Hoeveel heil wacht ons nog?




Oneigentijdse overwegingen



Hoe weldadig de tijd




Diderot werd in Langres geboren,in 1713
en niemand had hem zijn leidende
intellectuele rol voorgespiegeld.
Hoe mensen na de eeuw van
Louis le Grand zagen? Het is pas
achteraf dat gebleken is hoe welvarend
grote delen van Europa werden. Alleen
blijft men die eeuw als onbelangrijk
afdoen. 
Hoe gevaarlijk zijn deze tijden? Sommige journalisten lijken eeuwig te presenteren, commentatoren eeuwig aangesproken en politici blijven meedraaien tot ze niet meer uit hun woorden komen. Dit gaat over de idee, in de media, dat men moet verrassen en vooral mensen gerust stellen, er is niets aan de hand. We leven in een tijd waarin (tijdelijk?) de schaarste vervangen is door overvloed, maar we blijven problemen benaderen alsof we altijd vanuit een tekort moeten denken. De paradigma's in de samenleving maken het moeilijk te begrijpen dat instellingen ertoe doen, maar ook dat ze moeten gedragen worden door wie er zich vrijwillig aan ondergeschikt wil maken, onder voorwaarden. Europa vangt veel wind, terwijl het beste garantie blijkt voor onze toekomstige welvaart, maar dan moeten we zelf gemakzuchtig redeneren mijden.  Pardon?

Een verhaal over 1830, de Belgische omwenteling en geen moment valt de naam Rodenbach of wordt het economisch succes van de stad Gent, enfin van de ondernemers die er zijn, vermeld. Oude schema's blijven voor een causeur als Johan op de Beeck gelden, terwijl hij nog durft te zeggen dat de troepen van Willem I buitenlandse troepen zijn. Na 1839 definitief wel, maar dan wel dankzij de positiebepaling van Londen, dat wel een buffer wilde tegen Frankrijk, maar geen gehannes. Op de Beeck heeft het ook niet over de wegenaanleg in Vlaanderen, over industrialisatie in het Noorden, ook al dankzij kanalen als dat van Terneuzen naar Gent en andere. Ik hoef noch zal Willem I verdedigen of overdreven lof toezwaaien, want hij maakte politieke fouten en liet het oor te vaak hangen naar de economische machten in Amsterdam. Het beste bewijs, Nederland zou pas rond 1860 echt economisch de weg van de industrialisatie kiezen, veel later dan de Zuidelijke provincies, die sowieso al veel dichter bevolkt waren.

Wat was daar nu beleid en wat was de gang der dingen? Het valt op dat we in de media economie vooral zien als een zaak van optellen en aftrekken, dat economie een zero sum game zou wezen, waar de ene verliest wat de andere wint. Over vliegwielen en multiplicatoren hoort men zelden. Economische groei, dat is wat u en ik realiseren, door te produceren en door te consumeren, zodat we zelfs van kapitaalvernietiging als gevolg van een ongeval of een ramp gezamenlijk beter worden. Neen, de verzekeraars zijn daar niet gelukkig mee, maar het is zoals met de fabel van de bijen, van Bernard Mandeville. De gang der dingen, dat is wat mensen doen, nu eens impulsief en dan weer zeer gedreven, nu eens rationeel en dan weer gedreven door emoties. We doen wat we doen en hoe vrijer we zijn, zeggen economen, hoe meer we uitpakken. Maar er zijn ook wetten nodig om te verhinderen dat het een oorlog van allen tegen allen wordt, maar het hoeft echt geen Leviathan te zijn, want dan valt de economie weer stil, omdat de wetten en de handhaving al te dwingend zijn zouden.

De achttiende eeuw, juist ja, de eeuw van Verlichting, van Voltaire en Diderot en ook een beetje Maria-Theresia, Frederik II de Grote en Louis XV, die begon als "le bien aimé" maar eindigde als "mal aimé". In onze  contreien groeide en krioelde het leven, maar als Chris Vandenbroecke over de welvaart toen schrijft, dan vinden commentatoren dat ongepast, want het past niet in het vigerende beeld, dat ze zelf zonder studie van de bronnen voorop stellen als vigerend. De kleine eigenaren en pachters van hoevetjes, die vaak minder dan 2 hectare te bewerken hadden, vonden bijkomend inkomen in de huisnijverheid, vooral in wat men Binnen-Vlaanderen noemde en waar tegelijk ook betere boeren, smeden en molenaars en een hoop anderen best konden leven. Steenwegen werden aangelegd en het voedingspatroon, het consumeren van de aardappel bevorderend, veranderde en zorgde voor meer overlevingskansen voor kinderen. In 1983 al schreef Vandenbroecke "Sociale Geschiedenis van het Vlaamse volk" dat later aangevuld werd met "Hoe rijk was arm Vlaanderen" waarin de historicus en demograaf verder keek en ook de voedingscrisis van 1845-1848 mee in zijn synthese opnam. Plots was, voor wie er niet regelmatig mee omging, geschiedschrijving niet meer vanzelfsprekend consistent.

Des te sterker kwam dit wat mij betreft aan de orde toen ik mensen over de Franse Revolutie hoorde spreken, waarbij het falen van het Ancien Régime dik in de verf werd gezet en dus de inspanningen van Louis XV en anderen, zoals Voltaire - die door Jonathan Israël weggezet werd als een lauwe Verlichte - die wel tegen het parlement van Parijs inging in de zaak Calas. Maar de grootste hervormende kracht ging uit van Louis XV, die ertoe bijdroeg dat er een dienst kwam belast met het aanleggen van Bruggen en Wegen, eerst al voorgegaan in 1718 door een dienst voor Elzas en later zou de koning en zouden zijn ministers aan dit beleid grote aandacht besteden. Ook inzake onderwijs had Louis XV een hand in de nodige hervormingen, maar tegelijk steeg de vraag tijdens zijn regering behoorlijk snel. Het valt op dat we nu die vraag niet lijken te zien.

De belangrijkste hervormingen hadden betrekking op de machtsstrijd met de parlementen - juridische corpsen in Frankrijk, 11 in getal, die de koning steeds meer frustreerden. De andere hervorming had betrekking op de belastingvrijstellingen, maar was er nauw mee verweven met de pogingen het belastingen rechtvaardiger te verdelen en ook de verschillende adelsgroepen en de kerk te laten meebetalen. De critici tijdens zijn regering werden niet tegengesproken door de Revolutionairen van 1789 en al helemaal niet door de historici van de Revolutie en de Vader van de Franse geschiedschrijving Ernest Lavisse.  Het gevolg is wel dat iedereen spreekt over de Verlichting, maar in feite niet de historische realiteit van de achttiende eeuw voor ogen heeft. Ook wat de Duitse landen en Oostenrijk, de Nederlanden en het UK aangaat om nog van de VS en Rusland te zwijgen, moeten we vaak vaststellen dat men zegt, er is iets gebeurt, zomaar uit het niets. De ontwikkelingsgang blijft vaak onbesproken. John Adams, boerenzoon, schoolmeester en vervolgens jurist, finaal president van de nog jonge republiek aan de Oostkust van de VSA, staat wat mij betreft voor een ontwikkeling die eigen was aan de achttiende eeuw, terwijl men het graag laat uitschijnen dat het de eeuw was van een aristocratische elite. Die was er, maar onderliggend had men op allerlei terreinen mensen die nieuwe wegen opgingen en dat met succes deden. Denis Diderot was zoon van een messenmaker in Langres en ging bij de Jezuïeten op school, vandaag blijft de toename in het middelbaar onderwijs en de universiteit van het aantal leerlingen uit de bourgeoisie en de middenklasse onbesproken. De achttiende eeuw blijft in een kwade geur gebed.

Ook onze tijd zal men wellicht ooit weldadig noemen, al zijn we blind voor de zegeningen van technologie en dergelijke. De ontwikkelingen inzake technologie worden wel eens gezien als bedreigend en het zou ook slecht kunnen uitpakken, als men niet gaat nadenken over de kwaliteit van werk in deze tijd, waarbij robotica in allerlei domeinen gunstige en andere consequenties krijgt. Nadenken over het basisinkomen, hoe doe je dat?  Of nog, we hebben te maken met paradigmaverschuivingen die onze manier van leven zullen beinvloeden, zeg maar bepalen. Toch merkt men wel eens op dat niet elke verandering een paradigmaverschuiving mag heten, waarbij men er ook niet blind voor mag blijven dat we van alles kunnen meten en vooral gegevens in zo grote aantallen samenbrengen dat het niet altijd duidelijk is wat we aan de weet komen, om nog te zwijgen van ideologische interpretaties, waardoor men iets gaat beweren dat niet geheel werd vastgesteld door de onderzoekers.

De late negentiende eeuw, begin twintigste eeuw heet de tijd van priester Daens te zijn, van ongebreideld kapitalisme en uitbuiting van de arbeiders, van Duitse meesterknechten in de Aalsterse textielfabrieken en meisjes die door hen en masse misbruikt werden. Wie de film van Stijn baron Coninx zag zou er alleen maar van gruwen, vooral omdat we ook de herenhuizen zien en de kasteeltjes waar de bazen genieten van hazenrug in pepersaus en andere lekkernijen. Goed, we zullen de tijd en de leefomgeving niet romantiseren, laat staan idealiseren, maar precies de rol van Adolf en Pieter Daens, krantenmaker en drukker, al die anderen die in de film niet in beeld komen, de dokters, onderwijzers, de machinebouwers, de boeren en obers in de chique eethuizen ook,  en anderen die voor Louis-Paul Boon niet bestonden, er in de beste marxistische presentatie van de werkelijkheid niet toe deden, de tussengroep dus laat veronderstellen dat het beeld van de tijd, zoals Boon en Coninx dat oproepen niet geheel aan de werkelijkheid kan beantwoorden.

Als men ziet dat in de loop van de negentiende eeuw de textielindustrie in Vlaanderen technischer wordt en dat de arbeiders, ook de vrouwen ondanks de zware en lange uren geleidelijk meer koopkracht krijgen, onder meer omdat de prijs van het broodgraan daalt vanaf 1880, omdat dan de aanvoer van graan uit Amerika, Canada, Rusland en Argentië op gang kwam dankzij de opkomst van bedrijfszekere stoomschepen, terwijl ook de productie van voedingsproducten ook hier te lande door verbeteringen in de landbouw toeneemt, maar ook de lonen zelf geleidelijk stijgen, moet men vaststellen dat het allemaal geen rozengeur en maneschijn is, maar dat mensen het rond 1900 die in de fabrieken konden werken het beter hadden dan ze hadden durven dromen. Ex post is het moeilijk te bevatten welke wegen werden afgelegd en bovendien, zou men de situatie van arbeiders en bedienen anno 1965 nog kunnen vatten? De vraag is dan wat die mensen ervoeren, hoe ze dachten dat hun leven ging verlopen en wat ze redelijkerwijze mochten verwachten.

De verhalen over uitbuiting en misère overschaduwen alle andere mogelijke situaties, zoals ook "Het gezin van Paemel" laat zien dat de kleine pachter het niet voor de wind gaat. Natuurlijk is het wat de auteur, Cyriel Buysse heeft getroffen en hij is zelf naar de VS getrokken om de schande van een niet gepland en niet geregeld vaderschap te ontvluchten en uiteraard om de wereld te leren kennen, beweegt: laten zien hoe mensen zoals boer van Paemel overweldigd blijken door de problemen, maar zijn zonen zoeken uitwegen, al heel wat minder vertwijfeld. Het is voor ons nagenoeg onmogelijk om dat zomaar te vatten. Toch denk ik dat goede bronnenstudie echt wel dieper kunnen graven in de verwachtingen van mensen in die tijd. Guy van Schoenbeek heeft dat in "Novecento in Gent" mooi in beeld gebracht, hoe de strijd doorging maar hoe rond 1900 ook een beeld werd geschetst van de vooruitgang die de arbeidersbeweging had geboekt. Intussen blijft het moeilijk om ons een beeld te vormen van de verdere ontwikkelingen in die tijd, wat onderwijs en deelname aan het onderwijs betreft en hoe boerenzonen naar de colleges trokken en niet meer vanzelfsprekend priesteropleidingen als vervolg zagen.

Wij kunnen niet met goed fatsoen van een weldadige tijd spreken, omdat we geleerd hebben een goed oog te hebben voor misère, maar dat is vaak maar een kant van een verhaal. Van de periode waarin ik kind was, herinner ik me nog levendig hoe de hemel zelfs geen grens meer leek. Toch, als we  nu om ons heen kijken, de Kennedytunnel lijkt al verouderd, de telefoons van toen zijn verdwenen, omdat we nu altijd apparaatjes bij ons dragen, televisie in kleur en kennis van de dingen, vooral van rampen en onheil zonder ophouden. De technologie zal wel geen onverdeelde zegen zijn, maar soms heb ik de indruk dat men er vooral de negatieve, bedreigende kant van laten zien. Hoe we ermee omgaan, blijft vaak buiten beeld.

Zeker nu politieke paradigmata grondig veranderd zijn, nu ook de mondiale verhoudingen, niet enkel geopolitiek, maar ook economisch en technologisch aan het schuiven zijn, de VS wel eens verlies aan overwicht op technologisch overwicht zou kunnen lijden, zal men moeten nadenken hoe we de toekomstperspectieven inkleuren. Wat is gunstig en wat bedenkelijk? Dat onze tijd veel mogelijkheden biedt, lijkt opiniemakers te ontgaan.



Bart Haers                                                                     





Reacties

Populaire berichten