Dulce et decorum est pro patria mori: Aline Sax in de Engelse loopgraven
Reflectie
In het hoofd van de oorlogsveteraan
Hoe dat gebeuren te overleven
Aline Sax., Negentien Negentien. Roman. Uitgeverij Ambo/Anthos. 416 pp. 24,99 € met verantwoording over historisch achtergrondmateriaal.
Het verhalen, meer dan een eeuw later over de(n)
Groote(n) Oorlog, zeker fictie blijft een gedurfde demarche, maar moet het
daarom niet laten, want het kan helpen het leven van de soldaten en burgers die
met de oorlog af te rekenen hadden iets beter te vatten, iets te raken van hun
geschokte zelfbeeld, als persoon, maar ook als burger van een land, als ouder,
als kind. Met “Post voor Mevrouw Bromley” schreef Stefan Brijs een merkwaardig
boek, in tijden van autobiografie als garantie voor waarheidsgetrouwheid,
terwijl fictie vanzelfsprekend altijd weer op gespannen voet staat met wat
werkelijk gebeurd zou zijn of zou kunnen
zijn. Toch kan fictie net veel opheldering brengen over wat in de bronnen
verborgen blijft.
Aline Sax levert ons een nieuwe blik op hoe het is de
moordende loopgraven te hebben overleefd, want dat dat mensen andere mensen
zomaar, in de ijdele hoop de zaken te keren, het vuur injagen, blijft voor mij
het grootste en meest duistere mysterie van de Grote oorlog. Is het werkelijk mooi en eervol te sterven
voor het vaderland? Wilfred Owen, de dichter en frontsoldaat, de war poet die
de verschrikkingen van de oorlog aan de lezer(essen)s niet verdoezelde, ook al
bleef men tot onze dagen de heldenmoed van onze jongens in de Britse
Expeditionary Forces, net als de Franse soldaten, de Poilus, die zich vaak dood
liepen op het vijandig vuur luide aanprijzen. Wie met een machinegeweer in een
“veilige” schutterspost zit, kan zonder veel moeite de aanstormende troepen
neermaaien. Soms werd zo een linie van verdedigende stellingen toch ingenomen, maar
dan ten koste van veel meer aanvallende soldaten, die naderhand niet meer weten
wat het strategische doel van de aanval was.
In het relaas van Aline Sax komt de suggestie van de
eindeloze slachtpartij op de voorgrond, waarbij we ons rekenschap kunnen geven
van wat er fundamenteel mis ging tijdens de oorlog, de afstand tussen de stafofficieren
en de officieren op het slagveld, laat staan de soldaten, waardoor er geen
doorstroming is van informatie, ook niet over de gevallen van insubordinatie,
dat wil zeggen de weigering bevelen uit te voeren en erger nog, gevallen van
shellshock, zelfs als artsen die aandoening zijn gaan herkennen als het gevolg
van handelingen op het slagveld, waar ook de auteur van Negentien/negentien aan
refereert. Zelf heb ik niet direct verwanten die onmiddellijk betrokken waren
bij het leger, dacht ik lang, maar een broer van mijn overgrootvader, Gustaaf
Dumon, sneuvelde in 1915 bij Reninge, maar nooit werd over die man gesproken. Wel
vielen er burgerslachtoffers in de periode dat de Britse Vloot probeerde de
onderzeevloot die vanuit Oostende en Zeebrugge opereerde, gebunkerd waren. Mijn
overgrootvader, diezelfde Gustaaf, geboren in 1880 en dus zijn gezin en nazaten
hebben altijd geweten wat er gebeurd is in de koude dagen van januari 1917 en
toch werd het mij maar niet duidelijk tot ik vernam hoe bij Fort Lapin in
Brugge een duikbotenbasis was gebouwd, blijkbaar gekend als de Acht Zaligheden.
Dit alles maar om te zien hoe een mens zich verhouden kan tot een oorlog, tot
WO I.
Dit was burgerleed in een gebied waar de bezetter
duidelijk aanwezig was, maar hoe soldaten de oorlog hebben overleefd, blijft
altijd nog een zweem van ontkenning hangen, al zijn er de afgelopen decennia al
meerdere pogingen ondernomen om dat overleven te staven en te vatten. Aline Sax
levert op haar beurt een verhaal over hoe het is na de oorlog opnieuw in het
burgerleven terug te treden, waarbij men, zo komt men er al lezende en
overdenkende achter, geacht wordt de schabouwelijke herinneringen te begraven.
Ik denk dat dit boek 1919 er wel degelijk toe doet, want de confrontatie aan de
vroegere frontlijnen bij Ieper met mensen die om velerlei redenen naar het
front komen, om te zien hoe het werkelijk geweest is, maar zoals Henry Bennett opmerkt,
is dat voor die ramptoeristen niet mogelijk, erger nog, ze menen beter te weten
hoe het eraan toe gegaan is. Er is een verschil tussen de sensatiejager, lezen
we en de weduwe die haar John terug komt zoeken, of een meisje haar broer. Er
lijkt wel iets aan de hand geweest te zijn met de zeden en de fatsoensnormen
gingen schuiven, zo blijkt.
Net daarom is de formule van twee vertelmomenten,
enerzijds de oorlogsmaanden zelf van 1917, waarbij Bennett en zijn bataljon
voor de zoveelste keer het vuur in worden gejaagd, om de richel bij Wijtschate
te veroveren, die Douglas Haig vervolgens weer prijsgaf. Voor velen is Haig nog
altijd de grote maarschalk die wist wat moest gebeuren, Archie Mason was een
andere mening toegedaan, al blijft het voor de lezer onduidelijk of Mason
zichzelf in de voet had geschoten. Dat is wat de oorlogsarts dacht, maar hij was
niet in de voorste linies gekomen, waar er alleen modder was en diepe bomkraters
het leven van de soldaten onmogelijk maakte. Ook de auteur, zelfs de
boezemvriend, Henry Bennett kon het niet weten, maar kon vanwege zijn eigen
verwonding, ook aan de enkel en voet, niets doen om de arts op andere gedachten
te brengen.
Henry blijft Archie dichtbij voelen, spreekt met hem,
al weet hij bijna zeker dat zijn vriend dood moet zijn gebleven bij de
verbandpost of de eerste medische post achter het front. Ook als hij, Bennett
in Ieper is en min of meer gedwongen verhouding tot andere fronttoeristen ook
het leven van het hotel deelt, lijkt hij voortdurend te zoeken naar
gelegenheden om Archie te ontmoeten. Zwemmen in een poel op het kanaal? De
auteur geeft zelf aan dat dit moeilijk was wegens de lage waterspiegel. Is dat
dan de vrijheid van de auteur de werkelijkheid geweld aan te doen? Het geeft
wel aan hoezeer Bennett in een illusoire wereld leeft. Of toch niet, alleen
ziet hij naast de gewone dingen en mensen die ene figuur. Duidelijk wordt wel
dat die Henry kan tekenen, talent heeft maar in hogere sferen maakt dat niet
uit en zelf is hij tevreden tuinman te mogen worden.
Jaren geleden, twintiger nog, ontmoette ik een
militair historicus die in een lezing – die nooit verschenen is bij mijn weten –
dat officieren op het vlak van discipline, het volgen van orders onverbiddelijk
waren, maar sommige bezigheden van hun soldaten door de vingers wilden zien,
als ze er al iets van merkten. De legerleiding, zeker de BEF waren als de dood
voor soldaten die hét met elkaar deden, maar kon men er als private aan
weerstaan, zeker als men lang in de loopgraven moest dienen en vooral het gebrek
aan verantwoordelijkheidszin van de legerleiding als een schending van hun
bestaan ging zien. Bennett komt in ’15 bij het leger en na een eerste opleiding
komt hij in het bataljon van Archie en co terecht. De ene onderofficier is de
andere niet en ook met de ene luitenant valt beter te praten dan met de andere maar
toch lijkt er in de loopgraven eerder een wederzijdse verstandhouding te
bestaan elkaar het leven niet moeilijker te maken dan het al is. In die omstandigheden komt Bennett na
een tocht door Niemandsland in de regen terug in hun loopgraaf en roept Archie
hem in een schamel onderkomen, niet zo uitgebreid als een dug-out en daar
ontdekken ze dat ze met elkaar de oorlog kunnen vergeten. Ik heb geen weet van
boeken over WO I waarin soldaten elkaar seksueel bevredigen, terwijl Archie
zeker ook weg weet met een meisje dat hem in Poperinge pleziert. Maar aan het
front gaat dat moeilijk. Of de legerleiding weet heeft van soldaten die
homoseksuele activiteiten verrichten, maar het was wel streng verboden en toch
werden (maar) 232 Britse militairen gearresteerd en veroordeeld met oneervol
ontslag en straffen met dwangarbeid. Natuurlijk lijkt 232 man die de tol
dienden te betalen, veel, maar hoeveel soldaten vochten er voor de Britisch Expeditionary
Forces. En ook Bennett had na de oorlog in Ieper intieme contacten met mevrouw
Cartwright. En er is nog altijd de dochter van het landhuis, met wie hij mag
spelen in het hooi, die ook tekent overigens. Merk op dat in het Belgische
leger die harde afwijzing ten aanzien van homoseksualiteit niet zo zwaar woog
omdat de wetgeving, anders dan in de Britisch Empire geen strafwetten voorzag
tegen “dat” gedrag, zoals ook Oscar Wilde mocht ondervinden. Ook het Franse
leger was mogelijk liberaler.
Homeros schrijft over de woede van Achilles om de roof
van Briseis, een Trojaanse hogepriesteres die hij als zijn oorlogsbuit zag,
maar Agamemnoon kon het niet aanvaarden. Achilles weigert nog te vechten. Dan
neemt Patroclus met toestemming de schitterende wapenrusting van Achilles en
gaat in diens plaats vechten, want de Grieken verliezen terrein. Het lot keert
ten goede van de Grieken, maar wanneer Patroclus sneuvelt komt Achilles, na een
periode van rouw, toch weer in actie en betreedt die opnieuw het strijdperk. Henry
Bennett heeft wat school gelopen, zit op een tekenacademie en graveert werken
op grafzerken, naast het maken van beelden voor begraafplaatsen. Of hij de
Ilias kan gekend hebben? Wij hebben de neiging om de gewone soldaten en
onderofficieren weinig kennis toe te kennen, maar het is best mogelijk dat Bennett
wel degelijk op een manier vertrouwd is met kennis. Dat de officieren, uit de
huizen waar Bennett dankzij een vriendin, Sara, mee te maken heeft, in het hooi,
uiteraard de Klassieken kennen, spreekt voor zich en zo leert Bennett ook nog
na de oorlog de taal van die nobility kennen. En naast die officieren van
geboorte – zou men kunnen zeggen – hadden Bennett en co te maken met temporary Gentlemen.
Dat waren lieden die door de oorlogsomstandigheden niet via Sandhurst tot de
rang van officier kwamen, maar vooral omdat het Britse leger plots geweldig in
omvang toenam, werd uitgebreid, wat nogal wat logistieke problemen met zich
bracht, zodat bijkomende officieren noodzakelijk waren.
Het normale kader werd gerekruteerd bij de hoge
burgerij en de gentry, mensen die de dure instapkosten konden betalen om hun
opleiding te krijgen en vervolgens bij een bestaand regiment te worden
ingelijfd. Tijdens de oorlog kwamen er nieuwe eenheden bij, al probeerde men bij
oudere, traditionele eenheden en wapenschilden geconnecteerd te blijven. Het
staat mij nog altijd voor, in Tweede Kan, dat er discussie ontstond over de
vraag hoe de Britse economie, de industrie, de enorme behoeften aan rubber over
olie tot staal en munitie, van schepen tot steeds betere jeeps en aan het einde
ook tanks kon voldoen, waarbij de vraag rees hoe belangrijk dat vermogen was
voor de overwinning. Slechts enkelen waren geïnteresseerd in de vraag hoe
Duitsland in de noden van de soldateska en de legers kon voorzien. Waar vond
men (nog) staal en kolen, petroleum om de tuigen te laten rijden.
Dit komt niet expliciet aan bod in deze roman
Negentien Negentien, maar de auteur laat wel kundig doorklinken dat de materiaalslag
die de oorlog was, zeker op de slagvelden voor de soldaten vaak tot ontgoocheling
leidde dat men niet voldoende wapentuig bij de hand had. Als we zien hoe de foerage
in de voorste linies wel eens in het honderd liep als de vijand begon te
schieten en vaak snipers, scherpschutters hun werk deden, dan was het bijna een
onmogelijke opdracht en sneuvelden Chinese vrijwilligers bij bosjes. Was het zo
dat veldofficieren, die zagen wat de manschappen te doorstaan hadden, door
regen en wind, vorst en hitte, dat waren de stafofficieren heel relaxed over
wat die soldaatjes te doorstaan hadden. Ook dat klinkt door in het boek en de
mogelijke zelfverwonding van Archie Mason was het gevolg van de
uitzichtloosheid van de toestand voor zo een soldaat. En anders was hij
gevallen held, maar dat kon volgens de arts niet, want die verbond geen zelf
aangebrachte verwondingen.
Wie dicht wil komen bij het leven van soldaten in de
Grote Oorlog, kan ook met dit boek heel wat opsteken en invoelen. Vooral omdat
de soldaat Bennett na de oorlog geen rust vindt maar ook zijn plaats niet meer
vindt thuis noch zijn job mag uitvoeren. Hij reist terug naar Ieper en vindt
daar weliswaar geen antwoorden, maar wel een nieuwe taak, mee de kerkhoven van
het Britse Gemenebest aanleggen. Of hij verder levensgeluk vindt? Dat valt
buiten het spectrum, maar is ook niet erg, want hij vond een taak en een toekomst
vlak bij de plaatsen waar die verloren waren gegaan. En de houding van de
thuisblijvers, van hen die de oorlog kenden uit de kranten en dus alleen de
mededelingen van woordvoerders van de chefs van staven, dat kon hem niet meer
verdommen.
Bart Haers



Reacties
Een reactie posten