Wat betekenen Weserse waarden?

Reflectie


Westerse waarden? Hoezo
kijken naar het zwerende conflict



Van Margareta Porete hebben we
geen beelden, velen kennen
haar ook niet, maar ze werd als
ketter verbrand omdat ze beweerde
dat wie ver genoeg vorderde in wijsheid
en geloof boven de moraal kwam te
staan en boven de regels van de kerk.
Zij noemde de kerk ook klein, de kerk van
pausen en regeltjes.
De een kan het niet nalaten te stellen dat God niet kan bestaan en de ander betreurt het dat we zo gemakkelijk menen af te komen met een afzweren van God. Tja, die kan je alleen afzweren als je ooit geloofd hebt en dan nog, wat betekent dat? Het is een mooie tijd om over dat soort kwesties van gedachten te wisselen, maar het gebeurt maar zelden. Wat met Giordano Bruno? Was hij een vrijzinnige avant la lettre of een bevlogen fantast? Feit is dat hij als ketter levend werd verbrand in Rome, in 1600 en de oneindigheid van het universum propageerde.

Al langer hoor ik mensen spreken over het christendom alsof het iets was dat ooit in stenen tafelen werd geslagen en voor eeuwig en altijd hetzelfde zou blijven. Nu, na de tijd van de (Westerse) kerkvaders Hiëronymus en Augustinus, Gregorius de Grote en Benedictus, de stichter van de Benedictijner orde, volgde een lange geschiedenis van Pauselijke bullen, encyclieken en andere maningen, maar ook lagere geestelijken schreven hun ideeën op papier, eerst vrij onbeholpen, maar geleidelijk nam men meer afstand van de bijbelteksten en ontstonden filosofische teksten, die later ook nog eens een eigen karakter kregen, universitaire collegenotities, de bekende Summae (summarum), waar Thomas van Aquino in uitblonk, al kan men vandaag nog maar moeilijk met zijn denken om. Wat daarna volgde, met onder anderen John Duns Scotus en Pico della Mirandola, vooral zijn "rede over de menselijke waardigheid", die beide het individuele en het contingente als belangrijk beschouwden, ontstonden nieuwe denksporen, die gemakkelijk als ketters werden afgewezen. John Duns Scotus was ertoe gekomen dat dingen niet alleen een universele verschijningsvorm hebben, maar ook hier en nu concreet bestaan, haecitas of ditheid. Men kan dat haarkloverij vinden, maar het blijft een merkwaardige stap die men zette door het wereldse ook een eigen betekenis te geven.

 Die haarkloverijen hebben er wel toe bijgedragen dat de filosofie onder de dienstbaarheid aan de theologie uit kon komen, maar ook dat de idee van de onbetwistbare waarheid van de christiana doctrina onder druk kwam te staan. Al tijdens de 12de eeuw begon de kritiek op leerstellingen van concilies toe te nemen, maar een kritiek op de kerk was niet enkel een zaak van spiritualiteit, werd vooral en al snel een wereldse aangelegenheid. Er zijn vele vormen van kritiek geweest, want veel van de strijdpunten werden aan universiteiten en in besloten kring besproken, maar soms kwamen mensen op straat met hun inzichten en begon er vaak genoeg een proces van vervolging. Jan Hus is daarvan een opvallend voorbeeld, maar wie kan nu nog zeggen wat de man zelf leerde. Ook een beweging als de Broeders en Zusters van de Vrije Geest hadden intussen al voor hommeles gezorgd. Een begijn uit Valencijn leerde over eenvoudige zielen en een kleine kerk, waar zij boven de moraal stond. Margarete Porete geloofde namelijk dat de mystieke eenwording met God zich in dit leven kon voltrekken maar dat had men wel een lange weg voor af te leggen. Cruciaal is dat eens men het hoogste bereikt, de regels van de "kleine kerk", die van de paus, bisschoppen en priesters, die van de regels van geen belang meer waren; dat werd haar niet in dank afgenomen. De suggestie was dat men - zoals ook Benedictus had bedacht in zijn regel voor abdijen - via zeven stappen van een arme, nietswaardige ziel kon opklimmen tot de hoogste wijsheid. Maar wie dat niveau haalde, was doorgaans te zeer doordrongen van de grootsheid, dat men er zich niet op wilde laten voorstaan.

Altijd weer blijft men doorhameren op het feilen van de kerk alsof die altijd een monoliet zou zijn geweest en dus ook nog eens onveranderlijk, terwijl de werkelijkheid complexer is dan men zich kan inbeelden. Bovendien kan men ook betogen dat de kerk vaak genoeg door invloed vanuit de lekenwereld en vooral vorsten tot bedenkelijke praktijken is verleid. De kritiek van Hus en Wyclif, de rol die Hus speelde voor Luther was dan wel niet van de poes, zonder meer boven elke discussie stond die ook weer niet, maar er was weinig of geen ruimte tot debat, omdat men vreesde dat men de macht te kijk stelde. Overigens hebben Luther en Calvijn zich op een punt met de paus kunnen meten: ruimte voor dissentie was er niet. Het woord gebruiken we niet vaak, maar kan precies dienen, want het geloof in het publieke debat kan ook vandaag een steuntje gebruiken.

Het beeld van het religieuze leven in Europa van de Karolingische tijd tot de zestiende eeuw, zo heet het, vertoont een grote eenheid en de macht van de kerk zou onbegrensd zijn geweest, maar die grenzen waren er wel degelijk, want het bleef moeilijk overal priesters te zetten en vooral om iedereen met de blijde boodschap - zo heet dat toch - in contact te brengen. Een noodzakelijke voorwaarde was ook de beheersing van het schrift, van lezen en schrijven en dat zou nog wel even op zich laten wachten in vele delen van Europa. Gezegd moet worden dat sterk verstedelijkte gebieden als Vlaanderen, het Rijnland, Bohemen rond 1300 al een redelijk niveau van verschriftelijking kenden, maar toch, nog onder Louis XV diende men in Frankrijk vele scholen op te richten en dorpen, regio's te ontsluiten.

Tot de twaalfde eeuw bleef er veel heidendom hangen in de Europese binnenlanden en bleven oude gebruiken en beelden lang naleven, in de verhalen bij het vuur, 's avonds in de winter. Het had een interessante discussie kunnen worden, indien men de argumenten van Prof. em. dr. Ludo Milis ernstig had genomen, waarbij hij betoogde dat de kerk niet voldoende personeel in dienst had om zomaar met een vingerknip alle heidendom en de herinneringen aan die opvattingen helemaal uit te wissen. Dat vergde tijd en ook wel een proces, een methode om mensen te overtuigen, dat begon bij het uiterlijke gedrag dat gesanctioneerd werd, zoals het deelnemen aan de zondagsrust en het ter kerke gaan. Maar voor men mensen in hun gemoed kon raken zodat ze zich vanzelf aan de regels zouden laven, omdat die geïnterioriseerd waren, diende men wel over een probaat middel te beschikken en dat was vooral de oorbiecht, maar dat kon maar in stedelijke omgevingen, waar men de infrastructuur te beschikking had, want het valt toch altijd op dat men ervan uitgaat dat als Rome gesproken heeft, de zaak gesloten mag heten, wat Rome wel wilde, maar in de allerlei kwesties bleef het verzet smeulen.

De bul Unigenitus, gevraagd door Louis XIV, om de Jansenisten aan te kunnen pakken, werd voor Louis XV een etterende wonde, waaruit dan weer een klimaat groeide dat de Verlichting animeerde. De afschaffing van de orde der Jezuïeten in meerdere landen in Europa, had met vele disputen te maken, die nu nagenoeg vergeten zijn. Die hele geschiedenis kunnen we maar moeilijk bevatten, terwijl er toch wel facetten van blijven rondzoemen, niet in de letterlijke zin, maar in opvattingen over wat des mensen is en hoe men zich tot elkaar kunnen verhouden. Louis XIV wilde Port-Royal en definitieve doodsteek toebrengen, de paus volgde niet zo enthousiast als hij wel had gewenst, maar zijn achterkleinzoon, Louis XV zou ervaren wat het is met een sterke oppositie te regeren en met een weerspannig leger van juristen en magistraten af te rekenen te hebben. Voltaire, die het hele conflict kon volgen, zich tegen machtsaanspraken van de kerk verzette, maar tegelijk vond dat mensen mogen geloven en tussendoor ook een familie hielp die het slachtoffer waren geworden van haat tegen Hugenoten, in Toulouse, heeft mee de ingang doen vinden dat geloof iets persoonlijks is, te delen eventueel met magen en vrienden, maar best niet als een politiek wapen gehanteerd kon worden.

Sommigen, zoals Jonathan Israël, verwijten Voltaire dat deze niet afdoende afgerekend had met het geloof, maar de positie van Voltaire, geboren in 1694 en overleden in 1778, 84 jaar oud, evolueerde tijdens zijn leven en ging hij schrijvers als Diderot en Rousseau voor, onder meer met zijn "lettres Philosophiques", dan  bleef hij ook wellicht trouw aan zijn programma, al verhardde hij wellicht in zijn toenemend pessimisme over het menselijke en het vermogen van mensen. Men kan de Candide lezen als een aanval op het optimisme, op het onvermogen van mensen het goede te betrachten, het boek leest ook als een caleidoscoop van de staat van de wereld, zoals Voltaire die zag en daarmee als een aansporing zelf na te gaan denken. Ik zag een opvoering van Candide, waarin de taal aan het geraas ondergeschikt was gemaakt, maar ook waar de ideeën van Voltaire zelf aan het spektakel onderworpen waren. Candide is voor ons maar leesbaar, meen ik, als we proberen de leefwereld van Voltaire te verkennen, dus via nauwkeurige lectuur. Helaas krijgen we nogal vaak zeer er ingedikte slagzinnen, maar nergens komt het hele denken van Voltaire aan de orde. Dat is ook moeilijk, want de man leefde lang en schreef naar onze normen onvoorstelbaar veel. Ook schreef hij over zeer verschillende onderwerpen, over Newton en over tolerantie. Men moet mensen niet al te gauw op een voetstuk plaatsen of er een idool van maken.

De vraag moet overigens niet wezen: wat heeft Voltaire of Diderot of Heine geschreven, wel: wat hebben wij ervan gelezen en hoeveel tijd wensen we eraan te besteden. Pas als we enige moeite doen om met het werk zelf in contact te komen, kunnen we met enige recht zeggen te weten waar het over gaat. Ernst van den Hemel, een Nederlands religiehistoricus laat in de krant De Standaard (5 augustus 2017) een en ander optekenen over het feit dat mensen, wij, zo gemakkelijk aannemen dat het afzweren van God een noodzakelijke voorwaarde is om in deze wereld als verlicht en progressief door te gaan. Hij heeft ook een punt als hij ter discussie stelt dat onze visie de norm zou (kunnen) wezen voor allen die op dezen aardkloot leven. Want onze positie leidt ook tot een morele superioriteit, die in zijn algemeenheid te onderbouwen valt maar noch voor mij noch voor u opgaat. Als individu kan men zich maar moeilijk op morele superioriteit laten voorstaan, zeker niet als men daarmee een autoriteit zou claimen. Inzake de onderwijshervormingen merkt men dat het streven naar gelijkheid het enigzaligmakende principe moest zijn, zonder dat men kon begrijpen dat bijvoorbeeld het succes van de sociale emancipatie erin bestond dat mensen zonder 'voorgeschiedenis' toch konden gaan studeren op college of atheneum en later aan de universiteit, met beurzen die iets voorstelden.

Dat we terecht menen dat de rationele benadering van de werkelijkheid die ons omgeeft en waar we deel van uitmaken, een bevinding is geweest die in de oudheid bij Griekse filosofen, vooral wetenschappelijke denkers ingang heeft gevonden, want net Plato zadelde ons op met de gedachte dat de wereld die we kennen maar een afschaduwing zou zijn van een andere, betere wereld, terwijl Aristoteles dan weer met de waarneembare werkelijkheid aan de slag ging. Meer dan 2500 jaar lang is dat debat aan de gang, maar het valt moeilijk bij de ene en de andere benadering van de werkelijkheid alleen maar positieve consequenties te vinden. Bovendien vindt men Platonische inzichten net zo goed bij rationalistische denkers als men Aristotelische inzichten kan aantreffen bij benaderingen die eerder net het metafysische voorop willen stellen.

Men kan met andere woorden niet zomaar zeggen dat er enig denken zou zijn, dat zo intens en zo vaak voorwerp is geweest van debatten en zelfs bloedvergieten, een zuiver denken zou wezen, waarin men bijvoorbeeld, zoals Marc De Kesel het voorstelt,  best menen kan bevrijdt te zijn van God de Vader - en de Heilige geest en de Zoon - maar intussen een massa fetisjen en idolen, afgoden koesteren, terwijl dat net zo min rationeel te begronden valt. Van den Hemel wijst erop dat wij van rechten, zoals vrije beleving van de seksualiteit een plicht gemaakt hebben, wat al bij al zonderling klinkt. Dat wij af zijn geraakt van gearrangeerde huwelijken en dat het huwelijk niet moet gezien worden als ketting waarin iemand meegesleurd kan worden is sinds de achttiende eeuw bevochten, maar de gelijke behandeling van de partijen is nog iets anders. Het heeft te maken met de vraag die de man zich stelt: of de vrijheden die we verworven hebben en waar we zorgzaam mee dienen om te gaan, ook niet al te gemakkelijk als plichten werden voorgeschreven. "Gij zult..." en niet als een "Gij moogt u te goed aan de vruchten der aarde, aan de geheimen van de liefde en het ondenkbare bevroeden". Maar daarbij brenge men dan ook in rekening als we de aarde uitputten, als we ons aan mensen vergrijpen omdat we mogen genieten van seks we wel eens vervaarlijk kunnen ontsporen. En bedenken we het meest onzinnige, tja, waar is de rede dan?

Er is niet zoiets als een vast stel westerse waarden, zoals er Hoofdzonden en kardinale deugden waren in het oude katholicisme, waar we nu niet meer over reppen. De toepassing was dan ook wel eens willekeurig en mensen werden ten onrechte berispt, maar vooral was het probleem dat mensen die deugdenleer en de verboden ingestampt kregen en hadden af te dreunen, voor ze hun communie zouden doen. Ze hadden er ook naar te leven en sommigen gingen zover in hun scrupuleus naleven, dat ze voor zichzelf noch voor anderen nog een leven hadden. Over scrupuleus naleven van regels zou wel eens vaker iets gezegd mogen worden, over de gevaren ervan.  De Westerse waarden, zoals gelijkheid van man en vrouw, zijn belangrijk, maar de kern ligt niet in het feit dat we die slogan hebben, maar dat we kunnen proberen ernaar te handelen. Of de scheiding van Kerk en Staat? Prachtig beginsel, maar het leidt er ook toe dat niemand kan stellen dat de overheid mensen mag overtuigen van een waarheid, tenzij er unanieme consensus over bestaat.

De interpretatie van het Tweede amendement bij de Amerikaanse Grondwet, over het recht om wapens te dragen, laat zien dat een discours perfect rationeel onderbouwd kan lijken, maar in feite enkele grondregels van het denken terzijde schuift, want wie zal zeggen wie de goede is bij een schietpartij in een straat in Maine. De Amerikaanse overheid, ook de lokale overheden overbewapenen zich in de strijd tegen geweld en gangsterisme, maar legt hen die kwaad willen weinig in de weg, bevordert de verkoop en het gebruik van wapens. Waar is de ratio daar en de vrijheid? Want hoe vrij is men als men niet onbevreesd de straat op kan gaan?

We kunnen er ons maar beter voor hoeden de "Westerse waarden" scherp af lijnen en voor eeuwig vast te leggen, want die waarden zijn nooit alleen maar in een richting geldig. Vrijheden hebben te maken met afwezigheid van dwang van buiten af, maar ook met het scheppen van mogelijkheden, voor zichzelf en voor anderen, voor een samenleving. Vrijheid van angst bijvoorbeeld is een belangrijk winstpunt gebleken, al blijft het altijd nog wel een werkpunt, want dagelijks krijgen we onheilsmaren over ons heen, met op kop de klimaatverandering, maar ook wel de voeding, de veiligheid en jawel, de (levensbeschouwelijke) vrijheden. Zetten moslims onze opvattingen onder druk, dan is het aan ons om die krachtdadiger bevestigd te zien. Maar de Arabische vorstendommen zijn maar al te vaak (objectieve) bondgenoten van Amerikaanse neocons, die de het recht op zelfbeschikking voor vrouwen liefst onmiddellijk afgeschaft zagen. Iedereen is gelijk, behalve vrouwen op vruchtbare leeftijd? Zou dat een goede uitdrukking zijn van de Westerse waarden? In feite gaat het dan toch om de vraag wie de macht heeft anderen te dwingen in een bepaald carcan, vrijheden op te geven? Die machtsvraag, die mee aan de basis lag van de Verlichting, horen we nooit, enfin, slechts heel zelden.


Bart Haers  

Reacties

Populaire berichten