CETA als politiek project tot nut van 't algemeen

Reflectie


Kritische zin zonder criteria of rem

Verdragen en allianties, bondgenoten
aan zich binden, het behoort tot
de diplomatieke geplogenheden. CETA
heeft naast economische doelen ook
geopolitieke consideraties meegekregen.
Louis XV zorgde in 1756 en 1757 voor
een grondige wijziging in de allianties
door met aartsvijand Habsburg een
verdrag te sluiten dat tot oorlog
leidde maar vervolgens wel mee
de stabiliteit in Europa wellicht
heeft bevorderd. 
Zouden we dan echt leven in een wereld die niet deugt, in ons deel van de wereld? Ambtenaren deugen niet, dokters deugen niet, magistraten deugen niet, straatwerkers deugen niet en politici niet... wie dan wel? Het wordt lang zoeken, maar we komen uit bij die ene die wel blijkt te deugen, I, me and myself. Sommige mensen hebben wel enige consideratie, maar in het debat over CETA en andere projecten, zelfs ook Oosterweel, merkt men dat het onderscheid tussen deugen en niet deugen niet berust bij wie zich een afgewogen oordeel tracht te vormen, wel bij wie het te binnen valt dat er iets mis zou kunnen zijn.

In "Morele Helderheid" beschreef Susan Neiman hoe insiders de buitenwereld vaak ontstellend onwetend achten. In de discussie over CETA gaat de mare dat hier niet naar het volk is geluisterd. Afgezien van de volkenrechterlijke discussie, de juridische finesses en aansprakelijkheden, blijkt het moeilijk voor buitenstaanders zich zowel over doelstellingen als over de middelen, afspraken, contracten, verdragen uit te spreken. Finaal zal men op de vraag over democratische instellingen uitkomen en zich moeten afvragen of de op wantrouwen gebaseerde relatie tussen bestuurden en bestuurders nog wel houdbaar is. Is vertrouwen alleen maar naïviteit?

Als een problematische vorm van moraliteit in hoofde van bestuurders, bespreekt Neiman het geval van de Pentagon Papers, die Daniel Ellsberg via zijn functie als analist bij de Rand Corporation, een denktank op het Pentagon had ingezien. Hij bevond dat de bevolking was voorgelogen over de oorlogsinzet in Vietnam en bezorgde topgeheime documenten - die waren verzameld in functie van een onderzoek naar de wijze waarop Amerika in het conflict was gesukkeld. Voor zover ik het nu begrijp was er ergens een breuk ontstaan in de besluitvorming, waarbij men het doel, de communistische Vietcong uitschakelen om zo de dreigende of bedreigend geachte aanwezigheid van satellieten van Moskou en Peking in Zuid-Oostazië tegen te houden, de zogenaamde containmentpolitiek en de vraag welke aanpak het doel kon dienen en aanvaardbaar mocht geacht worden. "Containmentpolitics" Het was een van de eerste woorden van dat typisch geworden mengen van concepten in verschillende talen dat ik leerde kennen. Rusland, enige tijd met China, probeerde de VSA in de greep te houden, net als de VS en bondgenoten dat ook betrachtten.

De Vietnamese oorlog was een ramp, omdat men vergat dat inzet van middelen zonder opgave van het doel en van de risico's uiteindelijk wel op verzet moest stuiten. Of de militairen die uit de oorlog terugkeerden mochten spreken over hun verhaal en ervaringen in de oorlog, kon dan wel met enige nadruk op discretieplicht of anderszins bepaald was, maar mensen spreken natuurlijk. Of de oorlog gewettigd was, bleek niet meer het punt, wel het feit dat de GI's niet meer wisten waarom ze daar in een onbegrijpelijke strijd hadden te zoeken. De strategische oefeningen klopten niet, moet men wel besluiten. De terreinkennis en de bereidheid van de tegenstanders, ook onder de burgers was van een andere aard dan men in de Europese oorlog en in de strijd tegen Japan had ervaren.

De zoektocht waaraan Ellsberg deel had genomen, in opdracht van McNamara zorgde bij hem voor een groot gewetensprobleem en dan vooral ook het feit dat de kring van besluitvormers steeds minder de neiging hadden te geloven dat het brede publiek er ook maar iets van zou kunnen begrijpen.  Men zal in overweging nemen, denk ik, dat zij ook niet meer wisten hoe het uit te leggen. Sinds de jaren zeventig heb ik de afwikkeling gevolgd, voor zover onze media er verslag van uitbrachten, maar over de daden van Ellsberg kreeg ik pas later informatie. Watergate kende iedereen, kent iedereen die toen de berichtgeving volgde, de volledige inzet van Ellsberg zelf werd niet zo vaak meer vermeld.

Als ik bij Neiman te rade ga, merk ik hoe de kloof tussen de besluitvorming en de mensen die betrokken waren, ook de dienstplichtige militairen en de burgers, de protesterende studenten evenzeer, zich slechts vormde naarmate de berichten over de oorlog en de zegezekerheid van de overheden niet meer met elkaar te verzoenen bleken. Dat Ellsberg bewees dat het probleem voor de (militaire) leiding erin bestond dat ze niet meer geloofwaardig was bij de dienende jeugd,werd hem uiteraard niet in dank werd afgenomen, toch was het precies de regering die de hopeloze toestand weigerde te onderkennen

Voor de discussie die CETA oproept, lijkt het publiek de besluitvorming af te wijzen en vindt men dat alles transparant moet verlopen. Paul Frissen heeft in zijn kritiek van de transparantie aangegeven dat een teveel aan transparantie - op het niveau van de geheime diensten, veiligheidsdiensten - de democratie kan schaden. Hoe dat kan? De staat moet kunnen functioneren en geheim kunnen handelen, zonder onmiddellijk alles open en bloot te doen, opdat burgers in vrijheid en veilig kunnen leven. In het lopende debat ontbreekt het de verantwoordelijken - ook parlementsleden van de oppositie hebben hun verantwoordelijkheid - aan inzicht in de doelstellingen - of voorgewend niet te weten hoe men op termijn in de nieuwe wereldorde het beste kan opereren. Het doel van de besluitvormers, de Europese commissie werd in de loop van afgelopen jaren meermaals onderschreven door de leden van de raad van ministers, ook door het gremium van de regeringsleiders en staatshoofden. Men kan overigens niet klagen over de transparantie, al moet duidelijk zijn dat zo een overeenkomsten tussen statelijke entiteiten niet op een wit blad start. Er bestaan concepten en er bestaan reeds bilaterale akkoorden, die door het Belgische Federale parlement zelden gecontesteerd zijn. Stemverrichtingen hierover verlopen doorgaans routinematig en zelfs de oppositie zal hier zelden veel gedoe over laten merken.

De tijden evenwel zijn veranderd, want tot het einde van de Koude oorlog verliepen die handelsakkoorden ofwel tussen leden van de Westerse invloedsfeer, terwijl alles wat in de invloedssfeer van Moskou en Peking lag, nauwkeurig buiten beeld bleef. Toch werd er toen al gas geleverd aan Europa door Rusland en hanteerde de Sovjet-Unie het wapen niet - of de bondgenoten in Midden-Europa hier toch niet van te lijden hadden, is niet zo gemakkelijk na te vorsen. Het verschijnen van de OPEC en later de Ongebonden Landen, onder leiding van India en Indonesië zorgde voor complicaties, maar wat handel aangaat, kon men doorgaans het oude spoor bewandelen, inclusief arbitragemodaliteiten.

De weg naar nieuwe akkoorden berust op zowel diplomatieke als politiek-administratieve tradities en de voorbereiding en tussenstappen liggen doorgaans in handen van diplomaten en ambtenaren, die handelen namens de verantwoordelijke ministers-opdrachtgevers die politiek verantwoordelijk zijn. Of hoe er voortdurend contacten zijn tussen de politieke verantwoordelijke en de ambtelijke verantwoordelijken die voor de discussies en onderhandelingen verantwoordelijk zijn en waar stap voor stap geschilpunten afgehamerd worden, naarmate die opgelost raken. Bovendien kan door de Kamer de minister bevoegd voor Europa of de Eerste minister ten allen tijde ondervraagd worden, schriftelijk of mondeling. Zo stelde Dirk Vandermaelen in 2011 een vraag over de arbitragemodaliteiten buiten de gewone rechtbanken en kreeg hij ook een normaal antwoord[i]. Doel en middel komen in vraag en antwoord aan de orde en dus kan men niet beweren dat de vraag over die modaliteit nieuw is, maar ook dat de besluitvorming zich baseerde op bestaande praktijken, die nauwelijks gecontesteerd werden.

CETA is dan wel een akkoord op zich, het is ook een vingeroefening op het veel grotere akkoord tussen Europa als EU en TTIP en ook daar zal die kwestie spelen. Hoe dan ook krijgt men de vraag of gewone rechtbanken wel voldoende onafhankelijk kunnen optreden en het antwoord zou ja moeten zijn, maar gezien de omvang van de betwistingen menen de regeringen dat de rechters in het verdragsluitende land misschien voor eigen belangen zouden kunnen kiezen. Men zegt nu dat de arbitrage door een neutrale instantie nodig kon zijn in de handelsovereenkomsten met voormalige kolonies, omdat er daar wel eens overhaast werd genationaliseerd, zoals dat in Zaïre in 1974 gebeurde. Dus moet men wel bedenken dat wantrouwen bij belangrijke verdragen altijd wel meespelen, zoals bijvoorbeeld in de prille diplomatieke verhoudingen in het Europa van Louis XV, Frederik II en tijdgenoten het geval was. Verdragen werden afgesloten, vaak met grote boeteclausules als de andere partij voortijdig andere verdragen zou afsluiten. De bezegeling was dan ook inderdaad vaak niet zo heel veel waard. Machtsverhoudingen onderling en ten aanzien van derde partijen bepaalden hierbij de wisselende allianties, zoals ook von Clausewitz betoogde. Hoe snel coalities konden wisselen doet historici nog wel eens duizelen. In 2019 viert de NATO een belangrijke verjaardag, maar we lijken er ons nog nauwelijks over te verwonderen dat die organisatie zo lang kan bestaan, laat staan dat de vrede die we kennen inderdaad mede dankzij die Verdragsorganisatie kon voortduren.

Hoe zouden wij burgers, alleen al met deze enkele kanttekeningen in gedachte kunnen bedenken het beter voor elkaar te krijgen, laat staan de idee ontwikkelen, als burgers, dat zo een verdrag gezien de gewijzigde geopolitieke verhoudingen wel eens nuttig kan zijn, om de gevolgen voor de eigen burgers van de globalisatie te temperen. Meer soevereiniteit? Hoe kan de BLEU of de BENELUX als zodanig opboksen tegen het Chinese staal?

Besluitvorming behoort tot de arcana imperii en het valt moeilijk te ontkennen dat men in zo een verdrag heel wat clausules moet verwerken, die ook nog eens verschillende doelen moeten dienen, die samengenomen zorgen voor stabiele welvaart en voldoende handel zodat de balansen op een hoger niveau sluitend kansen verhogen voor burgers. Naomi Klein, die bekend werd omwille van d'r kritiek op de Wereldbank en op de recepten om de economische ellende weg te werken, waarbij ze wel een aantal punten had die een mens op goede gronden kan onderschrijven. De Wereldbank faalde vooral, zo meende ook Francis Fukuyama, blijkens zijn geschriften over de opbouw van de staat en de ontwikkeling van de politieke orde, waar ze te weinig aandacht besteedde aan problemen van corruptie en aliënatie van goederen en patrimonium van de res publica. Corruptie bestrijden had wellicht beter gewerkt dan strenge financiële regimes opleggen die niet of nauwelijks konden worden opgevolgd omdat de politieke regimes de "oude" gebruiken maar niet wilden loslaten. Corruptie heeft te maken met besluitvorming en het afleiden van belangen in concrete dossiers. Rent seeking behaviour betreft het afromen van inkomsten van de staat op systematische basis, door geldstromen te organiseren tussen de overheid en particulieren of bedrijven die niet sporen met de economische prestaties van de particulieren of de bedrijven in kwestie. Het gaat dus niet over subsidiestromen alleen, maar ook om het toekennen van licenties of concessies die op het moment van akkoord wellicht nog juist waren maar geleidelijk door allerlei evoluties niet meer in overeenstemming zijn met wat de particulieren of bedrijven erin stoppen of afleveren. Winst-verliesrekening van de overheid wordt overigens nog altijd slechts moeizaam opgemaakt, al kiest men nu vaker voor verzelfstandigde agentschappen en zelfs bedrijven van publiek recht.

Met andere woorden, ben ik onthutst dat men zo lichtvaardig over het handelsverdrag spreekt en het vervolgens afschiet op twee "cruciale punten", terwijl het verdrag in de loop van de gesprekken steeds meer verfijnd werd om onderscheiden belangen recht te laten wedervaren. Het doel van het verdrag blijft vandaag vaak onbesproken, enkele rechtsmiddelen krijgen veel aandacht, maar op zo een negatieve manier dat men zich moet afvragen of wel alle elementen van de kwestie goed belicht zijn geworden.

Men kan de hele kwestie van vertrouwen/wantrouwen in het publieke apparaat ook niet los zien van de dreiging van ondermijning van het democratische bestel. Tijdens het interbellum werden politici en rechters, bankiers en andere notabelen gemakkelijk voorwerp van verdenking, werd het hele bestel uiteindelijk voorgesteld als onvoldoende afgestemd op de wensen van de burgers, waarbij schandalen vaak volgden op loze beschuldigingen aan het adres van deze of gene gezagsfiguur. Is er stront aan de knikker, dan moet dat ook onderzocht en dus vooral aangeklaagd worden. Maar of er reden is, zoals in bijna alle Europese landen de overheid over de hele lijn te wantrouwen, is dan nog altijd een goede tweede vraag.

Dezer dagen heeft men die keuze gemaakt, denk ik, de overheid met alle zonden Israëls te beladen, zowel van links als van rechts. Links vindt dat de overheid de proletariërs niet afdoende ter wille is en rechts meent dat de staat alleen aan potverteren denkt. Voor nuance is er in dat plaatje geen plaats en men kan het aan politici verwijten dat ze graag uit dat vaatje tappen, de werkelijkheid is uiteraard dat zowel de werknemers als de werkgevers hun bijdrage leveren maar ook afhankelijk zijn van deugdelijk bestuur. Edoch, de domeinen waarover de staat te bestieren heeft zijn ruim, veelzijdig en lastig om te overzien. Begrotingen zijn voor burgers en nogal wat politici ook onleesbaar. Evoluties in de bestedingen, maar ook de heffingen liggen nog veel moeilijker, omdat er, zeker in ons land, weinig fiscale zekerheid te vinden is. Investeringen vandaag gedaan kunnen op enig moment anders belast worden. Overgangsmaatregelen zijn er wel, maar niet altijd en niet altijd even duidelijk.

Laten we nu maar eens overdenken dat CETA een doel dient en een middel is, inspeelt op de gevolgen van globalisatie en ook niet zonder meer grote bedrijven ter wille is. Bedrijven kunnen investeringsgoederen en kostenposten snel afschrijven en bedrijfseenheden snel verplaatsen. Canada en Europa lopen hierbij vergelijkbare risico's, omdat de organisatie van welvaartstaat en arbeidsverhoudingen op vergelijkbare leest geschoeid zijn. De film "De Prooi" liet zien hoe ABN-AMRO plots van Jager - bank op zoek naar opportuniteiten - een prooi werd van drie andere banken en finaal in de bankencrisis gered moest worden. Winstbejag van de Rijkman Groenink? Uiteraard, aandeelhouderswaarde? Allerlei beleggingsvehikels gingen zich intens moeien met de bestuurspraktijk en vroeg of laat zou dat lastig uitpakken maar niet enkel voor de aandeelhouders. CETA is mee in het vaarwater van andere debatten gekomen. Valt nu uit te vossen of het alleen maar gunstig zal uitpakken. Verdragen als deze vallen allicht niet macro-economisch te simuleren, maar dat hoeft ook niet de basiszorg te zijn. Of in onze economie, zonder CETA de KMO's op een gelijk speelveld kunnen opereren tegenover de overheid als multinationale giganten, kan niemand beweren. Men heeft de fetisj van de grote investeerder in Vlaanderen vereerd en wie de groei na 1960 heeft gezien, begrijpt dat ook. Maar voor de stilgevallen economie in Wallonië - met nuances voor Waals-Brabant en andere regio's - geldt de oude staalindustrie en ook de machinebouw. Hooggeschoold personeel kwam er vroeger wel, met dank aan instituten in Mons, Charlerloi en Luik, voor mijnbouw, machinebouw en materiaalkunde. De onderwijshervormingen hebben deze uitstroom niet bevorderd. Ook het middelbaar onderwijs, het technisch onderwijs heeft men niet echt meer ontwikkeld, wat in Vlaanderen beduidend minder het geval is geweest. Progressieve inzichten hebben vaak de verlokking dat ze het oude in een keer afschrijven en vergeten, maar tegelijk is duidelijk, valt op te merken, dat men niet ongestraft sleutelvoorwaarden voor succes ondermijnt en dat lijkt mee de positie van Wallonië in het industriële landschap in Europa te hebben mogelijk gemaakt, eerst aan de top, tot aan WO I en vervolgens ging het versneld naar omlaag eens men aan de onderwijs- en vormingsmechanismen ging sleutelen. Mijnbouw was cruciaal maar is het al lang niet meer. Ondernemers zijn er in Wallonië, dat kan men zien langs de wegen, maar de enorme groei van ondernemingen die delen van Vlaanderen kenmerkte na 1980 heeft men daar niet kunnen volgen.

In die zin is CETA een handige bliksemafleider voor andere kwesties, zoals het beperkte succes van de Marshallplannen die de Waalse regering de afgelopen tien jaar heeft opgezet. Maar Vlaanderen moet niet wensen dat die economische ontwikkeling geen keer kent, want ook wij varen daar niet goed bij. Europa heeft aan steunplannen allerlei veel bijgedragen, doorgaans onder voorwaarde van een euro voor een euro, maar voor Noord-Henegouwen is het succes beperkt tot nog toe, zegt men. CETA zal daar niet onmiddellijk aan verhelpen, maar de verregaande afbouw van in- en uitvoerrechten tussen Europa en Canada zal er maar vruchten afwerpen als de endogene groei ook herneemt.

Men zegt dat CETA de gevolgen inzake neoliberale druk en globalisatie zal versterken. De EU en Canada zijn een andere mening toegedaan. Niemand kan dit nu voorspellen en dat zorgt voor diepgaand ongenoegen, terwijl men heel goed weet dat deze aanpak hoogstens een aanzet kan geven tot nieuwe ontwikkelingen. Zekerheid hierover valt moeilijk te geven en het verwondert mij dat verstandige mensen ons willen voorhouden dat ze alle onbekenden kunnen beheersen. Democratie maken betekent ook, zeker in een grote en complexe samenleving dat men beslissingsbevoegdheid delegeert, van burgers aan verkozen politici en die geven dan een regering de ruimte om te doen wat nodig blijkt en iets meer, wat hen wenselijk lijkt maar om dat te realiseren heeft men wel een bestuursapparaat nodig, ambtenaren die in het beste geval politiek neutraal zijn, maar die wel civil servants willen zijn en zo ook bejegend. De Europese laag verhoogt de graad van complexiteit, maar zonder opgave van redenen blijven zeuren over een democratisch deficit, kan het bestel ook schade berokkenen. Kritisch de zaken bekijken, is hoogst nodig, maar wie wil dit vreedzame leven gedag zeggen en de vrijheid die we genieten? Het is nuttig bij de kritiek die vaak legitiem blijkt te overzien of de alternatieven zoveel beter zijn. Een volmaakte anarchie zou wel eens onleefbaar kunnen blijken, want die vergt nog meer zelfdiscipline dan een democratie, wil een grote meerderheid van de burgers er zich wel bij bevinden. Over een sterk centraal bestuur, onder het waakzame oog van een chef - als dat al kan - hoeven we het niet te hebben, hoop ik. Dat is nu juist wat bij de heisa omtrent CETA aan de orde is: we zeggen elkaar graag na dat het allemaal niet deugt en al zeker de ambtenaren niet. Staat u me dan toe dat bestel toch enig krediet te geven.


Bart Haers

  












[i] https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=qrva&language=nl&cfm=qrvaXml.cfm?legislat=53&dossierID=53-b040-603-0172-2010201102687.xml

Reacties

Populaire berichten