Albert Camus aan zijn leraar

 


Reflectie

 

 


De meester, de school

En een nobelprijs

Briefwisseling tussen

Albert Camus en Louis Germain

 

 


Albert Camus, Brieven aan mijn leraar. Een ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling. Inleiding door Bas Heijne. (Vertalers Tatjana Daan, Jan Pieter van der Sterre). Uitgeverij De Bezige Bij 2026. 128 pp. 15,- € 


Waardering opbrengen voor een ander, voor zogenaamd eenvoudige mensen, het is meer dan het vaak opklinkende “respect”, want respect laat nog ruimte voor onverschilligheid. Hoe kan zo een bescheiden briefwisseling tussen een schoolmeester en zijn voormalige leerling, op dat moment een filosoof, auteur, gelauwerde met de Nobelprijs voor ons nog van belang zijn?

 

Albert Camus dacht, zo weten we intussen, onmiddellijk aan zijn moeder, toen hem de Nobelprijs was toegekend, maar ook aan zijn schoolmeester, meester Germain. Bas Heijne vindt dat bijzonder, omdat we onze successen eerder op eigen conto schrijven en al helemaal niet denken aan de schoolmeesters van de basisschool, of juffrouwen, natuurlijk.  Wie Wimbledon wint of een Oscar, zal altijd de mensen danken, die meewerkten aan dat succes. Nu “wint” een Nobelprijswinnaar niet niets, wel wordt hij of zij gelauwerd omdat het oordeel bij een comité van ingewijden berust, of het nu over literatuur gaat of natuurwetenschappen. Met andere woorden, ondanks de geruchten, lijkt zo een onderscheiding en de laureaat ervan met overleg en binnen besloten kring besproken en besloten te worden. Natuurlijk, er was niet zolang geleden heibel in het Nobelprijscomité, omdat er interferentie van buitenaf zou zijn gekomen. Maar het nobelprijscomité werkt nu net met oproepen omdat men de poule van kandidaten wil uitbreiden. Dus kan men maar moeilijk beweren dat de keuze in een ivoren tot stand komt. Dat men waardering voor een auteur niet enkel van die lauwerkrans kan laten afhangen, spreekt ook voor zich. De discussie waarom men een werk, dichtbundel, roman, essay, of een oeuvre zou waarderen, hangt niet alleen af van de commerciële aansporingen tot kopen. Elk jaar, of misschien eerder als een grote hype geweest in het Nederlandse letterengebied – dankzij vertalingen – ziet men wel eens een enquête over ongelezen boeken en dan is steevast zo een uitzonderlijke hype het eerste slachtoffers. Toen Umberto Eco beroemd werd buiten de wereld van de semiotiek en linguïstiek was dat met de roman “De naam van de Roos”, waarvan sommigen vonden dat er te veel anachronismen in verwerkt zaten en andere het een te simpele whodunit was. Eco legt uit dat kennis op verschillende manieren verworven kan worden, maar zonder nauwkeurig speurwerk en goed “lezen” van de tekenen, zal het toch niet lukken de natuur der dingen te begrijpen.

 

Door aan zijn oude schoolmeester te schrijven, die net als de vader van Camus aan het front had gevochten in 1914 maar het uiteraard wel overleefd heeft, terwijl vader Camus nog in 1914 in de eerste slag aan de Marne stierf. De mama kreeg geen weduwenpensioen, was half doof en sprak weinig. Ze keerde naar Algiers terug waar ze in de wijk Belcourt bij haar moeder introk, om te overleven. Albert Camus had geen perspectieven, wist niet beter dan dat hij zou moeten werken van zodra het kon. Maar de schoolmeester stuurde hem naar de middelbare opleiding, nadat hij de grootmoeder had overtuigd.

 

Opvallend is dat Louis Germain lang niet op de hoogte was van de extreme armoede en dus kansarmoede voor Albert en zijn broer. Maar wat het wezen- en weduwengeld betekende voor het overleven valt moeilijk na te trekken, omdat we de kostprijs van basisproducten of huurprijzen niet kennen. Tegelijk is duidelijk dat Camus niet graag beleefde dat hij geen deftige kleding bij de hand had en er maar armoedig bij moest lopen, zoals iedereen op school. Maar toch ging hij voor de lauwerkrans van primus perpetuus, nog zoiets dat uit het onderwijsjargon is verdwenen en vergeten. Ook zou hij die mensen in armoede, die in vergetelheid geraken niet vergeten.

 

De rest is geschiedenis, zouden we kunnen denken. Ook lijkt het op een sprookje, maar meestal leven die prinsen en prinsessen in een lege ruimte, net omdat ze niets anders mogen doen dan zijn, gelukkig zijn. In la Peste zien we een typische Camusfiguur, een buitenstaander die de zieken in zijn wijk, stad tegen de ziekte, maar het kan ook een ideologische besmetting en verblinding zijn. Camus schreef tegen het nazisme maar hij zou zich ook tegen JP Sartre en het communisme keren. Het opvallende is dat hij vaak als literator zonder meer is voorgesteld terwijl Albert Camus over de condition humaine schreef en dus filosofische kanttekeningen aanbracht bij de communis opinio. Wie na WO II niet communistisch was in de Letterenfaculteiten, de Pol&Soc, was een outlaw, een banneling, had a priori niets te vertellen. Toch bleef Camus die al grotere weerstanden had moeten overwinnen, de strijd met café de Flore, waarbij Sartre Camus, de verzetsman, verwijt zich niet in te zetten voor een verbetering van de omstandigheden van de kanslozen (die Camus zelf is geweest). 

 

In zijn opmerkelijke  en dezer dagen vaak vergeten essay “l’ homme Revolté” ofwel de mens in opstand, stelt Camus vast dat de man of vrouw in verzet, eens de zege behaald en macht verworven, zelf weer zal belaagd worden en zich alleen met geweld staande kan houden, zoals Lenin had gesteld. Sartre had de oorlog in relatieve rust overleefd, omdat hij zich niet met het verzet had ingelaten. Daarom idealiseerde hij Camus, tot die dus tot de vaststelling kwam, dat totalitarisme nergens voor oplossingen zorgen kan, die de mens, ook de kansloze medeburgers ten goede zou komen.

 

De brieven van Louis Germain aan Albert Camus en omgekeerd laten zien dat die vriendschap  berust op dankbaarheid en bescheidenheid van beiden. Maar wat kan een schoolmeester nu helemaal betekenen? Vroeger, toen ik nog een ukje was, behoorden schoolmeesters net nog of net niet meer tot notabelen van het (industrie-)dorp. De katholieke scholen, een voor jongens en een voor meisjes hadden het meeste leerlingen, maar vooral, de schoolmeester en ook wel een aantal juffen hadden een goede opleiding genoten en deden hun best alle leerlingen mee te krijgen, zonder daarom direct meer aandacht te besteden aan deze of gene. Wie goed was kreeg doorgaans nieuwe oefeningen. En discipline was er ook, maar het was geen kadaverdiscipline, maar orde houden in de klas; ook mocht er al eens gelachen worden en zelfs werd er al eens gespeeld, onder de bank, kwartetten of iets dergelijks. Maar aan het einde was er het rapport, dat meegaf hoe goed elke leerling het gedaan had, met een klasgemiddelde en de plaats van de leerling, ook per vak. Wie doorgaans in het hoogste echelon zat, kreeg een “goed zo!”, maar het werd ook niet overtrokken gesteld, toch had je wel een succeservaring. En ja, we konden zeggen dat die lagere school al bij al een gelukkige tijd was, al verloor een klasgenoot een vader aan diabetes en zorgde dat een tijd voor kalmte en reflectie. Maar natuurlijk ook, was de school, binnen het kader van het verplicht onderwijs, niet alles bepalend, want er was ook voetbal, er was de teken- en muziekacademie voor wie dat wilde dan wel moest volgen. Al bij al waren die schoolmeesters goede wegbereiders om later onze weg te vinden. In die zin is het boekje met de briefwisseling van Albert Camus en Louis Germain een boeiende belevenis. Ook laat het zien  dat de Pied-Noir dan misschien wel blank en Frans, Europees was, maar daarom niet zwom in rijkdom en voorrechten.

 

Zouden wij denken dat zo een schoolmeester geen oog voor het welzijn van de kinderen? Louis Germain was zelf ook Oud-strijder van 1914-1918 en had het uiteraard overleefd, Lucien Camus, vader van Albert niet. Dus nam de meester de jongen onder zijn vleugels om het examen deel te nemen om naar het lyceum te gaan – nu opgesplitst in Collège en Lycée, maar evengoed had grootmoeder geen geld. Toch zou Louis Germain haar overreden Albert toch verder naar school te laten gaan, al betekende dat op zich al een aderlating, want dan bracht hij geen sou binnen. Dat was de reden waarom de kloof tussen wie gestudeerd had en wie niet en uit arme buurten kwam, zoals Camus, zo diep. Ook de psychiater Boris Cyrulnik, die op een andere manier geconfronteerd werd met afwezigheid van beide ouders, want beiden werd meegesleurd in de infernale vernietigingsmachine omdat ze joods waren, ook zelf aan de weg moest timmeren, werd door jongeren in de wijk, die niet gingen studeren verweten zich van hen af te keren en niet bij Renault Billancourt, of andere bedrijven aan de rand van Parijs verkoos te werken.

 

Maar Boris Cyrulnik is vooral de auteur van een interessante bijdrage over résilience, weerbaarheid, in de betekenis van heropstanding na een zwaar trauma. Daar  slaagt men niet in op eigen houtje, maar door aanwezigheid van anderen, die zonder verplichtingen die heropstanding bewerkstelligen zonder daar zelf op te mikken. Uiteraard zal een wetenschapper zeggen dat dit nonsens is, maar het gebruik van de term “résilience” dezer dagen is zelf nogal bedenkelijk, omdat men die weerbaarheid dan maar zelf moet opbrengen, maar ook dat zijn geen wetenschappelijke onderzoeken, maar anekdotiek, die wel aanslaat.

 

Iemand als Louis Germain kan men net ten goede duiden dat hij door de jonge Camus onder zijn vleugels te nemen, met het doel hem verder te laten komen in het leven, de innerlijke veerkracht, résilience heeft weten aan te boren en zijn leven vorm te geven. Maar zonder de vonk van Louis Germain was dat wellicht niet gebeurd. Daarvoor is Camus hem dan ook dankbaar.

 

Het blijft opvallend dat men onderwijs en de kennisoverdracht steeds meer is gaan formaliseren, waarbij aan onderwijzers en leraren v/m wordt bijgebracht dat – na het zogenaamde tijdperk van de strenge schoolmeester – afstand moet gehouden worden, maar vooral en tegelijk, dat men tegenover leerlingen geen autoriteit mag laten gelden, omdat men als volwassene ervaring zou hebben en kennis. Klopt het dat men soms mensen autoriteit ziet claimen, die zij niet hebben, dan kan men niet zomaar beweren dat schooljuffen en schoolmeesters geen autoriteit aan de dag mogen leggen, want dat is iets anders dan op stel en sprong en vooral te onpas straffen uitdelen en al helemaal geen goede pedagogische eigenschappen te berde te kunnen brengen. Streng maar rechtvaardig hoort men wel als de eigenschappen van de goede schoolmeester noemen, maar wat Albert Camus over Louis Germain weet te vertellen, laat zien – zelfs een de aanspreekvormen – dat “het lievelingetje”, dat niemand wilde zijn wel eens straf kreeg als die iets fout had gedaan – laat zien dat zo een verhouding behoorlijk complex in elkaar zit, maar opdat iemand zou slagen zoals Louis Germain om een echte armoezaaier toch naar het Lycée te krijgen en dat deed hij zonder er zeker van te zijn of het Albert zou lukken, dus het had ook rancune kunnen veroorzaken, . Maar de jonge Camus was er klaar voor en ging naar het Lycée en uiteindelijk naar de universiteit. Maar iets laat vermoeden dat Albert Camus zelf de universiteit niet per se het nec plus ultra noemt, al was hij wel zeer gemotiveerd om de studies aan te vatten.

 

Bas Heijne blijft bij de brieven en we kunnen ze in alle rust lezen. Maar de figuur van Albert Camus komt niet aan het licht in de uitreiking en het ontvangen van de Nobelprijs, wel in de werken die hij heeft geschreven en dezer dagen niet altijd meer gelezen worden. De niet gespeelde bescheidenheid van Camus, die zich wel waardig weet, maar beseft dat zo een onderscheiding voor een môme uit Belcourt, de arme voorstad van Algiers toch wel bijzonder is, voor zijn leraar Louis Germain, maar denkelijk ook voor zijn prof filosofie, Jean Grenier, met wie hij ook bleef corresponderen, uit erkentelijkheid en omdat hij nog zoveel te leren had. Zoals het vandaag bon ton lijkt van een professor te mogen verwachten dat die alles weet, terwijl het niveau van specialisme zoveel groter is dan tijdens de jaren 1930, is het voor studenten nog nauwelijks van belang aandacht te besteden aan het werk van deze of gene prof. Het lijkt erop dat Albert Camus de gesprekken met de mensen die hem vormen wil verderzetten en zo zijn pen scherpen. Het valt mij altijd weer op dat we van het welhaast verdwenen verschijnsel/medium, de brief, verzonden onder gesloten omslag en dus gevrijwaard door het briefgeheim niet goed meer kennen. Maar voor 2000 was het absoluut noodzakelijk wilde men contact houden of contracten kunnen afsluiten via briefwisseling (en eventueel telex en in de laatste periode via fax) brieven te versturen en te bewaren. Alleen al daarom is het mooi dat we deze briefwisseling van Louis Germain aan oud-leerling Albert Camus kunnen lezen en erover reflecteren.

 

Bart Haers  

 

Reacties

Populaire posts