Hoe autonoom is diversiteitsambtenaar



Dezer dagen



Primaat van de politiek
Onafhankelijkheid van de ambtenaar




Piet Vantemsche is uitgegroeid
tot een voorbeeld van de commis
d'état, die zich met grote inzet
voor het algemeen belang inzet,
niet als polticus, maar als
ambtenaar of kabinetsmedewerker/
-chef en als hoofd van een nieuw
agentschap. Nu schreef hij rapport
over verbod onverdoofd slachten. 
Wat is dat, een onafhankelijk ambtenaar, die zich met discriminatie en vooral de voorkoming ervan moet inlaten? Welke maatstaven hanteert men als het over diversiteit gaat bij het ambtenarenkorps? De minister zou hem of haar niets mogen zeggen laat staan in de weg leggen. Er zijn verdragrechterlijk instellingen ontstaan die het beleid moeten controleren zonder dat de politiek daar iets over te zeggen zou hebben. Klopt dat wel, kan het wel dat politici mensen geen rekenschap mogen vragen?

Ambtenaren? Zij zijn de wissel tussen de politiek en de samenleving en hoewel men hen vaak bekrompen wil noemen of erger, ze oefenen in de samenleving al sinds de tijden van Nebukadnezar, sinds er organisatievormen van steden en staten bestaan die het lokale en kleinschalige overschrijden de macht bij delegatie uit. Er is in de huidige politieke wetenschappen, als we naar onze (Vlaamse) experten luisteren weinig aandacht voor de verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheidszin van ambtenaren en hun rol in het politieke bedrijf. Beleidsvoorbereidend werk? Wie goed toekijkt merkt dat politici niet kunnen zonder de inbreng van ambtenaren die de mogelijkheden op het wettelijke vlak en op het niveau van de haalbaarheid, de werkdadigheid en dus zouden politieke wetenschappers dit ook grondig moeten onderzoeken. Kan men een beleidsniveau bedenken waar er geen politieke assemblee en geen uitvoerende politici actief zijn om de ambtenaren aan te sturen en verantwoordelijkheid te dragen voor de fouten, als die in het volle licht komen te staan? Maar krijgt dat apparaat ooit een bloemetje, afgezien van hulpdienst bij rampen en aanslagen?

Politici, ministers vooral vinden dat ambtenaren moeten doen wat zij hen opdragen en willen niet te veel discretionaire bevoegdheid geven aan de ambtenaren. Toch zagen we de afgelopen decennia gezien dat politici ambtenaren op sommige terreinen meer autonomie gaven, om ongewenste inmenging door politici te bemoeilijken. Daar werd of wordt de onafhankelijkheid van de ambtenaar in hoge mate gerealiseerd waar politici vinden dat het gevaar voor allerlei ongewenste vormen van beïnvloeding het grootst is. Er zijn ook specifieke ambten, zoals dat van de ombudsman, dat de kwaliteit van de werking van de overheid moet controleren en klachten van burgers onderzoeken en eventueel bemiddelen, waar onafhankelijkheid een basisvereiste is. Een ombudsman moet de werking van een minister tegen het licht kunnen houden zonder daarvoor de rekening te betalen.

Francis Fukuyama heeft in zijn imponerende synthese "The origins of our political order" twee punten centraal gezet: de groei van samenlevingen tot een niveau waar anonimiteit elke vorm van direct contact tussen een vorst, president... en al zijn burgers onmogelijk is, terwijl aan het begin van de geschiedenis van de mensheid we met kleine verwantschapsgroepen te maken hadden. Toen de landbouw een betere garantie voor overleven bleek dan het jagen, vissen en verzamelen van vruchten en bessen, kruiden ook ontstonden grotere gemeenschappen en naarmate de gemeenschappen groeiden ging de verwantschapsgroep op in grotere gehelen, tot in de Polis en de grote rijken de grote aantallen leidden tot anoniem onderdaanschap en later dito burgerschap. In de mate dat organisaties groter werden kon ook een vorst steeds minder persoonlijk alles regelen. Ambtenaren werden dus steeds belangrijker om alle gestelde doelen te bereiken. Alleen als die ambtenaren autonoom van de politieke machten de wetgeving zonder onderscheid des persoons toe te passen, kan men er van verzekerd zijn dat de gelijkheid van burgers voor de wet gegarandeerd kan worden. Natuurlijk blijven de ministers verantwoordelijk tegenover de assemblee van verkozenen over het werk van de ambtenaren...

Het meest opvallend aan de evolutie van de Europese en Amerikaanse politieke cultuur is dat de rol van de leider, de president in de VS, regeringsleiders steeds groter werd terwijl hun invloed op de besluitvorming steeds lastiger aan te tonen viel. Maar precies in anonieme samenlevingen is het gezicht van de macht belangrijk en daarop hebben politici hun acties weten te richten. Wat men deed was zorgen dat men een gezicht werd dat betrouwbaar wordt geacht. Zonder de media kan dit niet, maar aangezien de media voor vele burgers aantoonbaar besmet werden met partijbelang - nadat oude structuren (in Vlaanderen en Nederland bekend als verzuiling) in elkaar waren gestort - bleken de kranten en omroepen steeds meer commercieel nut te vinden in het afschieten van politici omwille van zogenaamd immoreel gedrag, terwijl matige beleidvoering doorgaans ongemerkt voorbij is gegaan.

Het primaat van de politiek? Het is geen nieuwe toverterm want het is de basis zelf van de representatieve democratie dat niemand afdwingbare wetten mag maken en afkondigen dan de verkozen assemblee. De macht is vaak verschoven naar de uitvoerende macht en het parlement gedraagt zich wel eens als een stemmachine, omdat men geen meerderheid teloor wil laten gaan, maar waar de verkiezingsresultaten tot rond 1991 vrij voorspelbaar waren en de kiezers vrij stabiel hun stem uitbrachten was dat in België en zeker Vlaanderen vanaf 1991 niet meer het geval. Ook Nederlandse politici kregen af te rekenen met min of meer onvoorspelbare resultaten en dat ligt niet enkel aan het gevoerde beleid, maar aan het beeld dat mensen zich hebben gevormd van het beleid. Hoewel we tussen 2008 en 2010, 2011 met nogal wankele situaties te maken hadden en sommige pensioenfondsen hun uitkeringen verlaagden omdat men op de belegde sommen minder return boekte, diende men het eigen vermogen te borgen en dus wat minder uit te keren. Toch kan men niet zeggen dat het systeem voor zover we het konden weten echt heeft gewankeld, onder meer dankzij de bankiers in Frankfurt en hoge ambtenaren, zeker ook dankzij de verantwoordelijke politici, ook in de parlementen. Maar zelfs een lange periode van lopende zaken, zonder een ingezworen regering, zorgde in dit land niet voor chaos, wat men in het buitenland wel had verwacht.

Voor politici moet het lastig zijn impliciet te erkennen dat er ambtenaren zijn waar ze niets over te zeggen hebben, omdat die een grote onafhankelijkheid van node hebben. Intussen boeken al eens externe experten als Alexander D'hooghe succes in onmogelijke situaties waar burgeractivisten en overheden elkaar in een wurggreep houden en er geen beleid meer mogelijk is. Ook een oudgediende uit het middenveld, de gewezen voorzitter van de Boerenbond, Piet Vantemsche en betrokken geweest bij zowel de Dioxinekwestie als kabinetchef en ook als zelfstandig adviseur, wist een heet hangijzer uit het vuur te halen, de kwestie van het verbod op onverdoofd slachten, waarbij de vrijheid van religie tegenover de gevoeligheden van een moderne samenleving in het geding zijn. Hij was de grote baas van het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid en deze bevoegd voor de controle op landbouwbedrijven/veeteeltbedrijven en op de verwerkende industrie, om een herhaling te verhinderen van de dioxinecrisis, waar zijn minister, Karel Pinxten zich geen raad mee had geweten en dat naar mijn aanvoelen in de media harder dan nodig is opgeklopt geworden. Ook de ambtenaren van het FAVV, het Voedselagentschap, zijn in principe onafhankelijk, zeker als hun minister ook bevoegd is voor landbouw.

Het is daarom dat ik wel vragen heb bij de discussie over de rol van een diversiteitsambtenaar. Ook op dit terrein, de diversiteit van de ambtenaren bij de Vlaamse overheid verzekeren kan men stellen dat die ambtenaar liefst niet teveel het oor moet laten hangen naar wat de minister wil. Maar beide partijen, de minister en de diversiteitsambtenaar moeten beleid dat kamerbreed gedragen wordt uitvoering geven. Dat beleid is via resoluties tot stand gekomen en de ministers ter zake bevoegd proberen er meer dan lippendienst aan te bewijzen. Alleen is het niet altijd mogelijk gelijkwaardige kandidaten te vinden voor jobs in het hogere kader van de overheid. Overigens, eerlang zal het aantal vrouwelijke alumni van hogescholen en universiteiten dat van de mannen overstijgen en dan zal het zoeken worden naar ... mannen. De diversiteitsambtenaar moet dus ertoe bijdragen dat het ambtenarenapparaat een zo goed mogelijke weerspiegeling vormt van de samenleving. Die idee is zeker lovenswaardig, al vrees ik dat men het vooral als een noodzaak wil voorstellen en daarover valt dan weer niet van gedachten te wisselen, zodat de politiek moet toegeven dat zij ofwel de kwestie in handen van een autonoom en gevolmachtigd ambtenaar heeft toebedeeld, ofwel moet de ambtenaar inderdaad werken met en vooral voor de minister.

Men zal altijd wel ondervinden dat ambtenaren zich naast de politiek willen zetten en politici zullen dan terecht het primaat van de politiek inroepen om zelf de nodige besluitvaardigheid en dadendrang aan de dag te leggen. Of we op termijn nog wel een beleid zullen hebben, bijvoorbeeld inzake voedselveiligheid of diversiteit dat in de Kamer ter bespreking kan komen, blijft nog maar de vraag. Politici, zeker aan de top voelen zowel een verpletterende verantwoordelijkheid als een even groot besef van onvermogen alles onder controle te houden en dat mag vooral niet blijken, want de oppositie zou er wel eens garen van kunnen spinnen. Maar nu we in Frankrijk te maken hebben met een ernstige mogelijkheid dat een zeer engnationalistische politica president kan worden, is gebleken, blijkt dat politici niet altijd alles in handen hebben, wel integendeel. Natuurlijk is er de Europese Unie, met het gemeenschappelijk beleid en met een Europees parlement, maar regeringen kunnen niet voortdurend de collegae van de lidstaten frustreren door bij herhaling besluiten af te wijzen. Ook is er de bestaande wetgeving in eigen land en kan men op de jurisprudentie wijzen. Dat bestond ook allemaal in de tijd van Vichy en zeker in de Republiek van Weimar, zal men zeggen. Maar de Weimarer politiek was verzwakt door de verdragen van Versailles en door de economische gevolgen daarvan. In 1947-1949 zou blijken hoe snel de burgers opnieuw in het normale beste gingen geloven en dat bleek ook na 1991, al konden de oud-communisten wel op enige trouw van hun kiezers rekenen.

Een stabiel bestuur is zeker wenselijk, met autonome ambtenaren, maar politici dienen wel, als verantwoordelijk tegenover de kiezers/burgers het laatste woord te hebben. Anders dreigt men in technocratische toestanden te belanden en op termijn is het ook niet zeker dat dit geen andere kwalen zal meebrengen. Een land besturen is meer dan hoog op het schild gehesen toekijken hoe de anderen aanmodderen. Ambtenaren zijn voor uitvoerende politici de handen, ogen en oren voor wat er in de samenleving gaande is, want die is anoniem en  mensen kunnen niet altijd met concrete dossiers naar politici, sinds het dienstbetoon in een kwaad daglicht is komen te staan en dat is maar goed ook. Diensten, zoals die van financiën zijn doorgaans toegankelijk en bereid vakkundig advies te geven.

Het blijkt dus van belang te begrijpen dat de rol van ambtenaren in het maatschappelijk functioneren van groot belang zijn en dat zij altijd weer moeten weten dat het volgen van de wetgeving primordiaal is, opdat de overheid het vertrouwen van burgers niet verliest. Maar de autonomie van ambtenaren bestaat er niet in dat zij wetten zouden maken of een staat binnen de staat vormen. Er zijn voorbeelden van en daarom moet men de werking van autonome ambtenaren hoe dan ook blijven controleren, door de politieke vergadering die hen aanstelt en ontslaat. Alleen dan kan men de minister laten verstaan dat deze niet over de aanstelling gaat. Anders ontstaat dubbelzinnigheid.


Bart Haers




Reacties

Populaire berichten