Wat een bekeerlinge lijden moet



Recensie


De bekeerlinge
of het leven in onzekere tijden



Stefan Hertmans, De Bekeerlinge. De Bezige Bij 2016. pp 320 gebonden. 19,90 €


Toen het boek De Bekeerlinge verscheen, werd de roman zoals te doen gebruikelijk met de nodige toeters en bellen  in de markt gezet, waarbij vele recensenten onmiddellijk in het geweer schoten om het boek op te stuwen in de aandacht van de lezers. Op dat moment is het moeilijk een boek zomaar ter hand te nemen, zonder met bijgedachten te lezen. Nu de storm al lang en breed gaan liggen is, kan ik er wel over nadenken.

Ik denk dat men begrijpen zal dat de tijd waarover Hertmans schrijft, zeker wat Europa betreft, niet zo goed gedocumenteerd is als de veertiende eeuw, toen er in Frankrijk wel erg met de joodse onderdanen werd gesold. Paus en Koning wisselden elkaar af in het kampioenschap antisemitisme. Voor de periode die aan de eerste kruistocht vooraf ging, is de informatie eerder fragmentarisch en gezien de pogroms in Rouen en elders gedurende de periode volgend op (de oproep tot) de eerste kruistocht, de uitdrijving ook in 1394, waarbij opgemerkt moet worden dat Frankrijk als koninkrijk steeds meer gebieden omvatte, blijft onze kennis erover eerder beperkt. De goede tijd voor Joden in Frankrijk viel samen met de opkomst en ondergang van het Karolingische rijk. De Kruistocht gepreekt door Pieter de Kluizenaar en anderen, opgezet door paus Urbanus II bracht een eerste kookpunt met zich, want hij riep op tot ongenadige strijd tegen de vijanden van Christus. Men moest al over de Pyreneeën of anders naar Tunis om die vijanden aan te treffen, als men niet tot Jeruzalem geraakte. Die andere vijanden van Christus waren dichtbij en min of meer bekend in de steden, zoals ook gebleken is. Stefan Hertmans sleept de lezer mee in een onverwacht avontuur en dat vond ik wel de moeite waard. Tegelijk denk ik dat de auteur het probleem van de anachronismen niet geheel overzien heeft. Nu, zo eenvoudig zal dit ook wel niet zijn, omdat onze kennis van deze geschiedenis ons niet zo heel goed bekend is als we graag denken.

Een eerste kwestie betreft de mogelijkheid dat een christen vrouw, ongehuwd het christelijke geloof zou afvallen, want we kunnen ons het leven in Rouen te dien tijde niet inbeelden. Zelfs de beste bronnen uit die tijd zullen weinig over het leven van vrouwen vertellen. Of het mogelijk is? Zeker, maar we kunnen ons met Hertmans verwonderen over het feit dat er op sommige plaatsen nog sporen te vinden zijn, als men ze kan lezen. In die zin vond ik het lezen van het boek best wel interessant.

Een moeilijker vraag is of we ons een indruk kunnen vormen van de bevolkingsomvang in het Zuidwesten van Frankrijk, waaruit de troepen van de hertog van Toulouse gerekruteerd werden. De bevolking was in aantal aan een groei begonnen, maar tegelijk was er het probleem dat we die groei niet goed kunnen vatten. Wel kan het zo zijn dat de bevolkingsaangroei de groei van de steden aandreef terwijl er op het platteland een bevolkingsoverschot bleef bestaan. Zou het kunnen dat het antisemitisme ook toenam, omdat de samenleving zo snel veranderde? Bovendien hadden joodse gemeenschappen het voordeel dat de intellectuele kennis werd doorgegeven. Hoe zat het met de christenen? Ook daar nam het onderwijs toe, maar hoe het in de steden georganiseerd was, blijft altijd nog onduidelijk voor de late 11de eeuw. Wat men ook mag zeggen over de superioriteit van Europa, rond 1096 was men lang zover nog niet.

Want hoe moeten we dat begrijpen dat mensen zomaar een goede 1000 km te voet van Rouen naar Narbonne te reizen over land, een tocht door Frankrijk dus waar we weinig van herkennen en ook de auteur kan met de landschapsbeschrijvingen de  leemtes niet invullen, maar dat is ook zijn opzet niet. Geen mus mag van de kroonlijst vallen zonder een reden? Stefan Hertmans weet dat een verhaal reconstrueren altijd wel ergens losse eindjes heeft en toch, de lezer kan maar beter proberen te vertellen hoe het eraan toe is gegaan.

Vigdis Adelaïs? Sara? Hamoutal... drie namen, een persoon, vele levens, zo moet men aan het einde vaststellen, maar ook, hoe moeilijk is het niet te vatten, een vrouwenleven waarin de liefde en niet de zekerheid de drijfveer worden. Had Vigdis Adelaïs niet in de luxe van het ouderlijke huis kunnen wachten op een geschikte, christelijke echtgenoot, een ridder of zo. Maar dan zou Hertmans wellicht niet achter haar aan hebben gezeten, want het bijzondere van verhalen is dat ze over mensen gaan die iets doen dat een ander niet zou doen, beter niet zou doen. Of het nu de aantrekkelijkheid van de zonde is of het afschrikwekkende overtreden van een taboe, het levert verhalen op en welke moraal de verteller ook in gedachten heeft, die overtredingen vormen er de kern van, zoals precies een joodse traditie van verhalen vertellen het leven kleurt en vormt. De Griekse tragedie berust overigens ook al te vaak op het overtreden van normen, doorgaans met de beste bedoelingen.

Blijft de vraag hoe een mens zomaar in een (andere) godsdienst kan stappen en zich lidmaat weten van een nieuwe groep. De auteur laat zien dat het Hamoutal niet zo gemakkelijk afgaat en dat ze zich finaal overal uitgesloten voelt. Dat ze verliefd wordt op een student van een joodse school, in een stad als Rouen, dat zal dan wel, dat ze iedereen weet te verschalken en vervolgens met haar David via sluipwegen kan vertrekken, lijkt ons moeilijk te vatten, maar het land was anders toen, de steden hadden al wallen en poorten, maar lang niet altijd even goed afgesloten zodat mensen ongezien binnen en buiten kunnen glippen, voor wie het weet.  

Ik had bij het lezen van dit boek het vermoeden dat Stefan Hertmans de lezer wilde meenemen in het leven van een andere cultuur en hoe we er toegang toe hebben. De bronnen spreken, zeggen historici, maar ze moeten eerst bij die bronnen komen of die bronnen moeten hen vinden, wat in het geval van dit verhaal, van een bekeerlinge uit Rouen die via Narbonne en Monieux en na de vernietigende pogrom via Marseille en Palermo naar Egypte reist door een brief van een rabbijn tot ons gekomen is. Een lang verhaal herleiden tot de vermeende essentie, gaat ons gemakkelijk af, maar Hertmans laat ons ervaren dat juist al die details het verhaal maken. Hoe vaar je nu van Marseille naar Palermo? Niet, je vliegt. Toen was reizen een ander paar mouwen en het indrukwekkende netwerk dat joodse gemeenschappen hadden doorheen de christenheid, maar ook in de Arabische wereld vindt men gemeenschappen, zorgt voor veilige havens. Het verhaal zoals Hertmans het in een artikel aantrof, was in Cambridge terechtgekomen als gevolg van een gelukkige vondst, een aantal geschriften die door rabbijnen in een afzonderlijke vergeetput werden gegooid,want teksten waarin de naam van god vermeld wordt, mag niet door mensenhanden vernietigd worden.

Fustat was de oude naam van Caïro, dat onder de Fatimiden werd gesticht. Met de val van Fatimiden moet ook Fustat eraan geloven, maar er lijkt wel een voortdurende bewoning geweest te zijn, maar de synagoge verdween gedeeltelijk. De bergplaats, waar de stukken vergeten werden gedeponeerd werd pas in de negentiende eeuw ontdekt en later door wetenschappers meegenomen naar Cambridge en toen kon er onderzoek gedaan worden. Het verhaal van de Bekeerlinge is ook zo tot ons gekomen, maar het is Hertmans die vond dat er stof in zat voor... een verhaal, twee verhalen zelfs, want zijn eigen zoektocht naar die Vigdis Adelaïs en hoe hij levensomstandigheden kan verkennen, onder meer door haar achterna te reizen. De spoorzoeker merkt evenwel dat het landschap veranderde, maar ook valt het lastig mentaliteiten te lezen en ja, de motieven van mensen goed te vatten. Is het zo dat mensen in die tijden niet reisden, zoals men graag voorwendt, dan vergeet men dat er al tijden pelgrims onder weg zijn en ook dat bijvoorbeeld abdijen sterk verspreide landgoederen bezitten, onder meer omdat men wel eens schenkingen krijgt, maar ook omdat abdijen wel graag eigendommen in andere regio's krijgen. Dat betekent dus dat mensen in naam van de abdijen naar die verre landgoederen dienden te trekken, ter controle en ook om goederen over te brengen. Ridders en vorsten trokken ook rond en dus zullen er ook wel anderen achter die stoeten aangetrokken zijn, in de hoop graantjes mee te pikken zoals verkoopsters en ook wel bereidwillige meisjes. De bronnen blijken daar niet  mee bezig tot men gaat klagen over de bandeloosheid van zo een legertros. Opvallend is overigens dat we onvoorstelbaar grote legers zien verschijnen, tot 300.000? Hoe geloofwaardig zijn die aantallen. Zeker voor die tijd beschikt men in Europa over vooral verhalende bronnen en oorkonden, weinig bestuurlijke bronnen en al helemaal geen financiële bronnen. De documenten die in Cambridge terecht kwamen uit Fustat, Caïro, die alle ergens de naam van God dragen en daarom niet vernietigd mogen worden door mensen, maar aan de tijd overgeleverd worden, hebben dus dat ene bijzondere verhaal opgeleverd, over een bekeerlinge uit Rouen.

Hertmans bespaart ons de wreedheid van haar lot niet, want uiteindelijk is juist dat de kern van het verhaal, het verlies van haar man en kinderen bij een pogrom in het dorp waar hij, de schrijver uitziet over het slagveld, waarvan slechts weinig is geweten. Haar lotgevallen zijn na de voorspoedige en geborgen jeugd en enkele vreugdevolle jaren in het kleine stadje Monieux met haar man David, haar kinderen en ze valt met haar blonde haren en blauwe ogen op in de Midi, maar goed omringd als ze is, kan ze het allemaal wel aan. De overval door de kruisvaarders en de moord op joodse mensen in het stadje, zorgt voor een ommekeer in haar leven. Haar man wordt gedood, haar kinderen geroofd. Hoe desastreus kan een toestand zijn waarin een mens zich bevindt? Hoe kan men dat beschrijven? De brief van de rabbijn en wat geld, brengen haar op weg, in de achtervolging van de kinderrovers, die haar zoontje Yaakov hebben meegenomen en haar dochtertje. Alleen de boreling heeft ze bij zich en tot in Egypte zal ze het bij zich hebben. Ook in Fustat vindt ze niet enkel hulp maar ook een man, die haar even ondersteunt, zelfs aan de weet komt dat haar kinderen in Rouen zouden zijn. Heimelijk muist ze er weer tussenuit en vanuit Alexandrië reist ze naar Narbonne en vervolgens wil ze naar Rouen, al weet ze niet wat er haar te wachten zal staan. Zover komt ze niet, maar de panoplie van menselijke wreedheid en zelfvernietiging komt volop aan bod. Tevens ontdekken we, niet geheel verwonderd, dat mensen elkaar ook wel helpen. In het netwerk van joodse mensen lijkt die onderlinge bijstand, ook voor een bekeerlinge evident, terwijl er uit de eigen kring van Vigdis Adelaïs veel haat lijkt uit te gaan, voor deze vrijwillige exit. Het is nog altijd de vraag waarom het min of meer vreedzame samenleven van Joden en Christenen zo kon omslaan, net op een moment dat Cluny erin geslaagd was de vrede in de samenleving beter te organiseren.

Het is wellicht omdat we vandaag in Europa een  onverschilligheid ten aanzien van het religieuze hebben ontwikkeld, dat anderen juist in hun religie een veilige schuilplaats zoeken. De vraag is dan of op basis van de bronnen die Hertmans aanreikt iets van de drijfveren van Hamoutal duidelijk worden. De mensen die haar hielpen - en soms al eens bedrogen uitkwamen - stonden ook in die samenleving en bij de nadering van het jaar 1100 leken er oude vaste patronen en verhoudingen in het Midden-Oosten en ook wel in Europa op de schop te staan. Oordelen over wat Hertmans niet schrijft, maar wel had kunnen doen, heeft geen zin. Zijn onderzoek naar de levensweg van Vigdis Adelaïs, Hamoutal ofte Sara begon in dat dorpje gelegen tegen een steile richel, Monieux, maar brengt hem tot in Alexandrië en zelfs Caïro, toen een nederzetting met de naam Fustat, brengt ons een en ander bij over de dingen die zijn en die waren en waar we niet altijd de band tussen zien.

Hij moet wel losse eindjes laten, want die ridders en ruiters uit Rouen die achter David en Hamoutal aangingen, die kan hij via de bronnen niet thuisbrengen. Hoe vaak zijn er geen parochie- en andere registers verloren gegaan. Overigens, pas vanaf het concilie van Trente werden parochieregisters aanbevolen of verplichtend gesteld, maar pas in 1625 bleek het in de Zuidelijke Nederlanden ook toepassing gekregen te hebben. Maar die registers moeten de tand des tijds wel doorstaan hebben. Vanaf de Napoleontische tijd komt dan de Burgerlijke stand tot stand, die alle gegevens over burgers moet bijhouden, van geboorte tot overlijden. De tijd die Hertmans beschrijft is er een waarin het schrift en de burgerlijke administratie nog niet tot ontwikkeling zijn gekomen. Alleen in abdijen en kathedraalscholen kan men het schrift leren. Kon een meisje Latijn leren? Of in een kerk op zangles gaan? Ik moest de wenkbrauwen wel fronsen, want tot in de negentiende eeuw was het niet evident dat meisjes echt doorgedreven onderwijs kregen of wilden krijgen. Anna Bijns was zo iemand en wellicht hadden er in Brugge en elders in de begijnhoven vrouwen gewoond die ook konden lezen en schrijven, tenslotte moesten die vrouwen wel voor zichzelf kunnen instaan. Maar rond 1100 is het toch wel een vreemde situatie. Maar ik heb geen bewijs dat het niet klopt of dat het om louter speculatie vanwege de auteur is.

De wreedheid van de tijd? Stefan Hertmans brengt ons op het spoor van een tijd waar we vanzelfsprekend weinig van weten, behalve dan wat brieven van pausen en annalisten - zij die jaar na jaar de gedenkwaardige en betreurenswaardige gebeurtenissen optekenden - in abdijen en chroniekschrijvers. Door ons binnen te leiden in de wereld van joodse inwoners van Narbonne en Monieux, van Fustat en tegelijk de vele vormen van geweld aan de lezer te presenteren, krijgt het verhaal van Hertmans iets van een aanklacht, vooral tegenover de Christenen van toen, maar in de Arabische wereld en Voor-Azië was het geweld niet minder endemisch. De keuzevrijheid van de vrouw, zo schrijft Hertmans, was onbestaande en inderdaad, pas vanaf de dertiende eeuw zou het klimaat gaan schuiven, maar het duurt tot de twintigste eeuw voor meisjes konden studeren en arts worden, hoogleraar. Is het verleden daarom alleen een kwalijke geschiedenis? Op wandel in Granada merkte ik enige tijd geleden dat een stad vele levens heeft, maar dat we slechts via verhalen over mensen er iets van kunnen proeven. Alleen is het vaak moeilijk bijvoorbeeld zo een vrouwenleven, laat staan een vrouwenliefde - de liefde vanwege een vrouw - te vinden in het voorhanden zijnde bronnenmateriaal. Dankzij de joodse geletterde cultuur en het gebruik - de norm - geen documenten te vernietigen waarin de naam van de allerhoogste wordt vermeld, kon tot ons een verhaal komen. Het kan de lezer, lezeres niet ontgaan dat Hertmans ons een spiegel wil voorhouden, over de vitaliteit van die vrouw, ook al gaat ze finaal ten onder, verwilderd en ontmenselijkt, zelfs volkomen vervreemd van alles en zichzelf.

De lovende recensies mogen dan wel in grote lijnen terecht blijken, de vergelijking met "Oorlog en Terpentijn" doet het boek geen goed. Zoals ik na lectuur van de zoveelste Eco, "de begraafplaats van Praag" alleen maar kon vaststellen dat de auteur zijn lezers opnieuw had verwend, mij had verwend, met een eigensoortig boek, afwijkend van de andere boeken van zijn hand, zo kan ik wel gelijkenissen zien tussen de twee boeken van Hertmans maar vooral ook dat de opzet van de roman anders is dan in het boek over WO I en de geschiedenis van zijn grootvader. Niet alleen is de opzet anders, de betrokkenheid komt anders aan de orde. Behalve dat de auteur het huisje in de Vaucluse al lange tijd in het zomerseizoen bewoont, vormen een aantal fragmenten, artikelen de bron van zijn zoektocht. Maar de toegankelijkheid van de wereld van Richard Todros, de jodenkoning, Ubadiah of Obadiah, de rabbijn die Hamoutal de bewuste aanbevelingsbrief heeft geschreven is voor veel mediëvisten . Ik kan de visie van Hertmans over de eerste Kruistocht niet geheel volgen, als zou de kruistocht de knikker geweest zijn die alles in het Oosten en het Westen in beweging gebracht zou hebben. Er was al heel wat gaande in wat nu Irak en Syrië is en ook in Palestina, maar dat er toen rijken ten onder gingen, zoals dat van de Fatimiden, mag ons niet verbazen. Intussen werd op het Iberisch Schiereiland ook weer gevochten tussen christenen en Moslims. Het punt is dat we niet altijd in staat blijken verschillende evoluties tegelijk onder ogen te zien. Ondanks dit meningsverschil, kan ik de demarche van Stefan Hertmans wel waarderen, omdat hij ons een doorgaans vergeten aspect van de Europese geschiedenis, de aanwezigheid van Joodse gemeenschappen op de agenda zet. Dat men de documenten uit Fustat, door de omstandigheden heeft kunnen redden en ook nog nalezen, moet men niet als een toeval noch als een noodzakelijk iets beschouwen, gebeurt gewoon. Maar wat met de teksten? Hier hebben we dus een document, een brief en die is gelezen en vertaald door een kenner van hebreeuwse teksten. Dat er na de eerste kruistocht nog veel ergere praktijken tegen Joden zouden opgezet worden, maakt het verhaal niet onbelangrijk. Maar zoals Hertmans het opschrijft, met een zekere pathos en met bloemrijke taal opgetuigd, mag  een lezer niet afschrikken. En verder is het ontdekkingsreis.


Bart Haers   

Reacties

Populaire berichten