovenop zou komen. In 1928 was de NSDAP opnieuw verschrompeld tot een randfenomeen in de Duitse politiek. Het onvermogen om de Great Depression politiek en economisch op te vangen, kan men de regeringen in Berlijn nog niet echt aanwrijven, aldus Van Doorn, wel het feit dat men geen oplossing vond voor de werkeloosheid en de golf van faillissementen in het midden- en kleinbedrijf.

Het nazisme, aldus Van Doorn zou behalve het enthousiasme van kleine groepen op brede steun kunnen rekenen bij de arbeiders op het moment dat die door het gevoerde beleid Duitsland een nieuwe dynamiek vond, door de aanleg van autowegen, de bouw van vliegtuigen en van auto's, van radio's en zoveel meer een economische ommekeer bewerkt werd. Zoals dat oudere echtpaar dat Hans Fallada presenteerde in "Jeder stirbt für sich allein" - Alleen in Berlijn - die eerst redelijk pro nazi waren en toen hun zoon in mei '40 geleidelijk in het verzet gingen, door anonieme briefkaarten in traphallen en openbare gebouwen achter te laten. Iedereen bang voor die kaarten, maar de Gestapo vond de schrijvers niet. Of moeten we denken aan de jonge Hans en Sophie Scholl, de Witte reus. Vele Duitsers gingen mee met de successen van het nazisme, ook bleven velen trouw toen het fout ging, maar een aantal mensen, wellicht minder dan wij in onze zelfoverschatting zouden denken ging er niet meer mee, ging in verzet, soms letterlijk, vaak innerlijk en uit overtuiging, maar machteloos. Het geloof in iets is geen schande, het vergeten zelf na te gaan wat eruit kan voortkomen wel.

André Leysen schreef ooit dat hij meende dat de Nazi's tot 1938 geen kwade job hadden gedaan - behalve ten aanzien van de oppositie en de joodse bevolking in Duitsland en dat was al kwalijk genoeg - maar vele mensen konden opnieuw hoopvol naar de toekomst kijken. Het venster zou zich weer sluiten en twaalf jaar later was de ramp niet meer te overzien. Toch zal men die economische ommekeer niet lichtvaardig opnemen en het volk er niet van verdenken dat ze voor een paar grijpstuivers te verleiden waren.

De bevindingen van Jacques A.A. Van Doorn werden overigens al door de socioloog Hendrik De Man op papier gezet en behelzen het begrip vreugde in en door de arbeid. Het ging niet enkel om het verdienen van een goede boterham met beleg maar ook om het plezier in het werken en het genoegen dat werk goed onder de knie te hebben. Kijken we vandaag naar het onderwijs, de universiteiten en hogescholen, dan merkt men dat dit bijbrengen van het genoegen te studeren en stof in de vingers te krijgen voor de studenten ondergeschikt is aan het diploma. Eens aan het werk ontdekt men dat het vooral in het werken zelf kan zijn dat men genoegen kan vinden.

In die zin is het essay van Jean Paul Van Bendegem, Hamlet en Entropie ook wel van belang voor de discussie, want men kan natuurlijk niet geloofwaardig stellen dat iedereen thuis moet zijn in de wetenschappen en de literatuur, als men voor het een dan wel het ander een openlijke aversie aan de dag legt. De discussie over STEM stemt me daarom ongerust, want STEM betreft het aanbieden van een parcours, een curriculum, waarin de humane wetenschappen, de literatuur, de levensbeschouwing ondergeschoven kindjes zijn. Filosofie en niet nuttige kennis heeft ook haar betekenis, zoals het ook van belang is dat er kanalen zijn om zich intens met muziek of theater in te laten, ook al is het alleen maar als amateur.

Ik kom hierop terug omdat uit parlementaire vragen is gebleken dat Vlaamse volksvertegenwoordigers er blijk van geven op het vlak van scholing geen oog te hebben voor de betekenis van het studeren en dat school lopen meer is dan de broek verslijten en aan het einde een papiertje te krijgen. Het gaat erom basisvaardigheden mee te krijgen en ook goesting om te leven, hoe dat zich verder ook mag ontrollen. Discussie leren voeren, het eigen denken oefenen en begrijpen dat er altijd nog elementen zijn die aan de aandacht ontsnappen. Sapere Aude? Daartoe moet men van vele markten thuis zijn en net het fenomeen van de autodidact laat zien hoe belangrijk die gestructureerde onderwijsvormen wel niet zijn, maar het meenemen van jonge mensen, ook al lijken ze niet altijd enthousiast, kan ertoe bijdragen dat ze in het werken, maar ook in het bezig leven in de vrije tijd, hun welbevinden kunnen vergroten. STEM hoort dus thuis in elk curriculum op aangepaste wijze. Men kan verhaaltjes niet zomaar afwijzen, omdat het maar verhaaltjes zijn, men kan filosofisch denken niemand onthouden maar wel is niet iedereen er altijd voor te vinden en komt dat pas later.

Kortom, het komt er dus niet op aan nu eens aan STEM alle aandacht te besteden en vervolgens te menen dat men ook aan de humaniora aandacht zou kunnen besteden, om te vermijden dat mensen verloren lopen door onbegrip voor het manipulerende spreken. Een algemene vorming, waarbij wetenschap, techniek en wiskunde aandacht voor talen, voor literatuur en denken niet uitsluiten, maar elkaar juist versterken is het minimum wat men van de onderscheiden onderwijsvormen kan verwachten.

Bart Haers


 

Reacties

Populaire berichten