Gutmenschen en Humanisme





Dezer Dagen


Fragiel humanisme
Diep gewortelde inzichten



Giovanni Pico della Mirandola,
die als eerste een lofrede op de
menselijke waardigheid schreef,
maar echt vaak wordt er niet naar
verwezen. 
Bas Heijne pleit voor het herstel van humanistische waarden en ik kan hem wel volgen. Overheden die morsig omgaan met mensen en menselijke waardigheid, dat vergt en verdraagt weerwerk. Wat we vergeten lijken te zijn of over boord hebben gekieperd is de gedachte dat mensen er nu eenmaal zijn en dat samenleven niet vanzelfsprekend is. Of het helpt met een beroep op de rede alleen of dat we beter zien wat moet als we de menselijke vrijheid negeren, het blijft nog maar de vraag.

Samenleven blijft een hele opgave en toch kunnen we niet anders dan proberen aan te geven dat we met onze medemensen over de weg moeten, als we een beetje een waardevol leven willen leiden. Soms moet men erkennen dat er sprake is van zero sum game, maar doorgaans is dat maar een alibi om de bullebak uit te hangen of de bitch. Aan de andere kant moeten we natuurlijk voor onszelf durven en kunnen opkomen en niet wachten tot er kruimels onze kant opkomen. Maar samenleven vergt meer dan dat en dan is er ruimte voor de calculerende mens maar ook voor de delende mens, die al eens een gift om niet doet. Dat hoeft niet gebaseerd te wezen op de christelijke naastenliefde, maar er is niets mis mee, met naastenliefde al helemaal niet.

Ignaas Devisch hield een pleidooi voor Gutmenschen en zelf vond ik eerder steun in de gedachte die Alicja Gescinska formuleerde, namelijk de idee van de Allmensch, de mens die goed is in wat hij of zij doet en dat ook met overgave doet; ouder zijn is zo een activiteit waarin de Allmensch zich onderscheiden kan, maar ook leraar of hardloper. Misschien heeft het begrip Gutmensch de werking van een rode lap op een stier, geloven mensen, op grond van aannames die vanuit de evolutionaire psychologie en andere modetjes in de populaire wetenschappen waarin men stelt dat altruïsme niet kan. Susan Neiman heeft die vooronderstelling op goede gronden van tafel geveegd, want hoe zou menselijk samenleven mogelijk zijn, als er alleen maar egocentrisme en egoïsme zou zijn. Om als soort te overleven heeft de menselijke soort sinds ze van de apenrots is afgedonderd altijd op twee gedachten moeten hinken, zorgen voor zichzelf en zorgen voor de mensen om zich heen, wat inderdaad een identiteitservaring met zich bracht.

Zeker de term Gutmensch blijkt dan niet zo gelukkig gekozen, want het is duidelijk dat mensen niet zomaar van goede wil zijn, maar dat dit ook deel uitmaakt van nagenoeg elk opvoedingsproces, behalve wanneer men van kinderen én volwassen verwacht dat zij zich onderworpen leren te gedragen. Het is per slot van rekening ook een manier om orde en rust te houden in de samenleving, maar of we daar veel heil van moeten verwachten, valt nog te gezien.

De Gutmensch wil goed doen, maar kan hij/zij wel voldoende empathisch de weerslag van zijn of haar goed handelen voor de ontvanger van zoveel goedheid erkennen? De Allmensch zou wel eens meer fijngevoeligheid aan de dag kunnen leggen omdat hij dan wel zij goed begrijpt dat niet elke goede daad ook als goed erkend en ervaren wordt. Ook dat vergt oefening want nog deze winter vernamen we dat vrijwilligers in een voedselbank er het bijltje bij neerlegden omdat de klanten, behoeftige mensen geen respect voor hun werk zouden hebben: preien en andere groenten werden uit het pakket gekieperd. Heeft men gevraag waarom mensen dat deden? De kranten vonden dat we die vrijwilligers maar moeten begrijpen. Ik denk dat als je niet spreekt met de mensen voor wie je goed tracht te doen, hen niet respecteren kan, dan komt de hulp ook niet aan. Omgaan met mensen is niet eenvoudig, zoals een verpleegster mij eens zegde. Je doet ongewild dingen die de patiënt stuitend vindt en je zal het niet zo gauw met regels opgelost krijgen.

Ik begrijp dat we in onze tijd mensbeelden van node hebben die handvaten kunnen aanleveren voor een goed leven. In de filosofie is het lang niet aan de orde geweest, de vraag hoe men goed kan samenleven met andere mensen, tot onder meer Levinas zich op het gelaat van de andere ging richten. Over goed samenleven werd en wordt in de bladen zelden ernstig nagedacht, terwijl men het falen van mensen graag onder de aandacht brengt, zoals burenruzies, gedoe met wetsdienaren en dergelijke meer. Ook politici geloven steevast dat zij op alles een antwoord moeten hebben, terwijl ze hoogstens als opdracht hebben de samenleving op orde te houden. De wereld verbeteren? Tja, laat ze dan beginnen zichzelf in de spiegel te kijken.

Het antwoord ligt niet voor niets in de humanistische traditie, in die zin dat ze put uit de inzichten van Montaigne, More, Erasmus en Vives, Giovanni Pico della Mirandola... die alle op de een of andere manier het strikte en formalistische denken loslieten, opnieuw vragen gingen stellen. Net Descartes vond dat hun aanpak nergens toe zou leiden en vond een nieuw formalisme van het denken uit, waarbij kennisdomeinen glashelder van andere werden onderscheiden. De inbreng van Spinoza, die meende volgens de wiskundige manier te denken, bracht weer wat lucht in de zaak maar ten tijde van de Aufklärung zag men zowel formalisme opduiken als de gedachte dat we zelf wel kunnen denken. Het humanisme bleef nagloeien, maar zeker tijdens de negentiende eeuw zag men via Hegel en Marx nieuwe, strak georganiseerde stelsels opkomen, waar mensen zich graag in verloren, omdat het zo helder lijkt. De Hegelianen beriepen zich wel op de vrijheid, maar niet als doel, want het systeemdenken leidde noch kan leiden tot persoonlijke autonomie.

Nu goed, persoonlijke autonomie verdween om een of andere reden uit het vocabularium van onze onderwijshervormers, maar ook in maatschappelijke debatten verdween de gedachte dat zelfbeschikkingsrecht op elk domein dient te gelden, maar waarbij men, als het goed is, maatschappelijke regels kan aanvaarden, omdat iedereen er wel mee zal varen. De invoering van de Gemeentelijke administratieve sancties, soms uitgeschreven voor kleine inbreuken, heeft duidelijk gemaakt dat overheden niet meer geloven in het goede oordeel van burgers.

Om maar te zeggen dat ook politici zich best kunnen bekwamen in het humanisme, dat zowel oog heeft voor individueel welbevinden als voor het algemeen belang, hoe moeilijk dat ook tot stand komen kan. Daarom doet men nu graag op objectieve, wetenschappelijke bevindingen, spreekt men over evidence based medicine, maar vergeet men dat een goede medische benadering inderdaad de bewezen inzichten in de vingers heeft, maar ook de individuele patiënt helpen wil en daarom ook moet kijken of de behandeling gunstig uitpakt.

Humanisme, anders dan rationalisme, gaat uit van wat inzichten betekenen voor mensen en hoe zij daarmee uit de voeten kunnen. Een humanistische reflex in de vingers krijgen zal nog wel lukken, maar het levert geen mooie formules of zekere antwoorden op en dat schrikt af. Want willen niet graag alles onder controle hebben en vooral de ander, in plaats van die ruimte te geven om te ademen en te handelen? Lang heb ik mij afgevraagd waar racisme vandaan kan komen, want ik begreep noch begrijp hoe men mensen met een donkere huidskleur minderwaardig zou achten. Gesprekken voeren als goij met joodse mensen leerde me dat zij wel eens huiveren voor teveel filosemitisme, maar tegelijk kunnen zij moeilijk aangeven hoe ze met racisme te maken krijgen - ik heb het over mensen die zich niet anders kleden dan u en ik, geen zwarte hoeden dragen en pijpekrullen hebben. Kortom, mensen die even seculier leven als ikzelf. Maar dat ze al eens als joods bejegend worden, konden ze niet ontkennen. Voor immigranten uit Marokko en Turkije was het nog moeilijker uit te leggen hoe ze vroeger bejegend werden en waarom het nu soms erger lijkt. Discriminatie roepen, zegde iemand me, is gemakkelijk, maar doorgaans helpt het vriendelijk te blijven, tenzij het echt onuitstaanbaar is. Het meisje in kwestie had even een hoofddoek gedragen maar op een dag, na twee jaar, had ze thuis gezegd dat ze zich alleen maar westers wilde kleden en haar ouders bleken verheugd, terwijl ze net had gedacht dat ze die folklore moest volgen. Maar haar ouders legden uit dat iedereen in de familie weigerde afstand te doen van de tradities en dat zij dat probeerden af te houden, die traditie.

Met haar ging ik het gesprek aan over humanisme en zij begon Erasmus te lezen en Utopia, maar ook Albert Camus en Arendt, wat haar op banbliksems op school en in de bibliotheek kwam te staan. Men begreep niet dat ze haar eigen autonome ontwikkeling aangevat had. Regelmatig kwam ze me opzoeken om meer aan de weet te komen en het oude adagium bleek waar: docendo discimus, bij het onderwijzen leren we. Het komt me voor dat we de praktijk van het humanisme onderschatten en er te zeer een systeem van wensen te maken. Het feit dat er mensen zijn die vatbaar blijken voor een goed gesprek, maakt me kregelig als ik mensen hoor over de superioriteit van onze waarden, want als we ze niet beleven, als we ze enkel bij de hand hebben in de serviceclub of een salon, dan betekenen ze niet veel. In die zin kan men de hele toestand bij Samusocial wel verklaren: we doen goed, dus mogen we ervoor vergoed worden en dat resulteerde in iets wat Ludo Milis beschreef in "Hemelse monniken, aardse mannen": Kloosters deelden brood uit aan bedelaars en dat werd opgenomen in de boekhouding, maar een brood was zoiets als een kadetje. Formeel geeft men voedsel, in de praktijk stelt het weinig voor.

Gutmenschen, zo lijkt het soms, staan dicht bij die hemelse monniken, terwijl een Allmensch inderdaad probeert de nood meer structureel te ledigen. Het volstaat niet het goede te willen doen, het vergt ook enige volharding en aan het einde moeten de mensen die op die welwillendheid rekenen ook het gevoel hebben dat ze echt verder kunnen. Een pleidooi voor humanisme in deze tijd wil ik best onderschrijven, op voorwaarde dan dat een humanistisch ingestelde mens de ander inderdaad voorrang geeft op de regels.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten