Door Rik Wouters gegrepen


Dezer Dagen


Rik Wouters, Brussel en 
politiek imbroglio alom


Eigen foto van een antikezaak. 
De treinen rijden nog, maar je mag niet verwachten op het voorgestelde uur aan te komen, want er zijn blijkbaar moeilijkheden op het net. Vroeger deed de trein er officieel 56 minuten over van Brugge naar Brussel Zuid, nu is het eerder 70 minuten en dan nog kan het mis gaan. Maar de treinen rijden nog. En als we naar de wereld van Rik Wouters kijken, is het allemaal nog best acceptabel. Maar men kan niet pleiten voor openbaar vervoer en vervolgens de spoorwegen in het eigen vet laten smoren;

Met een studievriend trokken we naar de tentoonstelling van Rik Wouters in de Koninklijke Musea voor schone Kunsten aan de Regentschapsstraat in Brussel. Lag het aan de hitte die over de stad ging of aan de aanslagen, maar de stad leek verrassend rustig, rustiger dan ik ze gewoon ben, maar goed, dat is impressionisme en daar doen politici en analisten niet aan. Pratend over de stad, stelde ik vast dat men er niet in geslaagd is het prachtige plein voor het Paleis van Karel van Lorrainen presentabel te maken, omdat men er een echte interesse voor heeft. Dat is wat Brussel kenschetst, de eigen publieke ruimte raakt verslommerd. Rond de Zavel en vlakbij de Grote Markt staan talloze panden leeg, verkommeren. Karel van de Woestijne had het moeten zien.

Ik heb al menigmaal de stukken van Karel van de Woestijne over Rik Wouters gelezen en behoef dan ook, zegde ik mijn studievriend, geen nieuwe commentaren. Van de Woestijne en Wouters leefden enige tijd gelijktijdig in Bosvoorde en Van de Woestijne kende de Brusselse kunstscène als geen andere. Maar de werken te zien, zoals nu in het Brusselse museum doet deugt, al valt er op de scenografie wel een en ander aan te maken. Maar ja, je kijkt naar de werken, van dichtbij, van veraf en merkt hoe de schilder optische raadsels en visuele vergezichten weet aan te brengen. Zou men kunnen zeggen dat Wouters met zijn beelden en schilderijen, aquarellen niet alles gezegd heeft, dat het volstaat te kijken, dan wordt het raadsel Wouters wel des te groter.

Soms lijkt Wouters zich te beperken tot de basiskleuren, rood, blauw en geel, soms komt er al iets dat refereert aan Boogie Woogie, maar het zal wel zo zijn dat kunstenaars haast alle in hun durf, als ze dat in hun mars hebben, van het landschap of het stilleven naar de abstractie verwijlen. Je kan niet veel anders dan de hoed afzetten en kijken naar hoe die man telkens weer zijn Nel liet poseren, in allerlei houdingen. Kwam Wouters welhaast zonder middelen naar Brussel, dan zou hij er vanaf 1906 in slagen een publiek te vinden dat zijn werken wilde kopen en wat Giroux ertoe bijgedragen heeft de kunstenaar onder de aandacht te brengen.

Het zelfportret met ooglap, waar de kunstenaar reeds aangetast is door een tumor, blijft Rik Wouters en het roept vragen op, aldus Karel van de Woestijne, de man te zien sterven, wijl hij nog in de kracht van zijn tomeloze werkkracht verblijft. Tijdens de lange wandeling door de zalen, merkte ik dat ik niet afdoende onbevangen meer kon kijken, tot enkele werken me weer bij Wouters terug brachten, werken die ik niet zo goed kende. De hele presentatie laat zien dat Wouters ons wellicht wel uitleggingen had willen doen, maar hij blijft stil net als de audiogids. Of liever, de schilder heeft in al die werken laten zien hoe hij vooral wilde schilderen, wilde beeldhouwen. Het zot geweld? Uiteraard, Huishoudelijke zorgen? Kijk, dan ben je wel geholpen als je weet dat in dat beeld een enkel moment van een spontaan gebaar in brons gegoten werd. Wouters toont ons scènes uit een huwelijksleven en daar kunnen we toch ook wel van genieten. Maar er wordt in de tentoonstelling nog weinig moeite gedaan alles summier te duiden, want er is een audiogids en dat vraagt soms meer aandacht dan goed is.

Na de uitgebreide visite aan de werken van Rik Wouters, gaan we nog even langs op de Zavel, bij een antiquair/uitdrager, die onder haardplaten in de aanbieding heeft. Niet dat ik er veel mee heb, maar tegelijk hebben die haardplaten wel iets, vertellen ze meer dan we ons op het eerste zicht kunnen inbeelden. Intussen zag ik een vrij opvallend beeld, dat niet helemaal spoort met de klassieke iconografie. Hoe we een vrouw afbeelden of afgebeeld willen zien, in marmer of albast, blijft altijd ook een kwestie van een hypocriete vorm van schroom.

Pratend over de betekenis van kunst in onze omgeving, kwamen we erop uit dat er in Vlaanderen en Nederland al zeer lang een burgerlijke cultuur bestond, want ook minder goed gesitueerde mensen wilden ook wel kunst, het wezen doekjes door amateurs geschilderd of grafiek van grote namen, als er maar iets van kunst in de kamer kwam. Ook de kunstenaars maken zich daar weinig zorgen om, net omdat ze weten dat er altijd wel mensen aandacht hebben voor kunst. Soms krijgt men de indruk dat kunst een consumptieproduct is geworden, waar het vlakke esthetische grotere aandacht krijgt dan andere facetten. Wouters schilderde, tekende, aquarelleerde en boetseerde zonder ophouden en maakte zo op korte tijd een redelijk groot oeuvre. Toch heb ik de indruk dat net hij, die te vroeg stierf, misschien meer nadacht over de vraag of hij nog wel iets te bieden had. Karel van de Woestijne schreef dat Wouters eerst bij Renoir inspiratie vond  en later meer naar Cézanne   ging kijken, maar hij doet zijn voorbeelden geen oneer aan, wel integendeel. Nog eens, we weten dat hij ook in Nederland bleef schilderen, tot het einde, maar, zoals Van de Woestijne schreef, niet gerijpt door de ziekte, maar bezeten door vitale drift, levensdrift en meester over het levende.

Het blijft ook voor historici die we zijn, mijn studiegenoot en ik, moeizaam werk door te dringen in het verleden, in het verleden heden, dat van mensen als Karel van de Woestijne en dat van Rik Wouters, die geleidelijk toch een naam was geworden, maar na de oorlog door Giroux, de bekende galeriehouder in Brussel, een retrospectieve tentoonstelling kreeg, in 1922. en waar Van de Woestijne ons dus breed verslag van deed, of beter, zijn Nederlandse lezers.

Sprekend over de opleiding Geschiedenis aan de universiteit Gent, kwam weer de vraag te berde, hoe het komt dat er zo weinig interesse in de media voor andere thema's dan de oorlogen en niet voor de ontwikkelingen in de burgerlijke samenleving. Geschiedschrijving van enig niveau verdraagt niet dat we enkel aandacht hebben voor wat onszelf behaagt, want het ging en gaat om krachten die met elkaar om overwicht strijden. Het kan zijn dat we inderdaad voor een Thomas More of een Madeleine Albright, voor Tomas Masarik een zekere voorliefde hebben, dan nog is het nuttig goed te kijken waar ze in hun tijd voor stonden en hoe ze bijdroegen aan bepaalde ondernemingen of processen. Maar we kunnen niet voorbij aan de handelingen en daden van een Erich Ludendorff of in de afgelopen tijd waarom presidenten als Chirac en Hollande het politieke bestel mee ontmanteld hebben. We hoeven toch geen laudationes te schrijven, vitae van mensen te pennen die (plots) boven alle twijfel verheven lijken.

Het verhaal van de EU laat ook zien dat men er vaak niet in slaagt de baten van een project onder de aandacht en over het voetlicht te krijgen. Op weg naar huis, per trein, zat ik rustig in het werk van Perry Pierik over Erich Ludendorff te lezen en een mevrouw vroeg me of het wel gepast is over zo iemand te lezen, want had hij niet de concentratiekampen uitgevonden. Ik vertelde haar welwillend dat ook boeken over 'slechte' figuren van belang zijn, om de geschiedenis te lezen. Bovendien heeft Lord Kitchener of Khartoum ook wel een zwaar leven gehad aan de vele Britse fronten. Bovendien moet gezegd dat men nu toch wel aanwijzingen heeft dat de Pruisen inderdaad wel als eerste België binnendrongen, maar dat de Fransen niet minder tuk waren op oorlog, al was het maar om 1870 te wreken, toen keizer Napoleon III bij Sedan met zijn troepen werd verslagen en 90.000 krijgsgevangen naar Duitsland werden afgevoerd. Om maar te zeggen, de oorzaken en het begin van de oorlog blijven stof voor controverse, behalve in hoofde van grote Vlaamse Intellectuelen als Sophie de Schaepdrijver of Marc Reynebeau. Zij hebben niets met het interessante boek van Christopher Clark, de Slaapwandelaars en ook met Philipp Blom, over de periode na de oorlog in Europa, Rusland en de VS.

Zij was nogal van haar a propos, door mijn uitgebreide repliek, maar kende de boeken die ik noemde niet, de Schaepdrijver en Reynebeau wel. Waarom ik hen nogal meewarig behandel? Omdat ze uitgaan van hun eigen gelijk en niet geschiedenis behandelen als een complex geheel, waarbij het niet altijd even gemakkelijk is, onderscheidende uitspraken te doen. Of de moord op een Servische koning en zijn koningin in 1903 al dan niet bijdroegen aan het begin van WO I, zoals Reynebeau betwijfelt, kan ik niet helemaal zeker bevestigen, wel kan ik met enige zekerheid vaststellen dat de verhoudingen in Europa aan het einde van de lange Negentiende eeuw, een periode van snelle technische en technologische, wetenschappelijke ontwikkelingen grondig gewijzigd waren en dat de ambities van sommige regeringen ook op scherp werden gesteld, niet in het minst in Servië en Frankrijk.

Zij vond dat ik me te gemakkelijk verlies in details, terwijl geschiedenis een kwestie is van hoofdzaken. Ietwat bevreemd vroeg ik haar of de industriële ontwikkeling van Duitsland vanaf ongeveer 1860 een detail mag heten, dan wel de opbouw van de machinebouwfabrieken in Bohemen, Tsjechië, die tijdens het interbellum voor Hitler een cruciale factor zouden worden. Dat, vond zij, is voor haar geen geschiedenis, want economie. U hoort me wellicht wel zuchten, want het werk van de historicus is lastig, omdat hij zowel politieke, artistieke, maar ook economische en demografische data in ogenschouw moet nemen en soms is het lastig er onmiddellijk het belang van in te schatten.

Toen de trein in Brugge stopte, alweer over tijd, vond ze me wel een interessante gozer, maar ik vond het vervelend, zonder haar dat te zeggen, dat men niet zomaar tot historische inzichten komt. Ik sprak haar over het Eerste Stadhouderloze tijdperk, onder Johan de Witt, maar helaas bleek haar kennis van de Republiek der Nederlanden onbestaande. Geen nood, ik vertelde haar dat het mijn inzicht is dat men de Europese geschiedenis best ter harte kan nemen en dus ook de raakvlakken waar bijvoorbeeld Frankrijk betrokken raakte met de gebeurtenissen in de Nederlanden, in Spanje of in de Duitse landen moeten zoeken naar wat de onderscheiden partijen bond en hoe de conflicten niet alleen allesbepalend zijn voor een inzicht in de Europese geschiedenis. Ook handel, onderwijs - de rondtrekkende studenten - maar ook vaak officieren die van land naar land trekkend om hun diensten aan te bieden.

Enfin, toen ik thuis kwam, bedacht ik mij hoe zwak het geschiedenisonderwijs wel niet is en hoe men in overhoringen en examens best niet teveel op zogenaamde parate kennis moet ondervragen, maar peilen naar inzichten die leerlingen hebben opgedaan tijdens de lessen. Nu goed, onze media hebben nog nauwelijks aandacht voor de bijdragen van historici aan het maatschappelijke debat.

Wat Brussel betekent voor de andere hoofdsteden, daar zouden de media wel eens verheldering kunnen brengen, maar ook over de vraag waarom politici zo weinig oog hebben voor wat ze aanrichten, wanneer ze de politieke instellingen als hun fief beschouwen, waar zij mannetjes en vrouwtjes plaatsen naar believen. Politici die menen dat ze 23 miljoen mensen van sociale bescherming in geval van ziekte menen te mogen beroven? Ik las het en bedacht dat deze politici zelfs geen begrip hebben van wat het betekent verstoken te zijn van sociale ondersteuning. Die mensen die hun ondersteuning en rechten verliezen hebben wellicht niet deelgenomen aan de presidentsverkiezingen of net voor Trump gestemd. Zoals Richard Sennett schreef, afzonderlijk ondervraagd accepteren ze wel de weldaden van een goede sociale zekerheid, in groep, durven ze niet toe te geven dat die hulp wel eens weldadig kan zijn. In het UK heeft men geen sociale huisvesting meer sinds Maggy Iron Lady, maar het laat zich aanzien dat men het ermee gehad heeft.

Kortom, ik had genoten van de middag in Brussel, in het museum en in de stad, we hadden goede gesprekken over bijvoorbeeld de vraag of de media en zeker de openbare omroep niet meer informatie moet bieden over wat er zich nu afspeelt en vooral wat we als het verleden beschouwen. Maar ik blijf ook versteld staan van het feit dat de opinievorming vaak berust op zeer onvolledige kennis van zaken. Sinds 30 jaar of iets meer beleven we een nieuwe industriële revolutie, waaraan Apple en Microsoft naast anderen veel hebben verdient, maar ons leven is ook grondig gewijzigd en dat moet ook eens in kaart gebracht. Nu goed, bedacht ik me, we kunnen maar onze kleine bijdragen leveren.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten