Kracht van emancipatie



Reflectie


Emancipatie & Vrijheid
wat met zelfontplooiing



Isala Van Diest, (1842 - 1916)
 dochter van een
vooruitstrevend stadschirurgijn
in Leuven, studeerde gymnasium
in Duitsland en geneeskunde in
Bern, waar wel vrouwen toegelaten
werden. Zelfs het uitoefenen
van haar beroep vergde een KB.
Over haar weet ik helaas
heel wat minder dan over
haar collega in Nederland,
Alette Jacobs.  
8 maart? Vrouwendag of dag van de Vrouwenrechten. Mooi, morgen is het weer voorbij, denkt een mens dan, maar het punt is dat de ene zegt dat ze doorgeschoten zijn en anderen houden het erbij dat het allemaal nog maar in de kinderschoenen staat. Vrouwenrechten? Couperus beschreef het wedervaren van een vrouw die ervoor wilde opkomen, maar altijd weer in de vliegwielen van de liefde en de geplogenheden terecht kwam. En dan is er die vraag die men niet zo gauw beantwoord krijgt: heeft men eenmaal alle rechten, wat doet men dan? Dit gaat niet over vrouwenemancipatie in het bijzonder, maar toch, men ziet vrouwen zelfbewust leven en andere blijven ijveren voor meer gelijkheid, maar verliezen soms de energie om hun eigen leven te leiden.

Ooit vroeg een vzw me om mee te werken aan een Vrouwendag in Brussel, ook al omdat ik me wat ingelezen had in dat fantastische avontuur, de strijd voor de ontvoogding van de vrouw. Marie Popelin, die rechten studeerde en vervolgens geen advocate mocht worden - en dus ook nooit magistrate - omdat men haar niet wilde inschrijven op de rol van de balie, was mij bijvoorbeeld bekend, maar ik had de indruk dat het verhaal nagenoeg onbekend was. Overigens kon ze uiteindelijk toch haar beroep uitoefenen. Of de Nederlandse arts dr. Alette Jacobs, die wel geneeskunde kon studeren, door een kier in de wet, die na haar afstuderen voor andere vrouwen weer afgesloten was. Het duurde dus maar, dat verbod om mensen te laten studeren en hun bekwaamheden te ontwikkelen. Dat men vrouwen geen beroep liet uitoefenen als arts of als advocate, hoogstens als vroedvrouw of als bloemenmeisje, dan wel in de fabrieken, had te maken met het feit dat men die dames niet geschikt achtte met het lichaam van zieke mensen, mannen op medisch aanvaardbare manier om te gaan. Een vrouwelijke advocate kon toch geen gauwdief verdedigen?

Het probleem was dat men meende, meest mannen, maar ook vrouwen dat men de natuurwet dan wel de door god gewilde orde niet mocht wijzigen. Overigens, hoewel men graag zegt dat socialisme en vrouwenzaken samen gingen, stelde die steun van de socialistische leiders niet altijd zoveel voor. Hoewel ook vrouwen zich bijvoorbeeld in Gent al vroeg verenigden in spaarkassen om de kraamkosten en behandelingen van aandoeningen die vrouwen aangaan te kunnen betalen, was het niet altijd zo gemakkelijk de emancipatie van vrouwen echt op gang te helpen. Wellicht moeten we zelfs betreuren dat ook progressieve lieden niet altijd veel ophadden met (vrouwen-)emancipatie.

Hoe we dat dan begrijpen, emancipatie in het algemeen? In tegenstelling tot het structureel wijzigen van wetten en regels, gaat emancipatie altijd ook om het persoonlijke en individuele, want ontvoogding betekent dat men de bestaande regels en normen tart en zichzelf een eigen autonoom bestaan bevecht, dat anderen, de machten die zijn niet vanzelfsprekend zullen erkennen. Bedenken we bijvoorbeeld hoe in het Rusland van Lenin de droom van vrouwenemancipatie in eerste instantie waar gemaakt werd, dat vrouwen zich volop mochten inzetten voor de revolutie, voor de modernisering van Rusland, maar hoe algauw de vrijheden weer ingeperkt werden omdat de revolutie en vooral de Partij de beheersing van de samenleving voorop ging stellen en dus verloren vrouwen hun verworven vrijheden, zoals iedereen.

Maar de emancipatie leidde ook niet altijd tot een groter bereik voor vrouwen om hun leven vorm te geven en soms lijkt het erop dat we zij die wel een bijzondere rol konden opnemen, zoals Emilie du Châtelet of Clara Wieck, bijna vakkundig vergeten worden. Er zijn er die vinden dat Hannah Arendt niet zo een prominente filosoof is, maar goed, ze vond van zichzelf dat ze geen filosofe was, maar vooral een politiek denker. Overigens, als je gaat nadenken over het leven van de geest, over denken en willen, dan kom je toch wel dicht bij wat filosofen plegen te doen. Maar haar argument om zich geen filosoof te vinden, bestond er ook in dat het filosoferen vaak niet veel meer met de dingen des daags te maken heeft. Anders dan haar leermeester Martin Heidegger vond ze dat het leven niet alleen op de dood gericht kon zijn, maar juist op het geboren worden en het opnieuw beginnen. Zij kreeg zelf geen kinderen, maar haar denken blijkt de laatste jaren wel inspirerend te werken en ook haar aandacht voor de wereld, de liefde voor de wereld krijgt wel wat weerklank, maar toch vinden we het zoveel aangenamer de donkere kant van deze wereld te koesteren en vermeien we ons graag in (cultuur-)pessimisme.

Het gaat er bij emancipatie precies om dat men een stap durft te maken naar het ongewisse en niet langer genoegen neemt met wat ons aangereikt wordt door de traditie en de gewoonten. Vrouwen hebben daarbij vaak evenveel van hun zusters in Eva te lijden dan van de mannen die de baas willen spelen, al zijn die vrouwen er wel beter in, onder sommige omstandigheden. Emancipatie brengt mogelijkheden, maar omdat het begrip nu niet meer zo prominent aanwezig blijkt in het debat, kan en moet men zich wel afvragen wat er fout gegaan kan zijn.

Het kan eraan liggen dat zowel vrouwen als mannen tot de bevinding kwamen dat die vrouwenbeweging al lang en breed geslaagd is en dat het allemaal wat overdreven gaat klinken. Het gaat erom dat activistisch discours altijd wel polariserend werkt en dat voluntarisme niet altijd genuanceerd overkomt en dat maakt het gesprek over wat emancipatie ooit vermocht onmogelijk. Het gegeven ook dat het proces van ontvoogding niet enkel een zaak is van de samenleving, de overheid, maar ook altijd een persoonlijke inbreng vergt, maakt het moeilijk alles in te zetten op het structurele, al mag men het niet negeren. De vraag evenwel wat mensen met de geboden kansen doen, blijft dan onbeantwoord en dat blijkt op verschillende manieren vandaag voorwerp van stilzwijgend conflict.

Zo meende iemand in reactie op wat Minister Crevits (onderwijs) zegde over de moeilijkheden van kinderen met een migratieachtergrond in ons onderwijs te moeten verwijzen naar het feit dat arbeiderskinderen ook nooit echt toegang kregen en dus niet konden doordringen... tot de universiteit. Geert van Istendael kan zelf niet meer voor een proletariër doorgaan, maar hij weet waar zijn vader vandaan kwam, uit een disfunctioneel gezin zonder vast werk en toch kon hij in de lagere school met vrucht leren en ook kon hij naar het college, van de Salesianen. Toen bleek dat hij de morele verplichting kreeg priester te worden, bedankte hij, maar dan moest hij zijn weg zelf verder zoeken. Van Istendael schrijft over van Istendael, maar hoe het verder ging, kwam voort uit de veekracht die August van Istendael had weten op te brengen, onder meer dankzij een onderpastoor die hem een werktafeltje bezorgde, om zijn huiswerk te kunnen maken. August van Istendael zou in de Internationale arbeidersbeweging zijn sporen verdienen, maar lezen we ook, zich misschien wel laten meesleuren in weinig verkwikkelijke zaken. Nu ja, wat weten wij van het leven in landen met militaire en populistische dictators?

Die dame had pertinent ongelijk omdat zeker vanaf de jaren vijftig, zestig, kinderen van arbeiders naar het college of atheneum gingen en er kansen kregen om te studeren, tot en met hogeschool en universiteit, ook al hadden ze niet het benodigde sociaal kapitaal. Maar niet iedereen behaalde de eindmeet want men moest er wel voor werken en mocht niet al te veel strafstudies krijgen of overhoringen niet voorbereiden. Het resultaat is wel geweest dat zo rond 1985 de universiteit zeer toegankelijk geworden was, wat voor links niet altijd zo prettig bleek, want ze konden hun oude argumenten niet handhaven. De toenemende participatie van arbeiderskinderen aan het hoger onderwijs was het resultaat van meerdere evoluties, zoals ook de toename van meisjes in het hoger en universitair onderwijs meerdere verklaringen vergt. Feit is wel dat aan de universiteiten niet alle professoren zomaar klaar waren en open stonden voor bijvoorbeeld vrouwen in het auditorium en in het anatomisch theater. Zo ook vond men lang dat vrouwen in de sport hun elegantie en frêle leden niet te schande mochten maken. Toch kwamen er vrouwen op de universiteit, kwamen ze excelleren in de sport en bleken ze hun plaats met verve op te nemen. Altijd blijkt het noodzakelijk dat vrouwen zelf voldoende ambitie en doorzettingsvermogen aan de dag leggen, maar ook dat regelgeving hen toelaat die ambitie waar te maken.

Nog eens, er zijn vele verklaringen voor, maar de gelijkheid van man en vrouw werd tijdens het Ancien Régime niet door iedereen beleden en zelfs Rousseau lijkt niet altijd zo vrouwvriendelijk uit de hoek te komen. Ook tijdens de negentiende eeuw, waar meer vrouwen, zoals Fannie Mendelsohn, Rahel Varnhagen, maar dus ook de iets oudere Belle van Zuylen, alle dames die vandaag zelden vernoemd worden toch wel onze aandacht zouden moeten krijgen. Varnhagen, geboren Levin kwam over de vloer bij Moses Mendelsohn, industrieel, bankier en filosoof die de Joodse Verlichting mee vorm gaf, de Haskalah en kwam zelf voort uit een onbemiddelde familie. Integratie en emancipatie gingen samen. Hannah Arendt kreeg belangstelling voor Rahel Varnhagen en schreef er een boek over. We zouden ook de rol van Abigail Adams, echtgenote van John Adams, de tweede president van de VS kunnen opnemen in dat pantheon, omdat ze vanuit het huis in Boston in vele zaken haar man, die ook enige jaren in Europa was en anders ver weg in Philadelphia de staatszaken beredderde, terzijde stond en toch ook blijk gaf haar eigen leven te kunnen leiden.

Kijk ik om me heen, dan zie ik wel degelijk dat mensen met een migratieachtergrond in onze tijd ook hun eigen ontplooiing, emancipatie realiseren en dat ze daarbij wel eens eigenzinnig blijken, mag de pret niet bederven. Het blijft dus een boeiende kwestie, denk ik dan, na te gaan waarom mensen vandaag niet meer echt geloven in het individuele proces van emancipatie en zelfverwerkelijking en zich vooral op een structurele manier naar gelijkheid willen toewerken. Dat laatste kan inderdaad via wet- en regelgeving, maar men mag toch de dynamiek van de cultuur en deels ook van de biologie niet negeren. In Vlaanderen, België gaan beduidend meer vrouwen voltijds werken dan in Nederland en nemen dames meer deel aan het publieke leven, onder meer dankzij quota's op de kieslijsten. Aan de hogescholen en universiteiten doen vrouwen het opvallend beter dan de jonge heren studenten, die ook nog andere bezigheden hebben. Het gaat dan ook om het persoonlijke en als vrouwen slachtoffer worden van seksisme of erger, dan zijn het inderdaad anderen die daar verantwoordelijk voor zijn, de daders. Maar tegelijk ziet men ook dat vrouwen elkaar niet altijd evenzeer steunen om er het beste van te maken.

Vorige week zond Klara een reeks gesprekken uit over nerveuze vrouwen als Eline Vere en Hedwig Marga de Fontaine, terwijl ook het werk 'Liefdeleven" van Emants aan bod kwam en "Eva" van Carry van Bruggen - het enige vrouwenportret van een vrouw door een vrouw. We kunnen er hulde voor brengen, maar toch, als Eline Vere een opvallende roman over onmacht is, dan vormen zowel "langs wegen der geleidelijkheid" als "De boeken der kleine zielen" even opvallende romans over hoe vrouwen hun leven net wel in handen nemen, althans de hoofdfiguur, respectievelijk Cornélie en Constance, die na een geforceerde rentree in haar familie, met haar man Van der Welcke en zoon Adriaan, spitsroeden moet lopen omdat ze, tja, ooit de schandvlek was van de familie omdat ze van haar man, een vriend van haar vader en veel ouder dan zij scheidde om met de jonge secretaris van de Nederlandse ambassade in bed te duiken. Maar de eerste afwijzing blijkt uiteindelijk geleidelijk te vervagen en wanneer haar oudste zus, getrouwd met een minister van koloniën Van Naghel, die dus de opvolger is van de gestorven familievader van Löwe, die zelf gouverneur-generaal was geweest van Nederlands Indië en gestorven toen hij vernam wat zijn dochter had gepresteerd. De brouille van Constance en haar zus, Van Naghel dus, leidt tot een volledige breuk met de familie, zo  lijkt het wel.

Diezelfde Constance zal wanneer het gezin van haar zus, waar een en ander mis lijkt te gaan, een zoon en dochter naar Parijs gaan, waarbij de echtgenoot van de dochter hen vindt en blijkbaar de zoon/broer doodt, en nog zoveel meer mis loopt, de familie onder haar hoede nemen. Zij kreeg ook geleidelijk opnieuw betere verstandhouding met haar verbitterde man, die zijn loopbaan afgebroken had gezien omdat hij met de vrouw van de ambassadeur iets had gehad. Enfin, die Constance, die van niet veel grootse zaken moest weten, van emancipatie niet en van socialisme bang was, wordt in haar latere jaren de rots in de branding voor wie er nood lijdt in haar familie, al zal ze niet elkeen echt kunnen helpen. In het verhaal van Couperus laat hij het naturalisme achter zich. Mensen kunnen het lot overwinnen, maar toch niet alle hinderpalen slechten. Geluk, levensgeluk is ook iets anders dan krijgen wat het hartje lust.

In deze tijden viert men dus de internationale dag van de rechten van de vrouw, maar het persoonlijke, het private wordt daarbij naarstig over het hoofd gezien. Dat mag merkwaardig heten, want zelfs als men wetgeving wenst, regelgeving en normen om de integriteit van vrouwen, psychisch en fysisch, om hun ontplooiing te steunen, dan blijven kwesties als de persoonlijke motivatie om er iets van te maken achterwege en ook over het belang van autonomie, het overwicht van autonomie boven heteronomie blijft merkwaardig afwezig als thema. Over de intellectuele grondslagen voor deze merkwaardige dag gaat het al helemaal niet en neen, om Mary Curie, Emilie de Châtelet en al die andere opmerkelijke vrouwen gaat het nog minder. Prestige- en rolmodellen? Daar doen we niet meer aan. Spijtig, want het zou mooie verhalen op kunnen leveren. Denken we aan de moeder van Casanova, die in Petersburg toneel speelde terwijl haar zoon in Venetië genezen werd van een neusbloeding. Denken we ook aan Elisabeth Vigée-Le Brun, een kunstschilder die aan het hof van Marie-Antoinette genodigd werd, maar als vrouw niet vrij haar thema's mocht kiezen, geen historieschilder worden mocht, al bracht dat meer op dan een stilleven met fazant. Dertien jaar lang reisde ze door Europa, op de vlucht voor de Franse Revolutie en de Terreur. In Rome, Wenen, Dresden en Petersburg verbleef ze en werkte ze. Geboren in 1755 overleed ze in 1842 en zag dus de samenleving in Frankrijk en Europa grondig veranderen. Verbeterde haar lot? Door eigen ambitie en kracht. Maar ze verloor ook haar dochter, wederzijds onbegrip was de oorzaak.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten