Strijd om de waarheid



Dezer Dagen



Wereldbeelden in confrontatie
Ervaringswerelden botsen

Beeld van een supernova. 
Georges Le Maître werd herdacht en Rik Torfs gaf er een lezing over hoe bij Lemaître, de man die uit de relativiteitstheoriën en het idee van het uitdijende heelal afleidde dat er ergens een begin geweest moet zijn, de Big Bang, toch ook aan zijn geloof vast wenste te houden. Een ware wetenschapper laat het niet over zich heen komen en reageert. Maar begaat Senne Starckx zo geen vergissing, door alleen de exacte wetenschappen als model van wetenschappelijke kennis voorop te stellen?

Het is een oude frictie tussen mensen die zich tot het vrijdenken bekennen en zij die zich met wetenschap inlatend toch nog tot het geloof bekennen, het christelijke, katholieke geloof, want het ene zou het andere moeten uitsluiten. Wie de beginselen van de fysica heeft begrepen en wie zich heeft laten meevoeren in de wereld van quarks en bosonen, weet dat er voor God geen plaats meer is. Maar wat voor wereldbeeld, welk mensbeeld levert dat dan op? En de gelovige die het credo afdreunt in de wekelijkse eucharistie, kan die wel ernstig bezig zijn met donkere materie en ontkennen dat er van de aard van het licht een merkwaardige betovering uitgaat.

Vrijdag 2 december hield Robbert Dijkgraaf in DWDD university een exposé over het licht en wat dat nu eindelijk is. Het gaat om empirisch verworven inzichten en de mathematische vertaling van aspecten van het licht, als golf en als deeltje. Maar ook hoe wij licht zien en kleuren en op de een of andere manier was het niet onttoverend want het werken van het brein, wanneer de hardware, de kegeltjes en staafjes in het oog hun werk hebben gedaan, komt pas dan op gang, want ben je getuige van een zonsopgang in de Beaujolais of een zonsondergang bij Saint-Malo, telkens zal je het spel van de kleuren begrijpend, omdat het verlengen van de golven door het zwerk een roodkleuring meebrengt, toch de kleurenpracht laten bezinken. Maar tegelijk kan zo een ontwaken met het opstaan van de zon de dag werkelijk kleuren, al is daar geen wetenschappelijke verklaring voor te geven. Opgelet, bedenk ik, want ongetwijfeld zullen psychologen proberen te verklaren waarom we vrolijk wakker worden als de zon haar dagreis aan de kim aanvat. Overigens, ook de nachtelijke hemel kan zo een eigen poëtische snaar raken, waar de wetenschapper die met radiotelescopen of infrarode kijkers naar de Melkweg kijkt, misschien niet meer genoeg aan heeft. Wat is er immers mooier dan het beeld van een supernova die pas ontdekt werd ver voorbij onze Melkweg?

Het probleem dat Rik Torfs benoemd, namelijk dat men de beide wegen van kennis kan bewandelen is voor de ware wetenschapper een onmogelijk aannemelijk te maken inzicht want die wetenschapper erkent de geldigheid van de reis via de religie niet. Torfs meent dan dat die wetenschapper wellicht zijn bereik van kennis beperkt en daarmee het risico loopt aan religie een waarheidsgehalte heeft die de wetenschap zelf niet kan claimen, al was het maar omdat wetenschappelijke kennis in wezen voorlopig is. De discussie over de donkere materie en donkere energie dan wel de vraag die recent opgeworpen werd, of de zwaartekracht niet een te verwaarlozen grootheid zou zijn, waardoor men wel kan komen tot een Grand Unified Theory, dan wel via de snaartheorie een aan diepere werkelijkheid kan beschrijven. Newton noch Einstein worden dan irrelevant, wel blijkt de beperking ervan en blijken ze dus minder universeel te gelden dan tot nog toe aangenomen.

Senne Starckx vindt het niet prettig dat Torfs de wetenschap het verwijt in de schoenen schuift dat door haar toedoen de onttovering op gang zou zijn gebracht, maar sinds Plato speelt de verwondering een niet geringe rol in het wetenschappelijke onderzoek. Ook Newton was tussen de bedrijven door bezig met alchemie en wilde het boek van God lezen, de these van de wetenschappelijke inzichten als uitdrukking van Gods wil.

Over wat of wie god is, kan men veel vertellen, maar terecht verwijst Torfs naar de negatieve theologie, want we kunnen het niet zo gauw weten wat God is en wat zijn werkzaamheid is. Voor de antitheïsten, aldus Torfs is dat voldoende om hem elk bestaansrecht te ontzeggen, maar waarom heeft de mens zijn Gilgamesj geprobeerd het bovenpersoonlijke en transcendentale een plaats en vertaling te geven? Die antropologie is voor de wetenschapper van geen tel, tenzij hij of zij inziet dat hier het menselijke boven komt drijven. Het gaat om verbeeldingskracht, maar ook om ervaringen van het onbestemde dat ons ontgaat en toch aanwezig lijkt. De discussies doorheen de afgelopen twee millennia hebben bewonderenswaardige kunststukjes opgeleverd van denken,  al zoemt altijd op de achtergrond een beetje vroomheid mee.

Als men de rijkdom van de voorstellingswereld in het geding brengt en probeert te begrijpen waarom mensen nadenken over een kwestie als de relatie tussen God en Tijd, concreet: waar was god mee bezig voor de schepping van hemel en aarde? Wat was er voor de singulariteit expandeerde? De ene vraag is al evenzeer van zin verstoken als de ander, maar het zijn wel vragen die mensen wel eens bezoeken. Als er geen voor de schepping is, denkbaar is, kenbaar ook, wat hebben we dan met die God? Als die singulariteit er was, maar we kunnen er verder niets over zeggen, bijvoorbeeld waar die vandaan komt, dan is het begin van de expansie ook het absolute begin van het universum dat we kennen. Nu heet het dat er mogelijk meerdere (parallelle) universa zijn, waar we overigens ook niets zinvols over kunnen zeggen omdat we het nooit zullen beleven dat we er maar een glimp van opvangen.

Kortom, het wereldbeeld gaat over veel, in zekere zin kan men van de natuurwetenschappen veel verwachten, maar niet dat ze ons met de menselijke natuur in alle diversiteit die we kennen op dat vlak iets zinvols kan zeggen. Het brein? Met prachtige fRMi-scans kan men veel ontdekken en men kan met deep brain stimulation al veel bereiken en het comfort van mensen verbeteren, maar tegelijk blijkt men op vele vlakken nog niet doorgedrongen in het functioneren van dat brein. Het helpt ook niet dat Dick Swaab blijft betogen dat ons brein los zou staan van ons "zelf", hij kan toch niet aannemelijk maken dat mijn bewustzijn, hoe moeilijk ook concreet te vatten in het zenuwstelsel wel degelijk iets bijzonders is, wat vooral blijkt als we het niet goed meer weten, als ons bewustzijn het laat afweten.

De claim accuraat te kunnen weergeven hoe het licht zich beweegt en hoe massa zich verhoudt tot energie, kan men de wetenschap uiteraard niet ontzeggen, de claim met grote zekerheid de transformatie van genen bij het constitueren van wie en wat we zijn, te kunnen beschrijven, staat ook wel vast. Het probleem is dus van een andere orde, want als je de ontwikkeling volgt hoe we inzicht hebben verworven in de genetische aard van dieren en mensen, van de dubbele helix en van het hele genoom, dan blijft de verwondering hoe die codering ons maakt tot wie we zijn, in hoge mate maar niet helemaal.

Men beschrijft economische gebeurtenissen graag in wiskundige taal, maar onder anderen Tomas Sedlacek wijst erop dat dit niet het hele verhaal is. Begrijpen dat macro-economie wel degelijk heel wat informatie kan opleveren, maar ook dat het zelden gaat over wat mensen doen, dag na dag en hoe ze omgaan met zekerheden en vooral met onzekerheden, laat zien dat voorspellingen vanwege economen niet altijd even adequaat uitpakken. Simulaties maken is best boeiend, de werkelijkheid zit doorgaans chaotischer in elkaar dan de modellen laten zien. Het is van belang de mogelijkheden te zien en de beperkingen van die modellenbouw te begrijpen.

Mag ik stellen dat de actuele discussie over wetenschappen en geloof ook handelt over de vraag wie het beste een alomvattend antwoord kan bieden op de zogenaamde existentiële vragen of de zingeving van het bestaan, dan is het antwoord wellicht dat beide, de weg van de wetenschappen - beperkt tot de exacte wetenschappen - en de weg van het (katholieke) geloof nergens toe leiden waar we graag zouden uitkomen, bij absolute zekerheden. Maar kunnen we niet voorbij aan de inzichten van de fysica, chemie, biologie, maar dus ook psychologie, aardrijkskunde en geschiedenis, filosofie ook, dan kunnen we wellicht nog menen buiten de religie om goed te kunnen leven en het valt niet te bewijzen dat dit niet zo zou zijn. Maar of men kan leven zonder die hele santenkraam van verhalen en betekenissen, van voorstellingen en ervaringen die aan een traditie gelinkt kunnen worden, valt moeilijker hard te maken. Men hoeft Kerstmis niet te vieren, men kan zonder pinksterviering door het leven, want ik doe het al jaren, al blijft idee van Pinksteren, met het verwerven van tongen en het verspreiden van de geest via vlammen, wel intrigerend. In de afgelopen eeuwen was een gelovige een toonbeeld van een obscurantistische zeloot, terwijl aan het begin het christendom gelovigen golden als dragers van een nieuw licht.

Philip van Loocke schreef in 2008 een boek waarin hij uiteenzette hoe het wereldbeeld van de wetenschappen tot stand was gekomen en hoe we daarmee verder aan de slag kunnen. Het was ook wel een cursus voor zijn studenten, maar toch blijft het opmerkelijk dat het in de brede media niet meer aandacht heeft gekregen of voer werd voor een heftige maar leerzame discussie. In de plaats daarvan blijft men ons plat slaan met verouderde argumenten. Dat Diderot en co vochten tegen de machten die zijn en daarbij met genoegen de kerk allerlei wandaden toeschreef, die vaak ook waar waren, belette niet dat Diderot zelf wel de kerk wenste te verdrijven uit het centrum van de macht, maar dat hij in zijn romans de tradities zelf niet afzwoer, wat men vandaag weer wel wil. Is de kritiek aan het adres van de scholastiek terecht dat het op een bepaald ogenblik een bezigheid was voor mensen die zich met de gewone dingen des daags niet meer inlieten, terwijl onder meer Thomas van Aquino net wel nog oog had voor mensen zoals die zijn en niet zoals ze zouden moeten zijn, mag ons niet ontgaan. Elk systematisch denken kan ontaarden in maniërisme en wereldvergetelheid.

Zal dat debat over de onverenigbaarheid van religie en wetenschap altijd wel onvermijdelijk blijken, dan zal men ook vaststellen dat de betekenis van wetenschappelijke inzichten niet altijd zo gemakkelijk te presenteren zijn als ontegensprekelijk, want dan krijgen die ook een aura van dogmatische zekerheid, vooral wie er niet de achtergronden van meekrijgt. Het is belangrijk in het onderwijs mee te geven dat Darwin en anderen tot de evolutietheorie besloten hebben, maar evengoed is het van belang te begrijpen dat de bestaande verklaringsmodellen voor de verscheidenheid aan soorten noch voor het gegeven dat die verscheidenheid niet zo maar lukraak tot stand is gekomen, al zat er geen plan, geen design achter, laat staan een intelligent design. Maar wat dit betekent voor onze zelfbepaling als menselijke wezens, blijft dan altijd nog een andere vraag. Het feit dat er in de VS maar ook in onze landen groepen mensen zijn die de evolutietheorie afwijzen want in strijd met hun religieuze opvattingen over de schepping en een almachtige god, verontrust velen, maar de kwestie is wel hoe men hen, de kinderen van zulke ouders met die inzichten vertrouwd maken zal. Hen verplichten die waarheid aan te nemen, kan immers ook ongewenste neveneffecten hebben. Hoe dus een wetenschappelijk wereld- en mensbeeld aanreiken en zorgen dat ze er geen fundamentele bezwaren tegen maken, blijft een moeilijker te behandelen kwestie dan de tegenstanders van eender welk godsgeloof zich willen inbeelden. Het feit dat we los konden komen van het godsgeloof, van een of ander geloof in een almachtige god, laat onverlet dat mensen vaak het wetenschappelijk gefundeerde wereld- en mensbeeld ontoereikend vinden en dat ze in hun bestaan de oude verhalen nog wel een plaats geven, bij gebrek aan beter, in hun ogen.

Een voorbeeld zou de vraag kunnen zijn hoe we het oude en het nieuwe verbond tussen God en de mens, mensen moeten bekijken. Wie aan God geen boodschap heeft, kan zich wellicht niet veel voorstellen bij het oude of het nieuwe verbond, maar voor mensen kan het hun plaats in de wereld beter funderen als ze met de wereld zoals die het geval is, ook iets kunnen hebben, er bekommerd om wezen en dan zijn er verhalen van doen. Ook het samenleven kan men niet goed inrichten als men zich beroept op wat sociologen en sociaal psychologen in de aanbieding hebben. Dan is zo een idee van een transcendent verbond aantrekkelijk.

Het feit dat mensen nog altijd geven om sint Niklaas en zelfs kerstdag vieren om de familie bij elkaar te zien, hoeft niet veel met god en kerk te maken te hebben om zinvol te blijken. Gezeur over de commercie rond de eindejaarsfeesten mag dan wel niet van de lucht zijn, het is wel een uiting van de welvaart die we kennen. Maar tegelijk vertellen die verhalen, zoals de Griekse tragedies of de werken van Shakespeare iets over hoe we als mensen met onze voeten in de modder staan. Maar dan komen we in een andere soort kennis terecht, die noch van goddelijke oorsprong is noch van wetenschappelijke aard, maar berust op wat men ervaring kan noemen.

Als ik iets mis in de discussies tussen gelovigen, christenen en andere en de voorstanders van een wetenschappelijk mens- en wereldbeeld, dan is het wel dat ze die oceaan van feiten die ons telkens weer voor verrassingen plaatsen en ons leven gunstig dan wel ongunstig kunnen beinvloeden negeren. Want ook die ervaringen kleuren vaak onze ethische opvattingen, onze inzichten over wat goed of niet goed moet heten en daar kan een rationele benadering vaak niet veel tegen inbrengen.

De hele discussie over hoe wetenschap en religie zich tot elkaar verhouden, heeft immers ook en vooral betrekking op hoe we denken te kunnen leven. Kan wetenschap inspireren tot een goed leven? Ongetwijfeld wel, zoals ook religie dat kan. Maar de sterilisatie van gehandicapte meisjes in Zweden, tot in de jaren 1970, buiten hun weten om, op grond van wetenschappelijke inzichten was dus in lijn met de stand van zaken in de wetenschappen. Maar was dit het beste dat men kon doen? Wat voor invloed had die aanpak op het leven van die meisjes en vrouwen en wat was of is het alternatief? Hoe het leven mensen voor vragen kan stellen waar wetenschappers noch priesters een goed antwoord op hebben, blijft in het debat onbesproken en dat lijkt mij een gemiste kans, want de oude discussies zijn toch al lang beslecht, zou ik denken. Helaas dus, men blijft doorgaan op de oude tonen.



Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten