Tegen de Superstaat? Natuurlijk



Dezer Dagen


Angst voor de superstaat
&
begeerte alles te beheersen

Nir Baram beschreef in "Goede Mensen", hoe twee
mensen in twee onderscheiden totalitaire
systemen alsnog ten onder gingen.
Voor onze tijd lijkt de roman eerder historisch,
maar toch, het boek biedt Israëli en anderen
een blik over hoe het eigen systeem ook
"goede mensen" kan vermorzelen. 
Men spreekt wel eens met dubbele tong, niet uit de dronkenschap, maar omdat men meerdere doelen tegelijk wil bereiken. Mensen vertellen dat Europa geen superstaat mag worden, klinkt goed, maar intussen veiligheids- en politiediensten optuigen om alles onder controle te houden, wetgeving te schrijven die elk ongemak uit de wereld zou moeten helpen én start-ups willen, waarbij de kans dat zo een onderneming niet zo goed blijkt als de idee, maakt het beeld nog wat verwarrender. Neen, de superstaat is een chimaera op het Europese niveau, des te dichter in de mogelijkheden van politici die hun natiestaat goed willen runnen. Wat heet goed? Over beheersing en het vermijden van het onverwachte oftewel pleidooi voor een rusteloze samenleving met mate.

Wie met de geschiedenis van Rome op de proppen komt, krijgt van mensen die nog op hun humaniorakennis denken te teren steevast te horen dat het Rome van Augustus en co een dictatuur was, dat alles centraal geregeld werd en dat wie uit de pas liep streng gestraft werd. De werkelijkheid, toont Mary Beard aan, was dat dit domweg niet mogelijk was. Meer nog ten tijde van het "Eerste Imperium", van 14 nC tot 212 was de rol in zaken van bestuur belangrijk, werden de buitengrenzen goed bewaakt, maar was de feitelijke macht in de samenleving veeleer dissipatief verdeeld. Overigens kwamen burgers in dat rijk wel eens lokaal in opstand of probeerden senatoren een club te vormen tegen de keizer, maar het bleef alles rommelen in de marge, omdat het systeem nogal wat mensen ook kansen bood op een beter leven, van Syrië naar York en de Hadriaanse Muur te trekken.

Wat Europa betreft vallen er luide stemmen te horen die menen dat Europa soevereiniteit moet teruggeven aan de lidstaten, maar tegelijk beseffen beleidmakers dat op een aantal punten de samenwerking en het delen van soevereiniteit niet ver genoeg is gevorderd, om bepaalde zaken naar behoren op te lossen. Het begrip soevereiniteit blijft zo voor verwarring zorgen, net als het begrip superstaat, dat het toch bekeken moet worden, wat dat betekent en hoe of wat men als burger kan verlangen van de overheid. Het kan zijn, vrees ik, dat net die burger die luid schreeuwt, onder meer op facebook, net wel een superstaat wil.

Soevereiniteit lijkt voor sommigen een non-issue geworden, voor anderen is het de sleutel om alle problemen van deze tijd op te lossen. In het oude Rome waren de keizers, aldus Mary Beard, wanneer men erin slaagt in de bronnen over machtsuitoefening door te dringen en niet luistert naar de roddelblaadjes die Suetonius heeft nagelaten - waarvoor overigens wel eens goede gronden blijken te bestaan - vooral een hard werkende bureaucraat die vele kleine beslissingen moet nemen en vooral ervoor moet zorgen dat de grote kwesties, zoals de veiligheid aan de grenzen, de organisatie van de voedseldistributie in Rome verzekerd wordt - zonder dat de staat per se zelf de regie organiseert - en uiteraard ook het recht, waar gewone burgers niet altijd mee in contact kwamen, kon gelden.

Naar verhouding was de staatshuishouding in Rome nog beperkt en kon de keizer als grootste grondbezitter in het rijk over gigantische inkomstenstromen beschikken, waarbij geleidelijk de persoonlijke schatkist en die van de overheid in elkaar konden overvloeien. Onnodig te zeggen dat de middelen doorgaans naar de particuliere schatkist vloeiden, maar de keizers hadden er wel belang bij dat het systeem bleef functioneren. Provinciegouverneurs als Plinius de jongere wier brieven werden bewaard en ook wel het werk van Tacitus, ook al een lid van de elite, die zou hebben betreurd dat de Republiek vervangen was door een monarchaal systeem, maar Mary Beard besteedt daar niet zo heel veel aandacht aan, doet het af als vage nostalgie en in voorkomend geval dwaze naïviteit, die sommigen ook op verbanning kwam te staan of erger. Rome was soeverein, dat wil zeggen, het geheel van de bestuursorganen kon militair en juridisch heel wat afdwingen en dus ook legitiem de noodtoestand inroepen. Maar ook in Rome was het ondenkbaar dat een persoon het geheel kon overzien: aquila non fugit muscas. Helaas, sommige adelaars doen niet liever omdat ze grote kwesties niet aankunnen...

Dezer dagen spreken over soevereiniteit lijkt voor de een op het najagen van spoken, voor de andere op het claimen van grotere macht van de nationale staat, terwijl er sinds 1949 voor tal van domeinen in Europa voor systemen van gedeelde soevereiniteit werd geopteerd. Voorwaarde dat dit systeem goed werken zou en begrepen worden is dat in de debatten politici niet aan de verleiding toegeven voor de eigen achterban iets anders vertellen dan wat ze in Brussel in uitmuntende collegialiteit bespreken. In Europa met zijn zeer verdeelde erfenis uit de periode van de koude oorlog, ziet men dat politci in voormalige satellieten van Moskou in de EU wel eens een andere verpakking van hetzelfde zien. In andere, zoals het UK, leeft de droom van het oude imperium als achtergrondstraling verder, maar zou het overdreven zijn te stellen dat die ambitie door Winston Churchill ten grave werd gedragen? Overigens denk ik niet dat Churchill het politiek had overleefd als hij in 1946, pleitend voor politieke eenheid in Europa - tegen het communisme - voor een Britse deelname aan dat project had gepleit. Na 1965 waren de nieuwe contouren duidelijk en wist het UK dat het niet meer op afstand kon blijven van Europa. De Brexiters hebben dat inzicht niet genegeerd, ze hebben het niet afgewezen, ze hebben de contouren zelf van de Britse soevereiniteit veel ruimer ingeschat dan dezer dagen nog maar bij benadering mogelijk is.

Betekent soevereiniteit dan dat een persoon de noodtoestand kan afdwingen, opleggen, dan komt men pas in een doolhof van begripsverwarring terecht. Het is een staat, een geheel van instituties die gezamenlijk de noodtoestand kunnen afdwingen en dus kunnen evolueren naar een superstaat. Europa telt vele instituties die met elkaar op enig moment tot een afdwingbaar besluit komen, de zogenaamde tafels, zoals Luuk van Middelaar die beschreef in "De Passage naar Europa", waarbij Commissie, Raad van staatshoofden en regeringsleiders en het parlement, de permanente vertegenwoordigingen volgens specifieke procedures van besluitvorming finaal tot een conclusie komen, die dan als besluit door de commissie of de raad finaal wordt afgeklokt. En dan begint de tweede fase nog maar: hoe implementeren lidstaten zo een besluit in hun wet- en regelgeving en hoe krijgt dat ambtelijk, in de back- en frontoffice haar beslag.

Vooral blijkt die tweede fase waarin besluitvorming uitgerold moet worden,  vaak moeilijk aan burgers van nut en noodzaak te explikeren en hen daarvan te overtuigen en blijkt men vooral actiegroepen tegen te komen die bij de nationale dan wel deelstaatregering interveniëren om aan het besluit een strikte interpretatie te geven dan wel net de minst stringente invulling die Europa overlaat, aan te nemen als beleid. Het mest(stoffen)decreet van de Vlaamse regering is zo bijna een decennium lang voorwerp geweest van acties van landbouwers en natuurverenigingen en politici te lande die vrienden niet tegen de haren wilden instrijken en toch ook geen straffe verwijten van de tegenstanders wensten te krijgen in het openbaar. Het gaat om de Europese richtlijn die regelingen en aanpak op poten zette om de historische vervuiling van de oppervlaktewateren aan te pakken en er geen nieuwe aan toe te voegen, tot welzijn van iedereen. Dat het mestdecreet de landbouweconomie en het beheer van landbouwbedrijven op losse schroeven zette, mag niemand ontgaan, terwijl de natuurverenigingen soms wel zeer ver gingen met hun verwijten aan politici die te dicht stonden bij de boeren.

De wenselijkheid van een beleid rond de kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewateren zal niemand meer betwisten, mag ik hopen. Dat de lidstaten hier samen aan wilden werken, kwam voort uit de evidentie dat men aan de ene kant overwegingen van eerlijke concurrentie tussen de voedingsindustrieën diende te garanderen, dat rivierenstelsels oude grenzen van lidstaten overschrijden en dat nationale politici hun electoraat niet tegen zich in het harnas wilden jagen, door te doortastend optreden en omwille van aperte toegeeflijkheid. Het mestdecreet heeft - zo bleek een paar dagen geleden nog - de situatie van de oppervlaktewateren en de kwaliteit van het water verbeterd, maar niet overal in gelijke mate.

Wie zich bewust is van de historische stap die op dit ene beleidspunt, agendapunt werd gezet en hoeveel voeten het in de aarde had om het te implementeren, alleen al in Vlaanderen, zal er zich ook rekenschap van geven hoe weinig soeverein de instituties van de EU aan de dag konden leggen. Even frappant blijft het vast te stellen dat wie op dit ene punt, doortastend en voortvarend beleid van de EU vooruit op de medeburgers wilde lopen, net op het punt van de GGO's en dus op mogelijkheden om landbouwgewassen of vee te kweken dat minder belastend zou zijn voor de biodiversiteit of de waterhuishouding de sta in de weg is gebleken. Hier wordt dan vooral gewezen naar de mogelijke toenemende neiging tot een oligopolie met aan de top toch een bedrijf, terwijl men anderzijds vrezen moet, heet het, dat ggo's de natuurlijke diversiteit aan gewassen zou doorbreken. Eeuwenlang hebben mensen aan ras- en teeltveredeling gedaan, zij het kleinschalig, terwijl in de massasamenleving vandaag de voedselproblematiek op meer dan een manier tot beleid kan aanzetten: obesitas is een probleem, door de overvloed aan goedkoop voedsel, problemen met verspreide teeltgebieden en anderzijds het gevaar van monoculturen.

Wanneer we deze niet exhaustieve schets van Europees beleid, de uitwerking en de implicaties onder ogen zien, dan merkt men dat in de discussies over een Europese superstaat deze vaststellingen nauwelijks een rol spelen. De reductionistische denkoefeningen van ideologen zien de staat precies in haar representatie en minder als een vorm van functionaliteit. Zoals Romeinse senatoren onder keizer Trajanus, die van de Republiek niets meer wisten dan wij van de regeringen van August Beernaert, Collijn of de Derde Republiek, om het IJzeren Koninkrijk niet te vergeten, zo schaverdijnen voorstanders van het herstel van de nationale soevereiniteit over een wit papier waar men alles kan neerpennen wat men wil - ik sprak wellicht beter van een leeg scherm - want hun referenties gaan voorbij aan de redenen waarom het bestel wel diende te veranderen, wilde men als overheid het algemeen welbevinden bevorderen, te beginnen bij de algemene vrede binnenlands en de vrede buitenlands. Maar om het welbevinden van burgers te bevorderen doet een staat anno 2016 heel wat meer, van onderwijsvoorzieningen over regelingen voor mobiliteit tot het beschermen tegen ziekte en ongevallen. Soms zal men wel eens iemand horen die vindt dat al die instrumenten die ontwikkeld werden voor de sociale zekerheid weinig bijdragen aan zijn of haar welzijn, gaat het over het leven in de oude dag, als zelfredzaamheid afneemt, dan ziet men hoe men de kwaliteitseisen voor zichzelf en naasten danig gaat opschroeven, vaak ongeacht de lichamelijke en mentale dispositie van de betrokkene, wat wel tot heel nare situaties en navenante discussies kan leiden. Regelmatig contact met mensen van de voorziening kan heel wat ontevredenheid wegwerken, vooral wederzijds begrip ten bate van de rusthuisbewoner bevorderen, meer dan van overheidswege opgelegde ambtelijke controles.

Afgelopen decennia hebben liberale politici met luide stemme beweerd dat de staat het probleem is, waarbij ze terecht wezen op de hoge belastingdruk, maar dat zijzelf, via eigen ministers, zoals telkens weer op onderwijs is gebleken zo hard bezig waren de boel te belazeren, nieuwe wetgeving te maken, theoretische modellen hanteerden en culturele tradities - zoals de Verlichting helemaal voor jonge mensen afsloten - dat ik er gaandeweg moedeloos van werd. Wat zij zegden, was ambivalent en desoriënterend: de staat moet van alles doen, maar het kost de mensen teveel. Natuurlijk kan Maggie Tatcher dat zeggen of Ronald Reagan, maar Guy Verhofstadt heeft nooit nagelaten meerdere paarden tegelijk te berijden als was hij met zijn Gideonsbende in staat een Hongaarse Post te rijden. Een Hongaarse post is een kunstje dat veel oefening en vaardigheid vergt, waarbij een groep ruiters en enkele paarden zo geordend zijn dat die paarden in draf over een parcours rijden en die ruiters op de paarden en op elkaars schouders staand een piramide vormen en er doorgaans niet af donderen.

Het beeld is me bijgebleven omdat Verhofstadt precies dat deed: roepen dat de staat het probleem was en tegelijk een voluntaristisch beleid willen voeren. Inderdaad, ook inzake Europa is dat zijn grootste prestatie tot nog toe. Het kan ook maar omdat men in wezen niet over die kwesties met elkaar in debat gaat, maar elkaar als antagonisten bestrijdt, met het doel de andere opiniedragers politiek uit te schakelen. De sterke staat, de superstaat in de betekenis die de parlementsleden van N-VA eraan geven is op Europees niveau overigens ten enen male onmogelijk, omdat Europa als Unie maar zoveel soevereiniteit krijgt, zoals macht om onderscheidend te besluiten als de lidstaten toestaan. Ten aanzien van burgers zijn de belangrijkste beleidsinstrumenten zoals veiligheidsdiensten, politie en leger nog altijd zeer angstvallig het domein van de nationale soevereiniteit, tot frustratie soms van de politiediensten, die graag beter zouden samenwerken - lees: meesurfen op de inspanningen van derden.

De discussie over de superstaat dient men te voeren in termen van bestuurskunde: als men elke mogelijkheid tot deviant gedrag uitschakelen wil, elke poging tot kattenkwaad van jongeren als potentieel een gevaar voor de staat, als men niet gelooft dat buurtschappen, dorpen met een lokale politiedienst die mensen kent en spreekt met mensen, luistert, zal men minder schematisch de boel onder controle willen nemen. Natuurlijk willen u en ik veiligheid, maar het blijft vreemd dat onze journalisten een bestuurskundige als Paul Frissen, die ervoor waarschuwde in het essay "De Fatale Staat" dat men voor elk probleem en elke dreiging maatregelen zou uitwerken die controle vergen en bestraffing voortbrengen die vanwege burgers als onredelijk worden beschouwd, daar geen aandacht voor vragen. Meer nog, ze lijken de eerste te zijn die voor elk schietincident een nieuwe, nog strengere wapenwet te vragen. Schadelijk en zelfs schandelijk.

Voor een minister van Binnenlandse zaken, voor elk parlementslid zou dus een reflectie vooraf moeten zijn of zo een nieuwe maatregel wel nuttig is, ook al lijken wij burgers, volgens het commentariaat dan toch, de politici hijgerig in de nek te zitten om het probleem in godsnaam op te krikken. De krant De Standaard refereert eenmaal, in een gastschrijven van Luc Huyse naar de auteur, niets over "De Fatale Staat", niets over "De laatste staat".

In een nieuw essay,  "De laatste staat" dat vorig jaar verscheen en waarover ik eerlang een recensie plan, heeft Paul Frissen het over onze obsessie met transparantie en houdt hij desondanks een pleidooi voor het recht op geheimen, waarbij de staat die geheimen van burgers niet mag willen kennen; de burgers hoeven ook niet alles te weten wat de staat in naam van de collectieve veiligheid onderneemt. Wel dient men er wel over te waken dat wetgeving overzichtelijk, transparant en voorspelbaar is, opdat mensen hun leven in een veilig gevoel van rechtszekerheid kunnen leven en waar nodig plannen.

De Superstaat Europa is een chimaera, de superstaat evenwel is technologisch meer dan ooit mogelijk en voor sommige, ook liberale politici een wensdroom, waar ze andere inzichten bij over het hoofd zien. Wetten verdragen altijd interpretatie, want als het sluitende wetgeving is, heeft men geen justitie en geen advocaten meer nodig. In deze zin volhard ik in mijn inzicht dat ik meekreeg van Bernard Mandeville: De wereld gaat aan deugd ten onder. De superstaat, beste heren Loones, Vanlauwe en Luyckx, wenst u niet op Europees niveau, maar u ziet niet, zoals ook Frank Furedi en zelfs Theodore Dalrymple meegeven, dat we uit angst voor het ongewisse en uit onzekerheid wat mensen op het terrein, van hulp- en zorgverstrekkers tot politiediensten en magistraten zullen beslissen, net wel sluitende wetgeving, sluitend beleid wensen. Niet de staat moet absolute zekerheid koesteren als ideaal, absolute zekerheid voor zichzelf en de instituties, wel moeten de burgers op de Staat, de overheid, de instituties aankunnen, willen zij in gemoede en zonder nodeloos verontrust te worden hun leven kunnen leiden, wat dat verder ook mag betekenen. En ja, burgers vergeten best ook niet dat als zij wat toleranter zijn anderen dat ook zullen opbrengen.

Edoch, helaas, de gevaren van een oprukkende Islam, die zogenaamd met een vijfde colonne onze waarden, beschaving aanvalt, dat moeten we niet willen. Ik wil dat allerminst, maar ik weiger elke moslim te zien als een  doodgraver van onze waarden, normen, inzichten. Ik denk dat politici hun rol ernstig dienen te evalueren. De lectuur van werken van Arendt, Gescinska, Kolakowski, Paul Frissen, Richard Sennett of Jacques A.A. Van Doorn, om Mary Beard niet te vergeten, hebben me ertoe gebracht dat probleem van de Superstaat te leggen waar die ligt, bij het streven van overheden in Europa om de beheersingscultuur tot in het oneindige door te voeren, waarbij onder meer verzekeraars het nodige toevoegen zodat een brave huisvader met zijn zoon van 12 niet eens meer durft te racen op de fiets, wat zeg ik, zoonlief per se met de auto naar school en de fietsclub brengen wil, om elk ongeval te vermijden. Hoe de superstaat in ons systeem is ingeslopen, vergt dus verdere reflectie en kritiek.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten