loze beloften versus eerlijke politiek



Dezer Dagen

Een groots land
wil ik u geven
over politici en hun diepste dromen



Achiel Van Acker legde mee de basis voor de
sociale zekerheid en is en blijft daarom een
belangrijk Belgisch politicus. Of en hoe we er nu
verder mee moeten, blijkt al jaren stof voor
discussie te vormen, maar het debat in de
brede media blijft ontstellend rudimentair. 
Onder meer de heer Donald Trump roept het van de daken, dat hij de VS weer tot een grote natie wil omturnen en ook de heren die zich zo voor de Brexit hebben ingezet, hadden over een groots UK dat opnieuw de rol zou spelen van weleer geven blijken van veel ambities. Maar hun discours trekt nergens op en miskent de bescheiden rol van de politiek in de welvaart en vaak, zoals ook Clark schrijft, de grote bijdragen aan rampen als oorlog en mismanagement.

De kwestie is dus merkwaardig genoeg dat we nog altijd met een politiek discours te maken hebben dat doet geloven dat politici het land groot maken of zich daartoe bekwaam achten. Nu schreef ik al vaker de politieke theologie van Carl Schmitt, die meende dat de crux van politieke macht en van soevereiniteit erin bestaat dat wie de boel kan veranderen macht heeft, decisionisme dus. Nu klopt het ook dat wanbeheer van de res publica vaak gelegen is aan de onmogelijkheid tot besluiten vanwege de overheid, wat ook wel te maken heeft met complexe regelgeving.

Een derde kreet die we vaak genoeg horen heeft te maken met de vraag om leiderschap, dus om het vermogen onderscheidend te beslissen, wat men van politici naturaliter mag verwachten. Het probleem blijkt te zijn dat de besluiteloosheid vaak te maken heeft met de wijze waarop politici zich denken te moeten verantwoorden aan burgers, namelijk door per fas et nefas te beweren dat het essentiële gered is en dat er ons geen rampen boven het hoofd hangen. Van vooruitgang op een of andere manier is slechts partieel sprake, terwijl dat ook hoofdzakelijk in behoudende zin gepresenteerd wordt.

Ook opvallend is het dat politici en journalisten graag willen dat hun regio zich bij de 5 of de 3 beste zou posteren en daartoe gaat men dan benchmarken. Bedrijven kunnen zich vergelijken met concullega's, maar overheden kunnen dat bezwaarlijk. Het onderwijsdebat laat zien dat benchmarken vaak neerkomt op een heel beperkte kijk en zonder oog voor context georganiseerd wordt. Dat leerlingen hier het onderwijs verlaten zonder diploma zou een smet op ons onderwijs vormen, maar misschien is het wel eerlijker, want iemand een papiertje geven zonder dat er verdienste tegenover staat, schaadt de leerlingen die wel verdienste hebben.

Maar het punt is natuurlijk dat we van een democratische rechtstaat veel mogen verwachten, maar niet dat ze utopisch zou zijn of volkomen aan onze maatstaven zou beantwoorden. Dat laatste is voor velen een steen des aanstoots, maar eigen van een democratie, als het goed is, blijft dat niemand de eigen absolute wil kan opleggen, al zijn er legio politici, zoals een Tony Blair die graag lieten uitschijnen hoe groot zij wel niet zijn en hoe groot de weldaden wel niet blijken voor de samenleving. John Williams heeft in zijn biografische roman over keizer Augustus laten zien hoe die door scha en schande leerde niet te veel zijn wil op te leggen of de samenleving te willen veranderen, want als het goed is, verandert die natuurlijk altijd, demografisch, economisch, sociaal... Wat wel van node blijkt is de aandacht voor de handhaving van de wet en dus een behoorlijke rechtsbedeling.

Ons betoog wil geen afzijdige staat voor ogen toveren, maar wel dat politici, regeringsleden en parlementsleden wel degelijk plannen kunnen presenteren, best goed onderzoeken waar er problemen zijn, maar ook, zeer zeker, moeten aangeven waar de regering moet remediëren, niet zozeer aan symptomen, wel aan de oorzaken. Maar men moet de symptomen wel zien om problemen te detecteren. In welke mate kan men mensen in armoede bijstaan, om aan hun situatie te ontworstelen? Dat valt niet in het parlement te bedisselen, dat zijn mensen in ocmw's en andere bijstandsinstellingen. Maar soms is er aan die armoede niet veel te veranderen en dan past wellicht eerder mededogen.

We leven in een samenleving die voortdurend onder de microscoop ligt en waar de kleinste afwijkingen - van welke norm? - onmiddellijk voor discussies zorgen die dagenlang duren. Er is een verschil tussen de discussie over de contingentering van artsen in het Franstalig België en Nederlandstalig België of de vraag hoe we meer jongeren voor het vak van ingenieur warm kunnen maken enerzijds en de kwestie of leerlingen al dan niet mogen zittenblijven. Dat laatste heeft te maken met een idealistisch concept van gelijkheid, waarbij iedereen aan het einde van de leerplicht gelijk aankomt en gelijke papieren meekrijgt. Het debat over de contingentering van de artsen heeft te maken met een kwestie van een beleid dat in beide landsdelen gelijk op hoort te gaan en dus geen oneerlijke kansen schept voor deze of gene. Maar het blijft dan zo dat de studenten ook wel moeten slagen.

De samenleving veranderen en verbeteren, het heet een drijfveer voor politici te zijn, waarbij we de heiligste onrechtvaardigheid over de gebrekkige en rommelige samenleving niet over het hoofd mogen zien. Kortom, we leven niet in de beste der mogelijke werelden; volgens sommigen heeft het geen zin daarover te spreken want we zouden noch min noch meer in de diepste krochten van de middeleeuwen verblijven. Overdreven moet dat wel heten, een blijk van gebrek aan historisch inzicht is het ook. Onze samenleving evolueerde sinds WO II ongemeen snel, maar ook diepgaand en de kwaliteit van leven nam navenant toe, waarbij we soms wel voor de vraag komen te staan die madame de Pompadour beantwoordde: Après nous le déluge. Toch zien we dat ook het voorzorgsprincipe voor stagnatie lijkt te zorgen, vooral in de biotechnologie. Voorkomen is beter dan genezing? Soms wel, maar maatschappelijk merkt men vaker dat wat een probleem lijkt een verandering ten goede kan blijken.

De gedachte dat men via regelgeving de samenleving kan veranderen, ook tegen de zin in van burgers blijft in het politieke debat aan de orde, waarbij men vaak genoeg hoort dat die burgers het allemaal niet snappen. Afgaande op het referendum in het UK, maar ook in Nederland zou men die bedenking moeten onderschrijven dat het gepeupel misleid wil worden, waarbij men wist op het gewicht van de manipulatie. Mensen kunnen niet altijd doorzien of respectabele mensen ook eerbare bedoelingen hebben dan wel de kluit wensen te belazeren. Natuurlijk mogen politici burgers proberen te overtuigen, dat vormt de kern van het democratische debat. De vraag is evenwel of men zomaar alle uitspraken voor lief mag en moet nemen. Men merkt de afgelopen tijd dat bepaalde inzichten gemakshalve als rechts worden weggezet, zoals in verband met de opbouw van de sociale zekerheid, het onderwijs, internationale politiek, maar nergens wordt aangegeven waarom dit rechts zou heten en waarom het a priori slecht zou zijn. Dat kan het geval zijn, maar het kan ook zijn dat enkele inzichten van links wel problematisch moeten heten.

Omdat utopisme zowel op links als op rechts bestaat en zich vaak gelijkaardig uitdrukt, moet men wel veronderstellen dat het om meer gaat dan dat de extremen elkaar raken, wel dat Linkse en Rechtse utopisten een voorgekookte ideale samenleving in de aanbieding hebben en dat tegelijk aangenaam moet klinken, zal men hen in sociale zaken verre van neoliberaal kunnen noemen, terwijl neoliberalisme zelf ook weer een utopische benadering moet heten.

Het gaat niet om de inzichten, denk ik, met in gedachten verwijlend bij Helmut Schmidt of Ruud Lubbers, waarbij men wel kritiek kan hebben, maar dat zij zowel besluitvaardig zijn gebleken, zonder daarbij de opponenten te smoren - in de begintijd toch. Want het psychologische profiel van politici aan de top laat vaak zien dat zij inderdaad, gesteund door hun omgeving de gedachte omhelzen dat niemand beter weet dan zij. Leiderschap tonen is nog niet hetzelfde als in de mogelijkheid verkeren de neuzen dezelfde richting uit te laten wezen. Afgaande op de geschiedenis sinds 1948 zien we dat er regelmatig politici zijn gekomen die ondanks alle weerstand en tegenstand die een eigen inzicht over de toekomst koesterden en daar dan maar mee aan de slag gingen. Konrad Adenauer, De Gaulle en wellicht Achiel Van Acker kan men in dit rijtje opnemen. Iemand als Michel Rocard, ook socialist zoals Van Acker heeft in een latere tijd ook die paden willen bewandelen maar botste op een absolute machiavellist, François Mitterand, die anderen het veld instuurde om hem, Rocard politiek te liquideren.

De afgelopen decennia mocht ik met politici als Hugo Schiltz en Chris Vandenbroecke kennis maken en regelmatig met hen van gedachten wisselen over het politieke en hoe politiek te bedrijven. Ook kwam ik Geert Bourgeois tegen en deze politici droegen en dragen een cultuur mee die hen verhindert doldwaze uitspraken te doen en toch als politicus slagvaardig te zijn. De toenmalige vice-premier Hugo Schiltz had zich een indrukwekkende cultuur eigen gemaakt, maar in vele discussies en in zijn stukjes in Vlaanderen Morgen kwam hij regelmatig terug op de basisvraag: wat moet de overheid doen en moeten politici mensen geluk beloven? Vooral die vraag is de afgelopen jaren vaak impliciet met een volmondig ja beantwoord, onder meer inzake het onderwjsbeleid, waar men mensen trauma's wil besparen - negatief - en tevens beweert ook nog eens te laten schitteren - positief - wat men niet kan hard maken, want hoe zouden mensen die nooit weerstand moeten overwinnen succes halen.

Het politieke bedrijf moet mensen geen geluk beloven, noch door alle mogelijk hinderpalen voor wet en orde weg te nemen - maar intussen niet aan de wapenwet willen tornen - noch door de staat de zorg voor het nationaal geluksproduct te laten opnemen. Geluk is nu eenmaal persoonlijk, soms banaal en dan weer overweldigend. Er is ook nog een verschil tussen geluk ervaren en begrijpen, accepteren dat men het wel getroffen heeft en zich daar verheugd over tonen. Men schrijft wel eens dat we ons van ons geluk niet bewust zijn, dat wij - allemaal - verwend zijn en ons niet bewust van de zegeningen steeds weer sikkeneurig tonen. Lusteloos en chagrijnig, blasé zijn we dan weinig ontvankelijk voor wat de politiek wel kan bewerkstelligen.

Aan het einde van de rit, denk ik, zal men dus opnieuw de verhouding van de overheid tot de burgers moeten herdefiniëren, maar dat lukt dezer dagen niet zo goed, omdat we wie het ene beweert, de burger moet op eigen poten staan niet meer over tussenkomsten van de staat kan spreken en omgekeerd. Overigens is het met die individuele autonomie dezer dagen nogal wankel gesteld: als we willen sterven, mogen we autonoom beslissen, maar als we goed willen leven, dan zal die overheid ons met wortel en stok de goede kant opsturen: minder suiker en meer groenten. Dwanggedachten over gezondheid? over mobiliteit? infrastructuur? Het politieke debat laat geen partij toe een halfslachtige houding aan te nemen, te erkennen dat er geen goede oplossing is of toch geen oplossing waar iedereen tevreden om kan zijn, al was het maar omdat velen er geen weet van hebben, zoals bij de zorg voor mensen met een beperking.

Iedereen zegt dat CETA en TTIP er niet moeten komen, omdat mensen bang zijn voor de verdere intensivering van de globalisatie, die onze economie veel heeft gebracht, maar ook onzekerheid en jobverlies in klassieke sectoren, terwijl CETA en TTIP wel bedoeld waren om de economische ruimte in een veranderende wereld te vergroten. Alleen, men is gaan de focus gaan leggen op de mogelijkheid van bedrijven om tegen een lidstaat van de EU beroep aan te tekenen als die door nieuwe regelgeving bepaalde investeringen in het gedrang zou brengen. Overigens staan burgers in Canada en de VSA er ook niet voor te springen. Overigens dringt dan de vraag op of het UK er ook deel aan zou hebben en verdragspartij worden?

Wat we mogen verwachten van de politiek en politici m/v is veel en schept ruimte en mogelijk voor elk van ons om goed te leven. Tegelijk kan die overheid dat niet zonder een grond van legitimiteit maar dienen we, via de volksvertegenwoordiging regelmatig te onderzoeken of de wetgeving nog wel de vooropgestelde doelen bereikt en hoe men dat kan verbeteren. Maar moeten we voor onze samenleving dan niet gaan voor een totale hervorming? Dat is de taal van utopisten, terwijl we eerder met Rudiger Safranski de gedachte koesteren dat een stevig realisme, grote zin voor realiteit met een flinke scheut idealisme het beste de samenleving kan dienen. Realisme houdt bijvoorbeeld in dat we mensen, volwassen mensen niet zomaar willen verbeteren, wel hen - onszelf - de kans geven inzicht te verwerven. Maar of elk inzicht onmiddellijk moet leiden tot handelen, valt nog te bezien. Realisme impliceert ook dat we de autonomie van burgers voorop stellen, ook al handelen ze naar ons inzicht fout. Maar dan moet niemand razen noch vloeken, maar proberen hen te overtuigen van hun vergissing. Liefst niet met al even gemanipuleerde elementen en argumenten. Voor een eerlijke politiek? Jawel, maar dat kan vooral een wel overwogen en bedachtzame politieke cultuur zijn die geen overvloed aan wetten genereert. Juist, ook dat is weer voer voor debat.




Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten