Van democratie gesproken



Kritiek


Democratie en participatie
Donkere wolken noch heldere hemel



Het debat over het vodje papier dat de grondwet
volgens Leo Tindemans zou zijn, of net niet,
heeft altijd het debat opzij geduwd over de
democratische legitimiteit van het
Egmontpakt, een akkoord over de
hervorming van de staat. Teveel tegenstanders
waren wat blij dat het afgeschoten werd.
39 jaar later is het probleem nog niet
naar behoren opgelost. 
Goed dat Human doorgaat met het "Filosofisch Kwintet" waar Clairy Polak over de gang van zaken het licht laat schijnen met vier gasten, zondag 23 juli alweer met Philipp Blom, met Alicja Gescinska, Armen Hakhverdian en Thomas Decreus. Participatie van burgers is voor een democratie evident een basisvoorwaarde en tegelijk moet men erkennen dat elke verkozene een burger blijft. Hoe men de idee van een politieke kaste ingang kon laten vinden, tenzij als een toetssteen voor de kwaliteit van een democratie met een gezonde graad van betrokkenheid bij het politieke, verdient nader onderzoek. Feit is dat men   er ook nogal gemakkelijk vanuit leek te gaan dat de politieke wereld een voor "gewone" burgers afgesloten speeltuin zou wezen.

"De democratie is wat we er zelf van maken", zegde Philipp Blom met recht en rede, terwijl men wel moet erkennen dat er bijvoorbeeld in de media liefst niet over, laat staan met mindere goden wordt gesproken. Men sterkt bovendien de partijen in de overtuiging dat ze altijd in verkiezingsmodus moeten zijn en dat er geen barsten in het front mogen komen, zodat men de kaderleden en verkozenen wel met mediafiches de weg op moet sturen, om te voorkomen dat iemand iets verkeerd zou zeggen. Dat is niet zo nieuw als men denkt en goed twintig jaar geleden kon men altijd wel ergens een dissidente stem vinden die het feestje van de chef op een cruciaal moment kon verbrodden. Men kan nu eenmaal nooit iedereen zomaar tot volgzaamheid bewegen.  Tegelijk zal men van mensen die zich engageren in een partij niet bedienen als van dienstpersoneel. De rol van een politieke partij werd in de particratieën opgerokken en tegelijk ingesnoerd. De macht van een partij ging af van de greep die men wist te verkrijgen op de instellingen en daarvoor had men partijsoldaten nodig, liefst trouwe, maar de laatste twintig, dertig jaar zijn in  meerdere landen van Europa, zeker waar het proportioneel systeem bestaat, zijn de centrale partijen, zoals Thomas Decreus stelde, naar het centrum zijn opgeschoven en dat schiep ruimte op de uitersten van het spectrum, al was en blijft het succes ervan voorlopig beperkt. In Duitsland konden de Oud-communisten zich enige tijd staande houden en vormen nog steeds een fractie in de Bondsdag. De neonazi's kregen ook geen voet meer aan de grond, maar dat mag niet verbazen. Ook Alternative für Deutschland lukt er niet in een stabiele factor te worden wegens een opeenvolging van defenestraties, omdat men straffer wil blijken dan het zittende presidium.

Maar het karakter van een partij hangt nu net af van de leden die het geheel schragen en daar heeft men de afgelopen decennia steeds weer nagelaten die leden, die zich vrijwillige engageren - of het zou moeten zijn dat men met verdoken vormen van coöptatie werkt, wat op zich nog te begrijpen zou zijn, omdat men zo vanaf het lokale niveau geschikte mensen kan vinden - ook naar waarde te schatten. Er is trouwens altijd nog een verschil tussen lidmaatschap en actief lid zijn, de lui die mee aan de weg timmeren, bij het canvassen, de markten afstruinen met flyers... Dan kan men die mensen niet genoeg ondersteuning geven en zal men er dan ook veel voor terugkrijgen. Maar dan mag men van leden niet verwachten dat ze elke keer als het presidium iets wil gedaan krijgen ja en amen zullen zeggen. De inhoudelijke koers van partijen wordt te vaak alleen aan de top bedisseld en dat maakt leden kregelig. Niet allemaal en zeker niet massaal, maar het is wel zo dat een levendige debatcultuur in een partij voor de buitenwacht lichtvaardig voor onenigheid wordt gehouden en dan kan de partij niet veel anders dan de debatten ver buiten het beeld van de media te houden, zodat de besluitvorming ordentelijk kan verlopen. Alvast Geert Wilders kan volstaan met een monologue interieur.

Toch zien we dat een democratie er telkens toe komt zichzelf vorm te geven, waarbij het zeker wenselijk is dat burgers zich buigen over de grondslagen van de democratie. Er is vrijheid van vereniging en dus kenden België en Nederland decennialang een systeem van verzuiling, waarbij men zich per gezindte organiseerde en binnen de zuil vanzelfsprekend lid was van allerlei (noodzakelijke) organisaties. Maar er bestond ook en er ontstond buiten die zuilorganisaties ook een reeks nieuwe organisaties, die zich met nieuwe kwesties gingen bezighouden en vervolgens ging men actief de publieke opinie bespelen. Thomas Decreus verwees naar het Oosterweelproject, dat veel meer dan alleen die viaduct/tunnel bevatte en bevat. Maar de argumenten van de burger-activisten werden zelden op hun correctheid getoetst. Nu heeft een Intendant, Alexander D'hooghe de verschillende standpunten met elkaar verzoend tot die hoogte dat het verkeersinfarct nu opgelost kan worden, waarbij bedacht kan worden dat er nog wel wat water door de Schelde zal stromen, voor het project voor gebruik opengesteld kan worden.

Burgeractivisme is belangrijk, maar soms blijken ook burgers hun individuele, particuliere belangen goed te verpakken in discussies over kwesties van algemeen belang, over onweerlegbare principes. Nu bestaat er een nogal heftige discussie over wat bedoeld wordt met de term algemeen belang, want uitgaande van het maxime dat de democratie het geïnstitutionaliseerde conflict is, kan zoiets als het algemeen belang niet bestaan, terwijl het toch altijd een concept blijft, niet tastbaar, maar wel van belang maatstaf in het publieke debat. Voor sommigen strijden klassen tegen elkaar, voor anderen gaat het om een strijd van allen tegen allen en soms vindt men toevallig bondgenoten. Die idee dat de democratie als organisatie van het politieke het product is van de Verlichting, moet men toch enigszins bijgesteld worden, want de discussies over de vraag of de vorst van alle wetten vrij was, werd al in de vijftiende en zestiende eeuw gevoerd. Onder meer Thomas More betoogde, in het eerste boek van Utopia, dat een vorst rechtvaardigheid moet betrachten en de machtige lieden intomen. De teksten die uit het conflict tussen de Nederlanden en Philips II zijn voortgekomen, werden democratische beginselen ingeroepen, al verkoos men de macht in handen van de "pars sanior"   te leggen, de wijzere, oudere en meer gezeten leden van de samenleving.

Maakte men ook niet een helder onderscheid tussen hongeroproeren en conflicten die draaiden om het verwerven van macht, dan wel omdat de hongeroproeren nogal minabel vond en vindt. De eerste vorm van oproer hadden te maken met mislukte oogsten en stijgende voedselprijzen en konden doorgaans gemakkelijk neergeslagen worden, al maakten de meer gezeten burgers er wel eens gebruik van om eigen eisen op te tafel te leggen. Maar als juist die groep in steden de zetelende macht in handen had, dat kon het conflict wel eens hoog oplopen. Bij opstanden waar de legitimiteit van de vorst in vraag werd gesteld en vervolgens de vraag te berde kwam of de vorst de "oude gebruiken" had geschonden dan wel gerespecteerd, kregen gebruiken vorm die bij het uitbouwen van de democratische instellingen geformaliseerd werden.

Bekijken we de geschiedenis van meerdere Europese landen, dan merkt men dat er bijna overal momenten zijn geweest waar de vorstelijke macht afkalfde ten voordele van (burgerlijke) elites, omdat de balans verschoof van een machtdelegatie bij de genade gods naar een macht die verleend werd door de burgers. In debatten over het functioneren van de democratie komt dit zelden aan bod, omdat men de machtsdelegatie vanwege een of andere god te belachelijk voor woorden acht. Maar ook ideologieën kennen evenzeer een machtsdelegatie van boven- dan wel buitenaf, waarop een partij  in naam van de ideologie de macht verwerft, behoudt en bestuurt. Meestal loopt ook dat niet goed af, want het blijft een bron van willekeur en dus van onrechtvaardig bestuur. Maar men kan er niet mee volstaan te menen dat men een democratie heeft als een groep mensen zegt namens het volk te besturen.

Verkiezingen moeten kaf en koren scheiden en dat kan alleen door het volk zelf. Maar inzichten worden niet algemeen gedeeld, zeker niet als het over belastingen en overheidsbestedingen, gevat in toegekende rechten gaat. Nu in de VS de president per fas et nefas beweert dat de uitbreiding van de ziekteverzekering - Obamacare - een ramp is, een nachtmerrie, zonder er argumenten voor te geven, inspelend op de idee als zou een Amerikaan geen boodschap hebben aan maatschappelijk ondersteunde gezondheidszorg, dan blijkt wel dat mensen nu wel degelijk de voordelen van Obamacare ervaren en die niet kwijt willen. Enkele sponsors van Trump en de partij willen ervan af en verlaging van de belastingen voor de rijken lijkt hen beter, zonder dat de media, zoals Fox hier achter de waarheid en juistheid van de voorstelling van zaken proberen te komen, wat uiteraard niet zo simpel zal zijn. Trump won de verkiezingen met manifest dubieuze voorstellingen van zaken, waarbij men zich moet afvragen wie er voordeel bij hebben kan, behalve enkele steenrijke sponsors.

Men kan veel vertellen over Donald J. Trump en zelfs over Theresa May, beide politici gaan vooral zonder verpinken voorbij aan de grondslagen van een democratische politieke structuur, omdat zij een politiek project voorstaan dat uitdrukkelijk particuliere belangen schaadt en andere bevoordeelt. De GOP, Good Old Party, was ooit een partij die net het algemeen belang dienen wilde en niet zo terughoudend was ten aanzien van de werking van de staat. Met Reagan is dat refrein in de wandeling steeds luider gaan klinken. Trump wil de instellingen kortwieken, maar vergeet dat die precies dienstig zijn om het ideaal van John Adams en zelfs diens tegenstanders te realiseren: zorgen dat mensen hun eigen leven vorm kunnen geven. Theresa May wil de Brexit, niets dan de Brexit en gelooft dat het UK van vandaag nog steeds het UK van Victoria of zelfs Winston Churchill is. Juist, Churchill steunde Schuman, Adenauer en Spaak in hun streven naar een Europese samenwerking, omdat hij kon geloven dat het UK nog steeds een imperiale macht was. In 1948 werd India zelfstandig en dat betekende al veel verlies aan invloed en in de volgende decennia werden steeds meer landen onafhankelijk. Voor die landen was dat ook niet altijd een zegening, voor het UK bracht het ook verarming mee. In 1976 diende het IMF Londen financieel bij te springen, maar dat was in de debatten rond de Brexit nooit een thema.

De idee van samenwerking ligt net aan de grondslag van elk democratisch bestel en het valt me op dat veel kritiek op de onvolmaaktheid van het bestel zich vaak richt op feiten, zoals gevallen van corruptie of graaicultuur, maar ze komen aan het licht en worden aangepakt. Men kan van zichzelf en dus al helemaal niet van anderen eisen volkomen vlekkeloos door het lijf te gaan. Bovendien blijken we elkaar wel eens te vragen of men wel recht heeft op iets. Iedereen evenwel is boos als blijkt dat men toch geen toegang krijgt tot een of andere dienst, een of ander product. Het heeft te maken met de idee dat gelijkheid betekent dat men alles moet mogen krijgen, terwijl de markt met financiële drempels werkt. Die worden door het streven naar winstmaximalisatie vanzelf ook getemperd, omdat er bepaalde correlaties zijn die optimale winst kunnen vaststellen. Maar dat is een kwestie van de vrijheid van de producent en als die de bal helemaal mist, dan kan hij of zij eraan onderdoor gaan.

Ons beeld van de democratie is, zoals ook met het bovenstaande betoogd wordt, gericht op wat er in het bestel zit dat mij goed uitkomt, waar ik en vooral ik baat bij heb. Dat anderen van bepaalde voorzieningen baat kunnen hebben zal "mij" dan worst wezen, terwijl we daar net voordeel bij kunnen hebben, dat er goed onderwijs is, dat er goed DKO en sportverenigingen zijn die jong en oud een aangename tijd kunnen bezorgen en als het uitstekend gaat, zelfs een loopbaan. Hebben we het dan al over infrastructuurwerken, dan ziet men dat er vandaag veel moeilijkheden als een men nieuw stuk weg wil aanleggen, al valt het soms toch nog mee. Maar in de discussies over wegenaanleg komt men vaak tot een discussie over groene waarden, die hoogstaander zouden zijn en harde economische waarden, geld dus. Maar mobiliteit en vrij verkeer van goederen heeft ook betekenis, want als men die bijzondere transporten ziet met onderdelen van windmolens, dan beseft men dat een goed wegennet zelfs voor groene waarden van belang is. Hoe zal men dat bespreken en tot een besluit komen? Dat is het wezen van de parlementaire democratie, waarbij het aan de verkozenen is om moeilijke beslissingen te nemen en te durven verdedigen.

Zou het goed zijn, mocht men mensen uitloten om over complexe zaken van gedachten te wisselen, zoals David van Reybroeck het voorstelt. De stad Gent past die methode toe om het verkeerscirculatie toe, maar dat staat even ver af van u en mij als een gemeenteraad. Enfin, bij een gemeenteraad kan men nog uitzoeken wie zetelt en waar men die mandataris kan aanspreken. Bovendien zal men wel merken welke mandatarissen hun werk doen en welke uitblinken in afwezigheid of mutisme. Maar dan moet men wel eens luisteren naar het nieuws of de website van een mandataris raadplegen. En dan volgt de vraag: is het goed gedaan?

Hier moeten u en ik aan het werk en kan men er zich maar moeilijk gemakzuchtig vanaf maken. Want burger zijn, zegt men, impliceert verantwoordelijkheden en burgerplichten, maar dat gaat verder dan het groeten van de vlag en het kwelen van de nationale hymne. Dat kan nuttig en belangrijk zijn, maar belangrijker is toch dat we ons tijdig op de hoogte  stellen van het beleid en wat we denken, zonder daarbij onszelf als maatstaf te nemen, dat goed zou zijn. Als particulier kan men, zal men de eigen belangen verdedigen, als burger en begaan met het algemeen belang, zal men de eigen belangen niet op de voorgrond plaatsen, zonder daarom helemaal blind te zijn, vanzelfsprekend. Een democratie vergt meer van mensen, maar ook de media beschouwen het politieke gebeuren als iets dat achter de vierde want tot stand komt, waarbij wij burgers oningewijd mogen applaudisseren, dan wel uitjouwen.

Leven in een democratie heeft voordelen, onder meer omdat het politieke gebeuren getemd is en geweld achterwege blijft. In Polen of Venezuela zien we hoe gevaarlijk het kan worden als de overheid uit de eigen rol stapt en probeert het bestel eenzijdig te sturen in de eigen richting. Maar dan komen mensen wel op straat en zo te zien vergt het ook moed. Dat is wat in het programma "Het filosofisch kwintet" ook wel door Alicja Gescinska werd aangekaard, maar de anderen hebben niet meegemaakt wat haar ouders in Polen hebben beleefd, noch meegemaakt wat het is als vluchteling in een de administratieve molen vermalen te worden. Waarom moest men uit Polen vluchten? Omdat het land slecht bestuurd werd, de vrijheden gefnuikt en de toekomst uitzichtloos. Zou dat voldoende zijn? In het debat over de vluchtelingenstromen komen de mensen niet aan de orde, terwijl het altijd over mensen, individuen gaat, met een eigen persoonlijk leven. In een democratie beschermen we dat. Wel zullen we, gegeven de mogelijkheden van ICT moeten nadenken hoe we dat in de toekomst zullen organiseren en dan zal men best niet alleen luisteren naar ICT-experten noch naar veiligheidsbeambten.  Alleen in een volwaardig parlement kunnen de vele facetten besproken worden, zoals Paul Frissen schreef in "Het geheim van de laatste staat": wil men de veiligheid en vrijheid van burgers garanderen, dan zal de staat de veiligheid zo geheim mogelijk garanderen, want anders worden niets vermoedende burgers slachtoffer van het veiligheidsbeleid. Toch merkt men bij politici de neiging alles transparant te maken, ook waar dat schadelijk kan zijn.

Bart Haers






Reacties

Populaire berichten