Wie kan tegen dag tegen racisme zijn?



Dezer Dagen



Racisme, aanslagen en onvrede
Het kluwen van een complexe wereld


Johann Gottfried Herder (1744 - 1803) smeedde
volgens de een een verderfelijk nationalisme,
volgens anderen, zoals Safranski, legde hij
een eerder ruimdenkend begrip van nationalisme
aan de dag. Herder vond ook dat superioriteitswaan
voor landen ongepast was, schreef onder anderen
Safranski, maar Ico Maly noemt Herder dan weer
de grondlegger van het volksnationalisme,
wat zelfs Wikipedia weerlegt. Ook noemt
Maly een voorbeeld van de Anti-verlichting,
terwijl de man net van de gebaande wegen
afweek. 
Er lijkt schot in te komen, want het besef groeit dat de globalisatie op economisch vlak voor zowel sociale als culturele ongemakken heeft gezorgd.

Op de dag tegen het racisme herdenken we ook aanslagen, die getuigen van de bereidheid van enkelen om onze samenleving onderuit te halen. Men zou in overweging moeten nemen dat Duitsland, na 12 jaar dictatuur en 7 jaar oorlog, nadat grote steden en industriële installaties vernietigd waren vrij snel opnieuw van start kon gaan, zeker na 1947 toen het Marshallplan de drie westelijke bezettingszones plus West-Berlijn economisch op gang hebben gebracht. Het oosten, onder de hoede van de Sovjet-Unie bleef nog veertig aanmodderen. Het verschil, het Westen hervond de oude dynamiek die sinds 1860 de economische motor van Duitsland had gevormd die in 1913 het Verenigd Koninkrijk overklaste. Het land hervond die dynamiek ondanks de bereidheid mee te doen met de NSDAP, maar ook dankzij de aangeleerde discipline, de inzet en ook wel - wat vaak vergeten wordt - de creativiteit van de Duitse bevolking. Racisme bestrijden is iets goeds, maar waarvoor kan men strijden?

Ik zie het altijd weer, die verhalen over racisme in Europa, van de plaatselijke bevolking, maar als ik een jonge Iraanse, Maryam Madjidi, hoor praten, op de Franse televisie, over haar vlucht uit het Iran van de Ayatollahs, dan denk ik dat mensen inherent weten waar hun belang ligt en dat paternalisme dat wil beslissen in de plaats van, moet beheerst worden: wie de neiging voelt opkomen beter te weten dan mensen die hij of zij van haren noch pluimen kent, denkt best nog een keer na. Ik heb het niet over de wijsheid van de massa's, want dat legitimeert vaak mensen als Wilders of Trump, om geen rekening te houden met wat u en ik weten.

Zowel in Nederland als in de VS maar ook in Frankrijk heeft men het onderwijs laten verkommeren, terwijl men de kosten voor de studenten - meestal de ouders - onethisch hoog heeft laten oplopen. In Duitsland bijvoorbeeld blijft de toegang tot het onderwijs behoorlijk te behappen en bleef de kwaliteit ook hoog, net als in Vlaanderen, ondanks de pogingen om via benchmarking ons onderwijs op dat van Nederland en Frankrijk, Finland te richten. Er zijn problemen in het onderwijs, zeker het secondair onderwijs, maar dat ligt eraan dat onderwijs verplicht is tot 18 jaar terwijl men van de leerlingen geen bijzondere inspanningen mag verwachten. Er zijn er die het kunnen opbrengen, maar die lijken net daarom hersenloos - goede punten halen zou dom zijn. Bizarre wereld. Ook blijken het vaak meisjes die uitblinken en dan wordt het nog bedenkelijker. Zeker bij de allochtone bevolking scoren meisjes beter, maar dat lijkt onder de radar te blijven.

Liever klaagt men erover, zoals prof. dr. Marc Swyngedouw dat in de goede stad Antwerpen overmatig veel leerlingen  voortijdig het onderwijs verlaten. Heeft men al eens sociaal-psychologisch onderzoek verricht naar de redenen die jongeren opgeven om het onderwijs zonder diploma te laten vallen. Zegt men dat wie voorheen  het college vroegtijdig verliet, zoals Jacques Brel of Willem Elsschot nog een behoorlijke carrière konden maken, dan was dat omdat die leerlingen al bovengemiddeld geschoold waren: op college was er maar een richting, Latijn-Grieks en wie dus een paar jaar min of meer succesvol meekon, was al bovengemiddeld geschoold. Wie vandaag voortijdig de middelbare school achter zich laat, is ondergemiddeld geschoold en heeft slechts een zeer partieel beeld van wat de wereld vandaag is. Ook wie het middelbaar succesvol afsluit merkt dat de opgedane kennis niet altijd volstaat om in het hoger onderwijs door de opleidingen te fietsen. Men is vergeten dat studeren ook een soort vreugde in het studeren kan opleveren. Nu heb ik dat zelf ook niet altijd ervaren, maar ik weet wel dat er momenten waren dat ik er echt genoegen in schiep een wiskundeoefening goed af te werken. Helaas waren er ook momenten dat ik het niet de moeite vond er me echt voor in te zetten...

Vandaag blijkt men jongeren die ondermaats presteren ook in een keer een alibi te bezorgen en zeker als het jongeren met een migratieachtergrond betreft, lijkt men het aannemelijk te vinden dat die weinig interesse opbrengen, maar kan de inzet alleen van de  docenten komen? Marc Swyngedouw laat zien hoeveel mensen die te weinig geschoold zijn, in de stad Antwerpen rondlopen. Maar reeds Hubert Lampo schreef in "De Komst van Joachim Stiller" dat leraren, zijn vakgenoten, maar saaie pieten zijn die niet veel weten van de werkelijke wereld. Clem Schouwenaars vond dan weer dat het best meeviel met de soort "leraren", want ze wisten toch wel iets van geschiedenis, literatuur... Joris Note laat dan weer zien hoe leraren uitgeblust kan raken, omdat de directeur te ambitieus is of net niet ambitieus genoeg. Maar zelfs vandaag zijn er weinig schrijvers die weten te melden dat men eerst kennis moet opdoen, voor men zelf iets te vertellen heeft. Stefan Zweig heeft dat in zijn afscheidsbrief "Die Welt von Gestern" mooi beschreven: hoe hij graag spijbelde om in een koffiehuis, van de Weense gezindte, kranten en bladen ging lezen, maar later moest hij toch opmerken dat hij zonder de op school opgedane kennis niet veel had kunnen schrijven. Ook de Gentse schrijver Maeterlinck schreef in Bulles Bleues hoe hij op zijn college, Sint-Barbara, wel vaak het vergeefse van die schoolse activiteiten had aangevoeld en er zelfs al eens tegen had geprotesteerd, maar toen hij later in Normandië en Nice woonde, stelde hij toch maar vast wat hij eraan had overgehouden. Neen, de parate kennis gaat verloren, dat zeggen deze auteurs ook, maar wat overblijft is een gemak om met kennis om te gaan en er zelf iets aan toe te voegen.

Waar komt toch dat racisme vandaan? Wie het bestrijden wil, weet welke kwaal hij of zij moet aanpakken, maar doorgaans lijkt het werk vergeefs, omdat men zich verzet tegen een monster dat men zelf niet kan begrijpen. In de epoche waarin Zweig en Maeterlinck leefden, met onder meer de affaire Dreyfus leefde een virulent racisme en een nationalisme waar wij ons nauwelijks een idee van kunnen vormen. Ico Maly schreef in een boek over de ideologie van de N-VA hoezeer de N-VA naar Herder, Johann Gottlieb Herder, zou kijken. Hoeveel mensen in N-VA Herder kennen en zijn werken zouden hebben doorgenomen? Wie het weet mag het zeggen. Herder, dominee in Riga vertrok toen zijn ambt hem ging tegenstaan naar Bordeaux - gooi de trossen los -, waarna Herder via Straatsburg in Jena en Weimer terecht kwam, in de kring van Goethe. Ico Maly noemt het nationalisme van Herder de bron van het nationalisme van de N-VA en dat had de partij als een compliment kunnen aannemen, want Herder was absoluut geen sabelsleper en als hij een nationalisme voorstond, was dat er een waarbij staten elkaar erkenden en er borg voor stonden de andere niet aan te vallen. Herder beleefde dan ook de gesel van de oorlogen tijdens de Franse Revolutie maar stierf net voor Napoleon keizer werd en zijn campagnes tegen Pruisen en Oostenrijk (1805 - 1806). Herder vond dat een rijk zich wel moet bewapenen, maar enkel om anderen te ontraden aan te vallen en bij voorkeur zou het leger dus nooit ingezet moeten worden. Maar belangrijker nog, Herder vond dat geen natie - binnen Europa - het recht had zich superieur te betonen tegenover anderen. Maly, zo denk ik dan, heeft Herder via Wikipedia of zo geraadpleegd dan wel via critici. Rudiger Safranski die een essay schreef "Romantik, eine Deutsche Affäre" maakt duidelijk dat Herder wel tot de Romantik gerekend kan worden, toch houdt hij er een geschietvisie op na, die we modern zouden kunnen noemen. Staten hoeven elkaar niet naar het leven te staan. In zekere zin sluit zijn visie aan bij die van Immanuel Kant, die in "Zum Ewigen Frieden" uiteenzette dat landen best naast elkaar kunnen bestaan zonder elkaar aan te vallen. Van een grotere statenbond wilde Kant niet direct weten.
  
 Het is ook wel zo dat in die periode, na 1806 in Pruisen, als gevolg van de nederlaag in Jena enkele Pruisische politici en militairen streefden naar diepgaande modernisering van Pruisen, met mensen als Hardenberg en Stein zu Stein. Zij ontwikkelden een progressieve politiek, die na de val van Napoleon zou vervangen worden door een reactionair beleid, waarin precies de polarisatie zou gaan gedijen. Ook ontstond een onmiskenbaar superioriteitsgevoel in Pruisen, waar geen kruid tegen gewassen was, terwijl net een Alexander von Humboldt er tot op hoge leeftijd en tegen de mores van zijn tijd in, vanuit ging dat men vooral nieuwsgierig moet zijn. Ook de pogingen van 1848 om een liberaal Duitsland op de sporen te zetten werden vakkundig de nek omgewrongen, door de afgevaardigden zelf in het Frankfurter parlement en door de omgeving van de Pruisische koning. Met name de vraag of men voor een Groot-Duitse oplossingen diende te gaan, inclusief Oostenrijk dan wel voor een Klein-Duitse, zonder Oostenrijk werd een breekijzer, waar het liberalisme stuk op liep. Bedenken we maar dat in datzelfde jaar in Parijs de Burger-Koning Louis-Philippe werd afgezet en dat kort daarop een kleine Napoleon de macht in handen kreeg. In Nederland schreef Johann Thorbecke een liberale grondwet en België kreeg een eerste politieke partij, de liberalen begonnen aan hun mars door de instellingen, omdat ze vonden dat het politieke bestel te vaak in handen was van conservatieve, zeg maar reactionaire landedelen, terwijl de toekomst in de industrie en de steden te zoeken was. Maar ook de liberalen hadden weinig op met de Vlomse Boeren, boerkens, zeker na de landbouwcrisis van 1845-1848. Ook daar was merkwaardig genoeg sprake van racisme, omdat men ras en degeneratie met elkaar was gaan verbinden.

Als we vandaag, 72 jaar na het einde van WO II en het einde van Nazi-Duitsland een dag tegen racisme hebben, dan is dat een goede gelegenheid om te begrijpen waarom mensen ertoe neigen anderen als minderwaardig te beschouwen. Als mensen in hun omgeving mensen   zien verschijnen die uit andere werelddelen komen, of andere culturen, dan komt de vraag op of men eerst naar de mensen kijken zal en dan hun afkomst in aanmerking nemen, dan wel of men botweg iedereen zal afwijzen die niet tot onze cultuur behoort. In de feiten zien we dat wie zich tegen racisme kant blind blijft voor de eigen gevoelens. Hoewel racisme vaak een gevolg is van allerlei soorten ongenoegen, onmacht ook, komt het zelden voor dat dit racisme tot gewelddadigheid leidt. Een randvoorwaarde lijkt te zijn dat de algemene opinie - nog iets anders dan de publieke opinie - en de overheid zelf racisme ondersteunen en voeden. Men kan bezwaarlijk stellen dat er in Europa, zeker in West-Europa nog regimes zijn die zelfs maar onderhuids racisme gedogen, zodat een van de randvoorwaarden om tot gewelddadig racisme te komen, niet meer is vervuld. Als ik bij deze bedenk hoe Frankrijk tijdens de oorlog tegen Algerije bij bepaalde acties nauwelijks racistische gevoelens kon onderdrukken, maar dat Charles de Gaulle wel vond dat Algerije wel onafhankelijk kon worden, tegen de "pieds-noirs" in, dan moet men toch wel erkennen dat sommige mensen net boven die algemene opinie kunnen uitstijgen. Na het bloedbad in Oran trokken die "colons" weg naar Frankrijk, waar ze hun haat jegens de Algerijnen en niet te stelpen verdriet voor het verlies van hun voormalige status in clubs bleven cultiveren. Natuurlijk, het bloedbad van Oran was zelf het gevolg van vergrijpen en gewelddaden vanwege de colons, de pieds-noirs tegen de Algerijnen en ook het Franse leger en de politie hadden bloed aan de handen. Tot na 1990 bleef dat verhaal in Frankrijk opspelen en kreeg racisme een blijvende bron van ongenoegen.

Het is dus maar de vraag hoe we racisme onder controle kunnen houden en hoe we de voedingsbodem ervoor kunnen wegnemen. Zijn er mensen die in hun kroeg onverkort racistische opmerkingen maken? Ja. Moeten ze worden gestraft? Misschien blijkt de remedie erger dan de kwaal, omdat men mensen de kans geeft zich tekort gedaan te voelen. Onder meer Matthias Storme meent dat men in de particuliere sfeer mag discrimineren, op grond van de gedachte dat mensen vrij zijn om hun voorkeur te laten gelden. Anderen, zoals Unia menen dat ook in de particuliere sfeer discriminatie niet kan. In een discussie poneerde ik dat wie geen macht heeft om te beslissen over anderen of anderen iets kan geven of weigeren ook niet kan discrimineren. Dat betekent niet dat zo iemand niet racistisch uit de hoek kan komen, maar de macht ontbreekt hem of haar om discriminerend op te treden, doch hij of zij kan wel vernederen, valt te vrezen.

Het probleem van superioriteitswanen moet men dan toch ook wel in het vizier nemen, want hoezo, mensen zijn beter dan andere? Het is al een paar decennia geleden dat ik Afrikanen ontmoette, in het ouderlijke huis, mensen uit Ruanda en later in Brussel had ik een Afrikaanse buurvrouw die zong in een bar. De aanwezigheid van "vreemdelingen" is dezer dagen geen nieuws meer, maar ik denk dat de generatie van mijn vader versteld stond van de aanwezigheid van Afrikanen in Brussel maar ik heb hem nooit betrapt op een racistische uitspraak. Was het beleefdheid? Misschien zit daar een probleem dezer dagen, dat we hoffelijkheid en fatsoenlijk gedrag niet meer naar waarde schatten. Zelfs als je al eens een zweem van onrust zou bespeuren als je mensen met een andere afkomst, uit Afrika - opvallend toch hoe weinig we dat tegenover Turkse mensen onmiddellijk ervaren - kan je nog altijd besluiten fatsoenlijk te blijven.

Dagen tegen racisme hebben weinig opgebracht, omdat we precies de filter in ons gedrag, sociale controle en fatsoen hebben laten vallen. Men kan in een complexe massasamenleving niet zomaar met iedereen communiceren, maar men kan wel bedenken dat we in hetzelfde schuitje zitten. Blijft het belangrijk racisme te veroordelen, dan is het veel belangrijker mensen bij de samenleving te betrekken, want wat mensen die zo hard tegen racisme fulmineren over het hoofd zien is dat autochtone mensen zich inderdaad vergeten en over het hoofd gezien kunnen voelen. Zij voelen zich ook door de gebeurtenissen en veranderingen overmand. Ik denk dat we eens wat meer positieve actie moeten overwegen, zoals inderdaad een pleidooi voor fatsoen gebaseerd op wederzijds respect. Fatsoen omdat het moet, zal weinig zoden aan de dijk zetten, maar als het voortkomt uit het besef dat we samen te leven hebben en dat hun vrede de onze is en hun welbevinden het onze ten goede kan komen, dan zijn we al een eind gevorderd.

Het is een Duitse dame, Ruth Andreas-Friedrich, die joden hielp onder te duiken of te vluchten, toen het nog kon en zo tegen de inzichten van de regering en velen in het volk wars van jodenhaat door het leven ging. Aan het einde van de oorlog zag ze velen uit haar groep vertrekken, sommige verkozen de Russische bezettingszone, zij bleef nog in Berlijn, maar nadat haar man, een dirigent door een dom misverstand was neergeschoten op de grens tussen de Russische en Britse zone  kreeg ze het te kwaad. Vooral blijkt het moeilijk, stelde zij toen vast om voor iets te strijden, ware vrijheid bijvoorbeeld. Vechten tegen de nazi's had hen verbonden, na de zege kwam de verdeeldheid. Dat moet ons dezer dagen aanspreken, want we hebben weinig om voor te vechten, denken we. Wel, misschien kan fatsoenlijk gedrag om het samenleven te verbeteren al een goed begin zijn. Let wel, van wat fatsoenlijk is, kan men geen definitie geven of nog, men kan het niet volkomen in regels vatten. Wel gaat het om respect en om wat we broederschap zouden kunnen noemen.


Bart Haers


Reacties

Populaire berichten