Aandacht voor de palaver of liever het machtswoord




Dezer Dagen


Acephale samenleving
vs
monocephaal leiderschap


Het Frankfurter Parlement (1848 -1849) wist
niet tot het gestelde doel te komen: een liberale
grondwet voor Duitsland. De kwestie is of dat
aan de Groot-Duitse kwestie lag (Duitsland met
of zonder Oostenrijk) dan wel aan het
ontbreken van een sterk leiderschap, dat
de hoofden tot dezelfde richting
uit te laten kijken. 
Terwijl de discussie zonder ophouden gaat, over wat we verdedigen als we de democratie willen verdedigen, merken we niet dat we ten gronde botsen op de vraag of we naar een acephaal bestel kunnen doorgroeien, waarbij niet langer een figuur de macht incarneert om de dingen te veranderen in plaats van een samenleving waar velen betrokken zijn bij het bestuur en gezamenlijk de knoppen omzetten, als dat nodig mocht zijn. De kritiek op Europa heeft veel met dat acephale bestel te maken, de verafgoding van leiders, bijvoorbeeld ook bij linkse partijen, staat voor een monocefaal leiderschap, waarbij iedereen maar moet doen wat de leider beveelt.

Voor de goede orde, zou de N-VA een monocephale partij wezen of net acefaal? De tegenstelling is niet altijd valabel, of beter, tussen beide uitersten bestaat de democratie, die niet monocefaal is, maar wel mensen een leiderschap opdraagt, dat niet altijd efficiënter is, maar waar de verantwoordelijkheid wel duidelijker vastgelegd is. In een partij als de N-VA bestaat vanouds de afdelingsvergadering, de arrondissementele raad en vervolgens de provinciale, omdat dit de nieuwe kiesomschrijving is, sinds Guy Verhofstadt zijn kansen wilde vergroten. Centraal is er de partijraad, het Partijbestuur en het Dagelijks Bestuur... waarbij telkens vormen van inspraak de almacht van de chef ingeperkt, als men dat zou willen.

Wie bekijkt hoe er nu partijen opkomen die bewust elke democratische partijstructuur afwijzen en zichzelf voldoende sterk achten om het allemaal te bestieren, zal merken dat we met inspraak niet altijd goed overweg kunnen. Het probleem is dat de media de interne dynamiek van partijen, zeker regeringspartijen graag uitventen en er meteen een rapport van de chef van maken, een negatief rapport wel te verstaan. Zonder leedvermaak moet men vaststellen dat bij de Vlaamse sociaaldemocraten, zoals ook bij de Nederlandse de interne dynamiek zwaar verstoord werd door de wijze waarop de media elk strootje dat scheef zat uitventten als een aanzet tot een personeelswissel aan de top. Wouter Bos, Diederik Samsom en nu dus Lodewijk Asscher, die elkaar binnen zes jaar opvolgen en dan vergeten we nog de voormalige burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, die in de Tweede Kamer der Staten-Generaal geen spaander wist te klieven.

Partijen de mogelijkheid ontzeggen een intern debat te voeren en elke discussie als een majeur conflict voor te stellen, maakt de interne besluitvorming onmogelijk en vooral sluit het een minimale redelijkheid uit. Het vraagt een zekere koelbloedigheid de grote baas tegen te spreken, maar doorgaans kan men met goed overdachte argumenten wel een discussie op gang brengen en initiële standpunten helpen wijzigen, als de eerste aanname niet blijkt te kloppen. De N-VA was in de tijd van het kartel met CD&V in de Vlaamse regering bereid de hervormingsagenda die aan universiteiten en in onderzoeksgroepen was ontworpen te ondersteunen, tot bleek dat men zich op bedenkelijke data beriep. Er zijn toen enkele discussies gevoerd, maar lange tijd bleef men de pedagogen en sociologen volgen terwijl duidelijk was dat zij bewust negeerden dat het secondair onderwijs in Vlaanderen wel degelijk mensen kansen gaf en dus toeliet een lift te nemen in de sociale mobiliteit. Zelf heb ik veelvuldig over de schandalige manipulatie geschreven, maar pas aan de vooravond van nieuwe verkiezingen koos de voorzitter voor een eigen standpunt, dat bij het onderwijzend personeel wel aansluiting vond. Beweren dat ik het onderwijsstandpunt heb bijgestuurd, zou verregaande zelfoverschatting zijn, maar dat ik wel degelijk het debat mee heb gevoerd, is wel zeker.

Het punt is dat de Algemene voorzitter blijkbaar door wel meer mensen gewezen was geworden op het feit dat het programma dat de bekende onderwijsbonze George Monard voor ogen had staan niet meer beantwoordde aan de noden van de tijd en niet toelaten zou dat mensen zich konden ontwikkelen en sneller dan verwacht sociale promotie zouden maken. Hoe men ermee omgaat, blijft altijd nog een wonderlijk verhaal, dat sociologen niet altijd kunnen vatten. Men heeft een theorie ontwikkeld, mede door toedoen van Pierre Bourdieu waaruit moet blijken dat wie niet tot de betere klassen behoorde nooit het sociale kapitaal zou verwerven, hoe hard men ook zijn of haar best zou doen. Migranten hebben per definitie bijna nooit het passende sociale kapitaal en toch slagen zij erin vaak toch de sprong te maken. Het gaat niet per se om aantallen, maar wel om persoonlijke ondernemingen. Als er genoeg mensen zijn die de sprong maken, zal de samenleving onmiskenbaar veranderen. Niet iedereen overigens wil dat anderen die sprong maken en een burgerlijk leven mogelijk maken. Wie de sociale geschiedenis van Vlaanderen sinds 1894 en de aanzet tot meer democratische vertegenwoordiging bekijkt zal merken dat generatie na generatie meer mensen humaniora gingen volgen op college of aan het atheneum volgen, maar dat succes niet verzekerd was. Toen men de democratisering wilde versnellen, was de democratisering zo niet voltooid, dan toch in verregaande mate gerealiseerd.  

Dezer dagen kan men hier en daar lezen dat het er de middenklasse om te doen is hun voorrechten te behouden en niet langer met een open blik naar de samenleving kijken. Mogelijkheden om veranderingen te aanvaarden worden moeilijker en daarbij komt steeds meer aan het licht dat er een zelfverklaarde elite het beleid lijkt te monopoliseren. Er speelt dan nog iets anders mee, de idee dat men een idee zo zuiver mogelijk moet realiseren. Het M-decreet vormt daar een helaas tragisch voorbeeld van. Het opzet is een gevolg van een VN-resolutie, waarbij men er alles aan wil doen om mensen met een beperking te laten deelnemen aan het sociale leven en niet verplicht in een zeer beperkende omgeving te moeten leven, ook al blijkt die oprecht de beste bescherming te bieden. Alleen gaat de redactie van het M-decreet zover de gevolgen van een beperking buiten beeld te houden, maar wil men gewoon dat elk kind en elke persoon met een beperking tot alles toegang krijgt. Dat de politieke en sociale filosoof Arnold Burms bedacht heeft dat zijn studenten m/v moeten nadenken over wat het toekennen van positieve vrijheden tot een holle kreet kan maken. Hij legde uit aan zijn studenten dat met een blinde naar een museum gaan om "De Dulle Griet" te bekijken, wel heel erg ver gaat, als men zo die persoon met een visuele beperking een onrecht ongedaan wil maken. De oorzaken van de visuele beperking kunnen vele zijn, maar de persoon zelf kan genoegen scheppen in andere waarnemingen, auditieve. Het helpt dus niet een persoon met een beperking te laten geloven dat men die beperking zomaar kan opheffen en zo een "onrecht" ongedaan kan maken. Hoe het wel moet, zal veel overleg en veel praten vergen.   Men zou het ook raar vinden dat iemand die niet over een basiskennis natuurkunde beschikt wegens beperkte capaciteiten naar een lezing over de snaartheorie zou moeten kunnen luisteren. Daar heeft niemand iets aan. Niet iedereen is dus vatbaar voor dezelfde soort ervaringen en genietingen. Maar met onrecht heeft dat pas te maken als iemand bewust de toegang ertoe onthouden werd. Schoolmeesters en -juffen begonnen er al vroeg aan, die genoegens te leren verkennen. Elk had en heeft daarbij een eigen aanpak, zodat er de garantie is van veelvuldige aanrakingen. Een al te strikte sturing van bovenaf kan voor de onderwijzer of juf, maar ook voor leerlingen voor een aversie zorgen.

In onze samenleving blijkt de kern van het probleem te wezen dat men jongeren stemrecht wil geven, maar volwassenen de indruk opgedrongen krijgen dat ze niet (meer) in staat blijken deel te nemen aan het publieke debat of erger nog, hun eigen keuzes te maken. Het gaat erom dat men voor alles specialisten wenst te vinden zijn die ons kunnen helpen bij onze voeding, onze mobiliteit en wat al niet meer en telkens weer weten te vertellen wat we niet goed zouden doen. Het valt op dat men zelden die negatieve beoordelingen ter discussie stelt, tot iemand zich als specialist wil vestigen en met kolhydraten en eiwitten gaat klooien.

Het opvallende is dat vooral in acephale samenlevingen die experten zorgen voor de zekerheid die bestuurders denken nodig te hebben om hun besluitvorming te argumenteren. In monocephale regimes komen die specialisten vooral bij de grote baas terecht, maar ze zoeken vooral wat hem, zelden haar, goed uitkomt. Als het goed is kunnen ze dan nog eens een graantje meepikken. Men kan experten thermonucleaire centrales maar beter vertrouwen en hopen dat ze hun opdrachten ter harte nemen. In andere domeinen, zoals de sociale wetenschappen kan men maar beter wel aandacht hebben voor wat experten vertellen, maar dient men hen ook te vragen wat ze willen bereiken: kan men zomaar de visie van John Rawls, zoals uiteengezet in "A theory of justice" onderschrijven dat men zou moeten leven alsof men van huis uit niet enkele mogelijkheden heeft gekregen? Kan men van Raphael Sommer, zoon van Leopold en Alicia Herz verwachten dat hij zijn talent als musicus niet zou hebben aangewend, omdat hij toch maar bevoorrecht was? Gelijkheid nastreven en het persoonlijke daarbij negeren kan de samenleving en individuen schade toebrengen. Tony Judt heeft dat in zijn autobiografische aantekeningen uitgelegd aan de hand van zijn conflict met de Kibboetz waar hij in zijn jeugd tijdens de zomers heen was gegaan. Op een bepaald moment wilde men hem dwingen af te zien van een studie, want de dienst aan de gemeenschap stond voorop. Zo een kibboetz leek acephaal te functioneren, maar Judt bleek zich bewust van het onuitgesproken leiderschap binnen de gemeenschap.

 Parlementaire assemblees werken doorgaans zo dat de verschillende partijen elkaar voortdurend ter verantwoording roepen. Maar juist als het om "social engineering" gaat blijkt de consensus groter dan men zou verwachten. Liberalen stellen dat ze de (persoonlijke) vrijheid hoog in het vaandel dragen en toch zijn de parlementaire fracties van de liberalen op dat terrein, van de sociale engineering wel degelijk bereid ver mee te gaan. De verklaring kan zijn dat men het wel graag over vrijheid heeft, maar het handwerk van de vrijheid niet meer in handen heeft. Meer nog, vanuit een aantal filosofische instellingen wint de gedachte veld dat vrijheid een illusie zou zijn. De argumentatie haalt men dan bij hersenwetenschappers die menen dat ons brein ons stuurt. Tja, het knippen van de vinger, weet u wel, maar wat dan met de gedachte dat mensen wel eens iets ondernemen dat de anderen niet hadden verwacht.

In een democratie zoekt men net daarom wel eens nieuwe zekerheden, omdat het acephale karakter zorgt voor onzekerheden en de verantwoordelijkheden liggen ook niet onwrikbaar vast, althans, in de mate dat het gerecht niet doet wat moet. Regels, normen en waarden moeten evenwel niet altijd door de rechter afgedwongen worden, want de publieke opinie kan ook wel wat bereiken. Het punt evenwel is dat men de publieke opinie niet meer wenst te vertrouwen, want men heeft die zelf te vaak proberen te manipuleren. En mensen die zich geroepen voelen om politici de maat te nemen, doen dat vaak zeer persoonlijk en dan spreekt niet altijd voldoende kennis van het beleid mee, terwijl sommige kwesties ons wel betreffen en dan moet men goed gaan zoeken.

De monocephale samenleving legt de verantwoordelijkheid bij de opperste baas, die meestal kan rekenen op een groep mensen die blind vertrouwen in zijn macht zodat ze vrij zijn de boel te belazeren. Het gevolg van de almacht van een persoon is dan ook doorgaans verregaande corruptie. In een acephale samenleving ziet men het niet goed mogelijk dat niemand tegen een begin van corruptie zou optreden en recht halen bij de rechter. Maar als velen meespelen in het ballet van kleine steekpenningen, zal dat ook weer moeilijker worden.

Toch moeten we net daarom de trias van rechtsstaat, vertegenwoordigende democratie, c.q. parlementaire democratie, en een autonome administratie die de staat dienen en niet de belangen van een toevallige passant, c.q. een minister in stand houden. Tegelijk zal men van politici in zo een bestel ook een zekere terughoudendheid verwachten, niet alles tot in details willen regelen of niet afgeven op medioren, pas met pensioen en omwille van persoonlijke plannen op weg tijdens de ochtend- of avondspits. De samenleving behoeft regels, wetten en normen, maar waarden zijn persoonlijk en toch ook product van een maatschappelijke en culturele consensus. Of mensen echt kunnen zeggen dat ze door het beleid en de beleidsmakers vergeten zijn, niet gehoord worden, moet nog maar eens goed overwogen worden.

Populisme gaat ver in het belazeren, want de politici die sinds Leo Tindemans en Joop den Uyl premier waren in respectievelijk België en Nederland het mooie weer hebben gemaakt, hebben velen, vooral de zwijgende meerderheid goed bediend en dat heeft mee de welvaart nog verder opgedreven. Men heeft sinds 1979 een rechtstreeks verkozen Europees parlement en men kan er veel van zeggen, maar dat het gewoon een bende postenpakkers zouden zijn, lijkt me zeer overtrokken. Alleen, zal ik het kunnen bewijzen dat die politici in Brussel (en Straatsburg) het helemaal te grof hebben gemaakt en niets hebben gerealiseerd. Dat is een kwestie van nauwkeurig de feiten overzien, denk ik en dat kan men niet in een zin. Kritiek moet ook gefundeerd zijn, zeker in een acephale samenleving, want men weet dat niet alles altijd even glashelder blijkt en bovendien, maar dat is een ander hoofdstuk, dient men in een acephale samenleving ook aandacht te hebben voor training in overleg, zodat men kan luisteren, maar ook adequaat een inzicht presenteren. In een monocephaal bestel volstaat het te weten dat men het oor van de chef heeft.  

Bart Haers  








Reacties

Populaire berichten