Jozef Deleu en de eeuwige Vlaamse Collaborateur



Kritiek



Jozef Deleu, het Nederlands
& Vlaamse ontvoogding



Jan van Brouckhoven, tweede graaf
van Bergeyck (1644 - 1725) was
een Commis d'Etat in het bestuur
over de Zuidelijke Nederlanden,
werkte voor de laatste Spaanse
Habsburger en werkte samen
met Wenen, ook terwijl de
landvoogd in Beieren zat. Was hij
daarom een collaborateur? 
Geeuw, de Vlaamse Beweging en nog eens geeuw, want Jozef Deleu meent dat Vlaanderen vaak heeft overleefd door en met dank aan het talent voor collaboratie. Ziezo, dacht ik, we weten het weer en het is nu wel welletjes geweest. En toch, men kan de man, Jozef Deleu wel eerbiedwaardig vinden en tegelijk moet men zijn voorstelling van zaken ernstig tegen het licht houden. Het gaat tenslotte om een visie die veel van wat gerealiseerd werd negeert en bovendien ook nog eens een keertje de indruk wekt dat Vlaanderen zich vooral en historisch in de rol van underdog heeft gepositioneerd. Als geschiedenis zo simpel was, dan hoefde men geen uitgebreide studies te doen. Of beter, welke vragen dient men zich dan wel te stellen.

Met u heb ik de bekende data geleerd, al waren er leraren die al eens andere paden gingen volgen en ons deden nadenken over de aard van de samenleving ten tijde van Erasmus en Dirk Martens van Aalst, terwijl het niet altijd gemakkelijk is de wereld te zien toen bijvoorbeeld het Oud Sint-Jan in Brugge zich ontwikkelde. Men kan denken aan de idee van sublieme historische ervaringen, maar als je het interview met Jozef Deleu leest, dan heb ik eerder een déjà-vue, want waarom wil hij altijd maar herhalen dat mensen die nu in Vlaanderen van tijd tot tijd voor wat vuurwerk zorgen, de bestuurders en de nauwelijks herkenbare elite lieden zouden zijn die niet veel bijdragen en zich vooral in stilte en algemeenheden hullen. Soms is dat zo, maar het is een veralgemening[i] die al even afkeurenswaardig is als wie de Vlaming hardwerkend of dom en katholiek wil blijven noemen.

Als Bruggeling zou ik kunnen beweren dat ik een nazaat ben van die mensen die in de vijftiende dat moment van hoge cultuur moeten hebben meegemaakt, maar ik kan hoogstens de herinnering aan wat toen gerealiseerd werd met respect bejegenen en zorgen dat die complexe stedelijke geschiedenis, binnen dat grotere geheel van Europese vorstendommen, waarin het verweven zat, niet vergeten raakt, zonder dat het tot dwaze zelfverheerlijking zou leiden. Anderzijds heb ik nog steeds moeite te begrijpen waarom men het Brugge van de achttiende en zelfs negentiende eeuw gewoon pleegt te negeren. Hoe de stad groeide, doorleefde en is wat ze is, met een haven op van Heist afgesnoept gebied, lijkt men niet echt van groot belang te achten.

Wat voor Brugge geldt, gaat ook op voor Vlaanderen, de geschiedschrijvers doen de complexiteit zelden recht en dat geldt al helemaal voor zo een schoolmeester als Jozef Deleu en dat vind ik treurig, want men zou, na zoveel jaren omgang met het kruim van Vlaamse, Nederlandse en vele andere intellectuelen, toch mogen verwachten dat zo iemand nu net de intrinsieke rijkdom van die gemeenschap kan onderkennen en inderdaad, zonder nostalgie vaststellen dat Vlaanderen sinds het einde van het Ancien Régime veranderd is. Ten goede en soms ook anderszins, maar vanuit een Herderiaans begrip voor het samenleven der volkeren in Europa, kan men zowel trots blijken op de eigen samenleving, gemeenschap en tegelijk ervaren dat er ook in Castilië, Holland, Baden-Wurtenberg of Silezië... van alles aan goeds te vinden, oude en nieuwe dingen. Met andere woorden, die besmuikte trots kan helpen het waardevolle te onderkennen, toen en nu en er met ironische afstandelijk toch pal voor te staan. Dan helpt het niet te zeggen dat die Vlamingen, ach, ach, ach, vooral meesters bleken in de collaboratie? Wie? Met Wie? en vooral, waartoe?

Maar laten we eerst even het ruimtegebruik bekijken en de vele klachten over hoe lelijk Vlaanderen er nu bij ligt. Het zou wel eens kunnen dat velen die erover klagen zich geenszins een beeld kunnen vormen van hoe Vlaanderen er rond 1783 uitzag, met vele dorpen, kleine wegen - denkt men - maar er waren waterwegen, steenwegen sinds de zeventiende eeuw geleidelijk uitgebreid - en, zoals wijlen Chris Vandenbroecke schreef, een relatief hoog welvaartsniveau. Dat laatste blijft men betwisten, niet door met data en de verwerking ervan over de brug te komen, maar door hem dood te zwijgen en dat is een intellectuele en academische wereld waarin ook Jozef Deleu opmerkzaam aanwezig was, onwaardig. Men is het debat met de hoogleraar economische en demografische geschiedenis niet aangegaan bij leven en nadien heeft men die inzichten op grond van zelfgenoegzaamheid afgewezen.

Héhé, ik lijk wel Jan de Wilde, die graag eens een potje schelden gaat, maar gelukkig zichzelf aan het eind van het liedje over het paard getild weet. Toch meen ik dat Jozef Deleu en anderen, de spraakmakende gemeenschap zich van één taak niet gekweten hebben, dat is met aandacht volgen wat er aan waardevols gepresteerd werd in de academie, i.e. de universiteit en de wereld van genootschappen en Academies, maar in het brede publiek geen of weinig aandacht kreeg. Brede media die zeggen kwaliteit te willen brengen... ach, ik zwijg al.

Het interview kwam er naar aanleiding van twee boeken over de Vlaamse Beweging die verschenen, waarin over de Vlaamse Beweging gereflecteerd wordt, het ene van Seberechts, waarvan een Jo Tollebeek zal menen dat het boek al te teleologisch geschreven zou zijn, waarbij hij dan nog eens gelijk kan hebben. Het andere is van Hans Vandevoorde, die aan de hand teksten van August Vermeylen en Jozef Deleu de vraag onderzoekt "hoe Vlaming te zijn". Vlaming zijn om Europeër/wereldburger te worden; wie kan dat niet onderschrijven, dacht ik lang, maar dezer dagen bekruipt me enige twijfel. Vermeylen ergerde zich in 1896 aan de taalminnarij en het gebrek aan sociale reflexen in de Vlaamse Beweging van die dagen. Maar het klopt, zoals Jozef Deleu stelt,  de Vlaamse Beweging zoals we die kennen vormde geen eenheid en men kan inderdaad een integristische, maximalistische tendens onderscheiden, die min of meer uitgaat van de eigen kracht. Zelden zal zij de eigen zwakheden onderzoeken en mis gaat of is gegaan, ligt dan bij de buitenstaanders, de vijanden. De andere beweging, waar Deleu minder duidelijk over is voor wat de periode voor WO II aangaat, geen uitsluitsel over geeft hoe men die kan omschrijven en wie er de vaandeldragers van zouden zijn geweest.

De benadering die Vermeylen voorstond en gedeeld werd van Links tot bijna rechts, die streefde naar een Vernederlandsing van de Vlaamse samenleving en waar voor 1914 de literaire wereld zeer mee begaan was, blijft inderdaad onze aandacht waren. Omwille van het Activisme en vooral de handelingen van een August Borms, die tot 1928 in de cel moest zitten, politiseerde de Vlaamse Beweging zeer en de breuklijnen werden helder, ook al bleef een Cyriel Verschaeve lange tijd "der Stille im Landen" waar af en toe brave borsten heen trokken om zich politiek te laven aan het orakel, dan betekent dat toch niet dat die priester zoveel in het kapittel in te brengen had. Men kan dat betreuren of niet, net de evolutie van de Frontbeweging, zoals Bruno de Wever in "Greep naar de Macht" heeft beschreven, niet te negeren valt. Komt onmiddellijk de tweespalt tussen de maximalisten en minimalisten beeld. Toch leest men in het artikel nergens een verwijzing naar de politicus Frans van Cauwelaert - omdat deze zich met financiële occupaties besmet zou hebben?

Hoe u Vlaming kan zijn, kan ik u geenszins uitleggen, maar ik probeer naast het politieke aspect van het Vlaming zijn, ook het culturele ervan goed in de vingers te hebben, toch ben ik geen fan van Bobbejaan Schoepen of Laura Lynn. Mag het? Maar als lid van deze samenleving voel ik me wel geroepen na te denken en me uit te spreken over maatschappelijke kwesties zoals de ruimtelijke ordening, de aanleg van kanalen in onze tijd, onderwijsbeleid en nog zo een paar kwesties. Ook de constitutionele en institutionele kwesties zijn daarbij van belang.

Europeër wezen? Ook daar bestaat toch geen blauwdruk voor, zou ik zo denken. Want wat Europa is, waar ik toch, naar het woord van Johan Huizinga, innig aan verknocht ben, dat bepalen we tot zekere hoogte mee, maar de tot opbouw van Europa zelf heeft wel degelijk verdienstelijk. Dus kan men over de politieke structuren en de inhoudelijke besluitvorming wel eens een boom opzetten of er een boom over doorzagen. Maar dat betekent dan ook dat je niet enkel je eigen geschiedenis probeert te kennen, maar ook betracht van andere staten in Europa meer  te weten en dan begint het grote werken, van het inpassen van die onderscheiden geschiedenissen. Overigens, de algemene en gedeelde kenmerken binnen de Europese cultuur verdient dan nog eens afzonderlijke aandacht.

Ach wee, die eeuwige mythe van de collaboratie? Was een Jan Van Brouckhoven van Bergeyck (1644-1725), zoon van Jan-Baptiste van Brouckhoven en Hélène Fourment, weduwe van Pieter-Paul Rubens, regenten in de Zuidelijke Nederlanden, zo een geval collaboratie? Hij werd de Zuid-Nederlandse Colbert genoemd. Men moet dan eerst weten hoe de gemeenten en Staten, de provincies functioneerden en de befaamde Collatorale Raden. Jan van Brouckhoven zou in dienst van de Spaanse regering hoge ambten in Brussel en later ook in Madrid bekleden. Ook tijdens de Oostenrijkse tijd en als ambteloos persoon, had hij nog veel invloed op het regeringsbeleid in Brussel en Wenen. Hij is domweg vergeten. Of moeten we het hebben over figuren die sinds de veertiende eeuw in Vlaanderen mee het bestuur uitmaakten? Ook daar zou men wel eerst doordrongen horen te zijn van allerlei institutionele, culturele en academische aspecten van de samenleving toen. Pas dan kan   besloten worden dat sommige topfiguren goed overeenkwamen met respectievelijk het Bourgondische Hof, zoals een Jean de Bruges, of het Spaanse en later het Oostenrijkse Hof en ook dient men dan nog op de vraag beantwoord aan wie die ambtsdragers het meeste voordeel boden.

Of zou men negeren dat bijvoorbeeld ten tijde van Maria-Theresia de aanleg van wegen, steenwegen de briefwisseling over bijvoorbeeld de weg van Brugge naar Kortrijk, laat zien dat sommigen goed wisten hoe ze in Brussel en Wenen konden opereren om hun doelen te bereiken? Dat eeuwige verwijt van collaboratie ook? Mevrouw Belle de Charrière, geboren Isabelle van Tuyll van Serooskerken, zichzelf van Zuylen noemend, levend op het Muiderslot, later in Le Colombier, huis Le Pontet bij Neufchatel en bekend om haar vrijmoedige en Verlichte inzichten, trouwde met een Zwitser en had nauwe contacten met onder meer de Schotse Verlichtingsfiguur Boswell of al die andere bekende figuren in haar omgeving. Ook toen bleek dat Emilie du Châtelet eigendommen had in Vlaanderen, kwam het me vreemd voor dat men voor zover het om het Ancien Régime gaat, van collaboratie geen sprake kon zijn. De basis van loyauteit lagen toen eenmaal anders dan wij vandaag, nog steeds denkend aan de natiestaat, ons kunnen indenken, erbij in aanmerking nemend dat men in dat Europa van elkaar bestrijdende monarchieën aardig wat reisde en vaak langere tijd verbleef buiten de eigen (huidige) landgrenzen.

Prof. em. dr. Yvan Van den Berghe beschreef in een uitgebreide studie waarop hij zijn doctoraat haalde, hoe in Brugge de Verlichting toch wel aanwezig was en een publiek vond. Toch kan men dan weer niet beweren dat zelfs samenwerking met de Franse overheid na de annexatie zomaar voor een collaboratie kon doorgaan, om de simpele reden dat men kon erkennen dat de Franse Revolutie een vooruitgang vormde en dat het land nu eenmaal bestuurd diende te worden. Het draagvlak voor Verlichting was nu eenmaal groter dan men het graag wil voorstellen.

Het blijft ontregelend en nefast dat men de complexiteit van die geschiedenis niet onder de aandacht weet te brengen. Arm Vlaanderen! Het blijft velen op de lippen bestorven, maar hoe of het werkelijk geweest is, daartoe onderneemt niet echt pogingen daarachter te komen. Zo een gesprek met Jozef Deleu wordt dan ook een tenenkrullende ervaring. Mocht men mij ervan verdenken politiek of anderszins iets te maken te hebben met de "strekking Verschaeve" zoals Deleu dat presenteert dan kan ik mij eerder thuis brengen bij de richting Frans Van Cauwelaert, waarover Deleu niet spreekt en ook krijgen we weinig te horen over mensen als Lieven Gevaert of een Lodewijk De Raet, die veel te jong stierf maar als socioloog een imposante bijdrage leverde op de vraag van Hans Vandevoorde: Hoe Vlaming te zijn?

 Bestaan er wel grondige studies over de sociale, economische, politieke, institutionele en Culturele Geschiedenis van Vlaanderen tijdens de Negentiende eeuw, bij uitbreiding voor de periode van 1780 tot 1980, zoals met iets grotere aandacht voor Nederland door E.H. Kossmann werd uitgewerkt (1978-1986), waarin precies die kwesties ook aan bod kwamen. Terecht kloeg wijlen Eric Defoort erover dat men zo weinig aandacht aan dit soort kwesties kon besteden. Ten gronde kan men zich afvragen, meen ik, wat voor zin het heeft een bepaalde mentaliteit aan de Vlaming toe te schrijven, namelijk die van plantrekkers en lijndraaiers, collaborateurs. Met lijndraaiers bedoel ik netwerkers.  

Neen, ik ben niet meer van plan de boeken van Seberechts en Vandevoorde te lezen, want de doelstellingen van deze boeken lijken me niet compatibel met wat men als een poging tot begrijpende geschiedschrijving kan beschouwen. Mag men hopen dat men het werk van Chris Vandenbroucke of Hugo Soly, om slechts die te noemen, maar ook het werk van Wim Blockmans of Walter Prevenier... verdient meer aandacht. Goed, het zou tot gevolg kunnen hebben dat men er geen gemakkelijke synthese uit kan distilleren, met cultureel-politieke waarde voor welke propaganda dan ook. Maar begrijpen van zowel de snelle evoluties in de tijd als de langzame veranderingen kan voor deze tijd minstens zo belangrijk zijn. Ik ben voldoende Europeër, zou ik kunnen zeggen, maar ook daar geldt, sprekend voor mezelf dat ik nog lang niet genoeg afweet van al die complexe geschiedenissen, om gevoeligheden en ingesleten mythes goed te kunnen begrijpen. Maar het is belangwekkend te proberen. En neen, wie zegt dat Herman van Rompuy[ii] zou hebben gecollaboreerd met Europa, die begrijpt van deze tijd bitter weinig, want hij, de eerste president van de Raad van Staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie, handelde vanuit een grote betrokkenheid bij het wel en wee van Vlaanderen, België en zelfs Griekenland.

Ik schrijf dit ook omdat de heer Deleu blijkbaar mee wenst te heulen met mensen die over het hoofd zien dat er tijdens de oorlog 1940-1945 meer dan zwart of wit was. Heel wat mensen hadden gewichtige keuzes te maken, zoals zij die weigerden mee te werken aan de arbeidsdienst in Duitsland en desondanks weggevoerd werden of, zoals mijn vader en anderen deden, in 1943  - na de collegetijd die hen enige bescherming had gegeven - onderdoken. Daarbij speelde dan weer mee dat men op de hoogte was geraakt van Besluitwetten die de Belgische regering in Londen had uitgevaardigd, waarin zware sancties werden voorzien tegen mensen die wapendracht voor de bezetter kozen, maar ook anderszins voor wie de Duitsers dienstbaar waren gebleken. Mijn vader was ook zo een collegestudent, mijnheer Deleu, die het Nederlands zeer genegen was en zich tegelijk, nadat hij zich in Waarschoot had gevestigd een allerlei organisaties zoals de ouderraad heeft ingezet, kerkmeester werd, filosofie ging studeren en lid was van het bestuur van de beroepsvereniging van Tandartsen. Verder bleef hij zijn leven lang studeren over de vooruitgang in zijn vakgebied. En zo ken ik wel meer mensen van die generatie en van de volgende... die zich absoluut niet erkennen in het neerbuigende beeld dat u van hen schetst[iii].

Bart Haers





 [i] Sommige mensen zouden hier het monstrum "veralgemenisering" in de pen nemen, terwijl ik dat een hypercorrectie vindt en zelfs een anglisme, dan wel gallicisme, want het komt zeer dicht bij "generalisation"  en het woord "Veralgemenen" bestaat al. Tenzij men wellicht vooral een zeker afkeer voor de oefening van het algemener maken, uitbreiden van een observatie tot het hele lot onder de aandacht wil brengen. Soms kan men er niet omheen wat eenmalig of maar een aantal keren opgemerkt wordt als vanzelf voor een algemeen geldend fenomeen te houden.
[ii] Of ik nu de inzichten van de eerste president goed zou keuren doet niets ter zake. Het gaat hier om de vraag of Vlamingen en Brabanders nu echt behept zouden zijn met een collaborateursmentaliteit.  
[iii] Ik voeg dit toe, omdat de uitspraken van Jozef Deleu, die wel over Wilfried Martens schrijft als zo een collegejongen, maar een halve generatie jonger en dus niet hoefde de keuzes onder ogen te zien die zij, de directe voorgangers wel te maken hadden, het vermoeden laten dat die generatie echt integraal voor collaboratie zou gekozen hebben. Onderduiken was een riskante bezigheid. 

Reacties

Populaire berichten