Europese geschiedenis en integratie



Reflectie



De geschiedenis die we willen
over integratie, assimilatie en metissage


Het beeld van Peter de Grote, ook gewijd aan
Catherina de Grote, beide vorsten die zich
op Europa richtten en van Rusland een
Europese grootmacht te maken. Hoe dat
in het werk is gegaan, met het bloedvergieten
en afdwingen van de moderniteit, moeten
we dus ook in rekening brengen. 
Europa heeft het niet onder de markt en bovendien blijkt het niet simpel zoiets als een Europese identiteit benaderend te omschrijven. Tegelijk kan men de nationale geschiedenissen niet los van elkaar bezien, maar vormen ze in fine een groter geheel. Voor wie van buitenaf naar Europa kijkt ligt dat meer voor de hand dan voor onszelf. Zeker als we terug willen plooien op het klassieke beeld van de natiestaat. Het gaat om vragen die niet enkel het verleden ter discussie stellen, wel over hoe we onze toekomst zien en die van onze nazaten.

Het beeld van het verleden dat we centraal stellen en waar we zeer aan hechten, dat blijft de crux van het gebrek aan debat over dat verleden. Kan men zich nog een voorstelling maken van het leven ten tijde van Karel V of van de wijze waarop aan het einde van de 19de eeuw vrouwen voor hun zelfbeschikking opkwamen, stemrecht eisten en de toegang tot de universiteit afdwongen. Het kan gaan om wat Huizinga een keer de "sublieme historische sensatie" noemde, waarbij hij er zich rekenschap van gaf dat hij zich opgenomen voelde in een gebeurtenis die hij bestudeerde. Frank Ankersmit onderzocht de mogelijkheden van een onbemiddelde historische ervaring, subliem of subjectief en voert daarmee een kritiek uit van de talige grenzen van de academische geschiedschrijving. Dat we alleen via taal iets over het verleden kunnen vertellen, draagt ertoe bij dat we dat verleden nooit volkomen recht kunnen doen. Maar als we - zoals Huizinga beschreef - aan de hand van een voorwerp dat niet echt met contextlagen overdekt is - dat verleden kunnen betreden, ervaren, dan nog zal die ervaring, wil men er ruchtbaarheid aan geven, toch een talige versie aannemen. Toch denk ik dat de theoretische oefening van Huizinga en van Ankersmitt ons de ruimte geven de weg tonen om het verleden als een set van ervaringen te benaderen, waarvan wij in het beste geval de echo horen.

Toen ik me met het werk van Huizinga vertrouwd maakte is me opgevallen dat de historicus en de antropoloog de taalkundige nooit terzijde schuiven wilden. Maar hij vond wel, begreep ik, dat je via diepgaande kennis van een bepaalde periode, plaats, mensen inderdaad tot zo een onbemiddelde ervaring kan komen en zo het klimaat beter vatten kan waarin bepaalde momenten van grote transformaties mogelijk waren. Historische kennis verwerven kan alleen via bronnenuitgaven en bronnen zelf, maar soms is het schadelijk die al te vaak uit de archieven te halen. Goede bronnenedities laten toe te zien hoe men teksten die misschien onvolledig tot ons gekomen zijn, toch afdoende te ontsluiten.

Maar wat dan? Als men de bekende bron naleest die Galbert van Brugge over de moord op Karel de Goede, Graaf van Vlaanderen (1119-1127) ons heeft nagelaten en waar we door de ongewone omstandigheden van de moord en de moeizame erfopvolging de verhoudingen uitgespeld krijgen in een omvangrijk egodocument, dan komt men wel tot een inzicht dat de weliswaar bemiddelde ervaring toch dichter bij de toenmalige gebeurtenissen kunnen komen. Maar moeilijk blijft dat wel, omdat we ons nauwelijks een beeld van de stad kunnen vormen in 1127, noch van de wijze waarop de graaf en zijn kanselier met elkaar omgingen. Het is een verhaal over de graaf en diens positie in de samenleving toen - hij wist onder meer tijdens een dreigende hongersnood door het kweken van bonen aan te bevelen een extreme hongersnood te voorkomen. Hij lijkt ook de wetgeving in het graafschap te hebben willen ordenen, omdat hij als rechtssprekende instantie met de gevallen van tegenspraak daarin te maken kreeg. De gevolgen van de moord op de graaf en de afwikkeling van de erfopvolging die bij Diederik van den Elzas uitkwam, nadat Willem Clito door de Vlaamse steden was afgewezen, mogen dan wel ver van onze dagelijkse zorgen afstaan, het was wel een moment waarop het vorstendom een politieke eenheid bleek en de intrusie van de Franse Koning, Louis VI, werd afgewezen. Ook andere facetten komen aan het licht zoals het begrip marktvrede.

Zoals ook andere momenten in die geschiedenis van het oude graafschap, de strijd tussen de graven van Vlaanderen en die van Henegouwen, waaruit interne troebelen volgden in Vlaanderen en Filips IV dacht eindelijk Vlaanderen bij het kroondomein te kunnen voegen, zijn geen mythen, zoals sommige historici vandaag menen te mogen stellen, verwijzend naar de romanschrijver Hendrik Conscience, want Conscience wist dat hij een verhaal schreef, dat de Belgische identiteit had moeten ondersteunen, maar het duurde niet lang of de Vlaamse Beweging ging ermee aan de haal. Maar dat betekent niet dat er in de periode 1280 - 1314 geen ernstige conflicten de verhoudingen hebben beinvloed, want Filips IV de Schone had wel degelijk plannen om het hele graafschap te annexeren en deed dat ook, maar de weerstand, het verzet was groot vanwege de steden en de landadel. Gent nam daarbij een afwijkende positie in omdat het bepaalde voorrechten dacht te kunnen krijgen van de Franse koning, die het spel uitstekend beheerste verdeeldheid te zaaien.

In een volgende fase van de strijd tussen de Franse Kroon en Vlaanderen zou Gent dan weer een grotere rol opeisen, toen Jacob van Artevelde gemene zaak maakte met de Engelse kroon tegen Frankrijk in, maar toen was Filips IV al lang en breed van het toneel verdwenen. Toch kan men ook niet voorbij aan de wijze waarop de Franse koning het land bestuurde en zijn greep op de ridderschap wist te vergroten, terwijl zijn naaste medewerker Enguerrand de Marigny net tot de lagere landadel behoorde en meritocratisch zijn positie kon verwerven.

De geschiedenis van het graafschap Vlaanderen binnen de context van elkaar concurrentie aandoende politieke entiteiten laat zien hoe de verhoudingen in de loop der eeuwen merkbaar veranderden. Wanneer Ernest Lavisse zijn histoire de la France en vooral die over de Franse Koning aanvat, aan het einde van de negentiende eeuw, heeft hij uitgesproken politiek-maatschappelijke doelstellingen: Frankrijks grootse verleden doen herleven en de schande van 1870 uitwissen. Voor ons is 1870 nauwelijks te begrijpen, voor de geschiedenis van Europa is het een keerpunt, zoals Christopher Clark aanstipt, want voor het eerst komt er in het centrum van Europa een politieke soevereine entiteit tot stand die eigenmachtig de verhoudingen op het continent kan wijzigen. Sinds 1648 had Frankrijk er alles aan gedaan om de politieke eenheid van Duitsland onmogelijk te maken, terwijl Louis XV onverwacht een verdrag wist te sluiten met Oostenrijk tegen de opkomende macht die Pruisen onmiskenbaar was geworden. Lavisse noemt Louis XV een zwakke koning omdat hij gebiedsdelen verloren had moet laten gaan, zeker ook in de nieuwe wereld, maar tegelijk versterkte de koning de interne economische en sociale ontwikkelingen en nam de rijkdom in Frankrijk toe, ook van de burgerij en de ambachtslui. Het zijn ontwikkelingen die verder reiken dan een toevallige overwinning in een oorlog, want men zal opmerken dat na 1648 ondanks de vele oorlogen niemand Frankrijk echt enige gebiedsuitbreiding gunde, zodat Louis XIV wel de man was die overal oorlog ging voeren, met grote budgettaire problemen tot gevolg zodat Louis XV begreep dat zomaar een oorlogje opzetten geen zin had. Maar net omdat Lavisse het beeld van de sterke politieke leiding voorop wilde stellen, zag hij niet dat Frankrijk tussen 1715 en 1774 intern aan kracht en economische slagvaardigheid had gewonnen. Ongetwijfeld hebben velen onder ons geleerd dat de Franse Revolutie voort is gekomen uit hongersnoden in 1787 en 1788, maar ook dat de schatkist leeg was en de koning niet anders kon dan de Staten-Generaal van het koninkrijk samen te roepen. Een deel van de adel en de clerus waren ervan overtuigd dat het bestel niet langer kon functioneerden en verkozen tijdens de werkzaamheden plaats te nemen op de banken van de derde stand, waarna de val van het oude regime snel zijn beslag kreeg. Dan klinken verhalen over de bestorming van de Bastille aangenaam in het oor, de fundamentele veranderingen hadden plaats in hoofde van de bestuurlijke elite. Dat zij snel zou verjaagd worden en dat er dus een aantal edellieden naar de Duitse landen zijn gevlucht om hun terugkeer met de wapens af te dwingen, moet men dan ook in kaart brengen net als het gegeven dat de oorlog tussen het revolutionaire Frankrijk en de buurlanden, onder meer onder invloed van het directoire een gewone veroveringsoorlog kon worden, die amper 14 jaar stand kon houden, blijven we dan ook best in gedachten houden. Intussen stond de wereld elders ook niet stil.

Hoe ook men naar die geschiedenis wil kijken, zonder grondige studie van staten en regio's die zich bij momenten als eenheid presenteerden en dan weer verbrokkeld verder gingen, in het kader van een begrijpelijk maken van de geschiedenis van wat we nu als Europa zien en ervaren, kan men niet tot inzichten komen in wat de geschiedenissen met elkaar delen. Hoe zat het nu met Polen tijdens de 18de en 19de eeuw? Waarom we dat moeten weten? Omdat we dan wellicht iets meer begrijpen van wat de huidige regering in Warschau bezielt. En dan komen we uit bij Tsjechië of zelfs Oostenrijk, waarvan we ook maar fragmenten kennen.

Het opvallende nu is dat onder meer de brede media ons laten geloven dat we dat allemaal niet hoeven te weten, want ze berichten er nauwelijks over, noch over de actuele situatie in die landen noch over de geschiedenis. Het liefste heeft men autochtone auteurs, journalisten die dan naar de landen van derwaarts over trekken, voorbij de Elbe en de Oder-Neisse om ons iets te vertellen, dat doorgaans de systematische benadering ontbeert die een historicus erin kan leggen. De omgang met die landen is in debatten over asielzoekers of zelfs integratie ver buiten beeld gebleven, waardoor men wederzijds zonder goede argumenten een moeilijk debat moet aangaan. De belofte van homogene natiestaten die na WO II tot het fenomeen van de displaced persons leidde, miljoenen Duitsers die naar Duitsland gedreven werden, maar ook Polen die uit Oekraïne en Belarus werden verdreven en omgekeerd, heeft in recente tijden vele politici geinspireerd om niet zo happig te wezen als het over opvang van asielzoekers. Populisten van links en van rechts doen er hun voordeel mee, maar ze maken de Europese integratie tot een gimmick.

Want Europese integratie betekent dat we ertoe komen de onderlinge en uiteraard op het niveau van de gebeurtenissen/feiten tegengestelde verhalen toch een eenheid van handeling mee te geven,  wat beter lukt als het over de vorming van de cultuur gaat of over kenmerken van de samenleving, de langere termijn dus, want dan blijkt die Europese geschiedenis een grote samenhang te vertonen. Men kan daartegen inbrengen dat niemand die lange periodes kan overzien, maar het ligt juist in de mogelijkheden van historici om die wel overzichtelijk te maken. De geschiedenis van het recht, van het kapitalisme en het financiële systeem behelzen ontwikkelingen die vele generaties overspannen, waarbij dan toch van tijd opmerkelijke figuren verschijnen, zoals Jean Bodin of Hugo Grotius. Het feit dat we van geschiedenis zouden moeten verwachten dat het tot data te herleiden valt, maakt dat het begrijpelijk maken van historische evoluties niet meer op de voorgrond komt. Het concept van de natiestaat bijvoorbeeld verdient echt wel meer aandacht...

De Tweede Industriële revolutie, toen chemie en allerlei nieuwe materialen hun intrede deden hebben de samenleving even grondig gewijzigd als de eerste, zij het op een andere manier. Zo ook zien we dat de toekomstige elektrische huishoudapparaten nog voor WO II ontwikkeld worden, maar pas na die oorlog zal de huishouding compleet van karaker veranderen, met stofzuigers, diepvriezers, ijskasten, fornuizen en wat al niet meer... elektrische messen en toasters. Men kan zich die veranderingen post factum niet geheel indenken als men er geen weet van heeft dat het er allemaal niet was.

Heeft men vrouwen bevrijd van zwaar huishoudelijk werk, men heeft hen de mogelijkheid geboden zelf buitenshuis te werken of anders van de vrije tijd die men verwierf iets te maken, jawel, ook koffiebabbels. Het blijft evident nuttig om die ontwikkelingen die ook kritisch bejegend werden, want men vond altijd wel redenen om die producten verdacht te maken, maar de publiciteit deed wel haar werk. En wij, of liever de generatie voor ons? Die zagen er wel de voordelen van in en gingen voor de inzet van die apparaten. Een evolutie blijft merkwaardig: hoewel de magnetron al gebouwd was rond 1945, bleek het in Europa tot het einde van de jaren 1980 duren voor het apparaat echt ingeburgerd raakte. Dan nog bleef de discussie duren of het wel zo gezond was of is voedsel op te warmen in de microgolf. Sommige mensen gebruiken dat apparaat dan ook maar spaarzaam, omdat ze vinden dat de gewone bereidingswijze best gemakkelijk is, als men er even tijd voor maakt. Ook verneemt men dat sommige bouwpromotoren expliciet vragen of men een uitgeruste keuken wil, dan hoogstens een kookplaatje en wat klein gereedschap, maar zonder uitgebreid fornuis.

De wereld veranderde de afgelopen eeuw en levensritmes waren niet minder onderhevig aan een heftige versnelling, al zou men ook mogen beweren dat het leven opgerekt werd en daardoor levensfases. Toen de leerplicht op 14 jaar lag en een deel van de jongeren nog op die leeftijd van school gingen, zag men een groot onderscheid tussen zij die een lange schooltijd en eventueel hogeschool voor ogen hadden en zij die met veertien gingen werken en op twintig al trouwden en aan kindjes begonnen. Vandaag is dat onderscheid nog nauwelijks zichtbaar. Al zijn er wel die vroegtijdig, zonder diploma de school verlaten en anderen die hogeschool en universiteit bezoeken en zo toegerust het leven instappen.

Vooral aan het einde van het leven valt die vertraging op, want mensen van zestig, zeventig zijn nog fit en kunnen nog genieten van vele dingen des levens. Pas wanneer men de kaap van 80 rond krijgen mensen het krap lastig, maar er zijn er die moeiteloos 90, 95 halen en nog deel hebben aan het leven.

Men zal vaststellen dat we die hoge leeftijd halen omdat we gezonder konden leven, steeds meer gevrijwaard werden van honger, dorst, kinderziekten en dat we ook tijdens het werkzame leven minder in extreme omstandigheden het dagelijkse brood verdienden. Deze evolutie lijkt nog niet geheel verdisconteerd in onze levenswijze en opvattingen over het goede leven. Dat men zeer veel aandacht besteedt aan gezond leven kan op zich wel begrijpelijk blijken, het valt op dat men er een ideologie van dreigt te maken, waarbij ziekte opnieuw een schande wordt en het ouder worden niet geaccepteerd. Dat het ook anders kan en dat men na een lang en boeiend leven weet dat het einde komen zal, kan ons dichter bij de epicuristische levenswijze brengen. Maar dat is buiten de waard gerekend en de moralisten.

Met andere woorden, men kan over geschiedenis spreken op verschillende manieren, men kan dus de relatie tussen onze levenswijze en een aantal opvattingen over het metafysische of het hiernamaals anders gaan invullen, maar dat mensen wel eens bedenken dat er meer moet zijn, kan zijn dan we zonder bemiddeling waarnemen, moet men ook niet zonder argumenten belachelijk maken. In die zin kan men de discussie over integratie en assimilatie niet goed voeren, omdat we zelf nog nauwelijks zicht hebben over hoe we in deze nieuwe tijd het beste kunnen leven. Dat er intussen steeds meer sprake is van metissage, waarbij mensen uit verschillende culturen met elkaar samen leven en samen kinderen krijgen, ligt in de lijn der verwachtingen. Toch blijkt men nog niet zo vaak aan de betekenis van de kruisbestuiving tussen culturen na te denken.

Let wel, voor mij is diversiteit of superdiversiteit geen gewenste toestand, iets waar we fier op zouden moeten zijn, die diversiteit is er gewoon gekomen en zal ook niet meer weg gaan, want de globalisatie zorgt voor volksverhuizingen, of we dat nu prettig vinden of niet. Maar we kunnen niet zomaar beweren dat onze cultuur dan maar zichzelf moet opheffen, wat ook niet zal gebeuren, al zijn er die vinden dat we maar beter moslim kunnen worden of chinees studeren. Het ligt er ook aan dat we niet meer de indruk hebben dat we met het verleden als bron van ontwikkelingen die we gunstig achten geen uitstaans meer hebben. Van het verleden kan men niet zomaar iets leren, wel kan men via die ontwikkelingen de menselijke conditie beter vatten. Of nog: monumentenzorg kan best, maar als het alleen om toeristische redenen is, dan blijft het wel van zin verstoken. Een standbeeld zoals van Luis Vives of van Simon Stevin? Ze vertellen iets over het ontdekken van de wereld, van de geest en van de cijfers. Beide beelden staan in Brugge maar voor gidsen zijn het geen plaatsen die men niet mag missen.


Bart Haers





Reacties

Populaire berichten